Einde inhoudsopgave
Arbeidsrecht en insolventie (MSR nr. 75) 2019/3.4.1
3.4.1 Transitievergoeding
Mr. J. van der Pijl, datum 01-11-2018
- Datum
01-11-2018
- Auteur
Mr. J. van der Pijl
- JCDI
JCDI:ADS301190:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Arbeidsrecht / Europees arbeidsrecht
Insolventierecht / Faillissement
Arbeidsrecht / Einde arbeidsovereenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Of het moet gaan om de vraag of ook een doorstarter na faillissement aan betaling van een transitievergoeding aangaande de dienstjaren van vóór de doorstart kan ontkomen door een beroep op dit artikel, een vraag die vooralsnog ontkennend is beantwoord (zie bijvoorbeeld Rb. Arnhem (ktr.) 15 januari 2016, JAR 2016/48 m.nt. De Jong en JOR 2016/82, m.nt. Loesberg) en die nader aan de orde komt in hoofdstuk 6 (Doorstart).
Handelingen II 2014/14, 33 818, 54, nr. 9, p. 30-31.
Zie bijvoorbeeld Schaink 2017, p. 132 en diens verwijzing naar CRvB 18 februari 1992, RSV 1992/222.
De transitievergoeding die een werkgever in beginsel aan de werknemer is verschuldigd als hij de arbeidsovereenkomst die ten minste 24 maanden heeft geduurd opzegt, aldus artikel 7:673 BW, is hij in geval van faillissement of surseance niet langer verschuldigd, zo schrijft artikel 7:673c BW voor. Met de gekozen terminologie 'niet langer' wordt beoogd een einde te maken aan de reeds voorafgaand aan het faillissement verschuldigd geworden (maar nog niet betaalde) transitievergoedingen, alsook in geval van opzegging door de curator of door de sursiet/bewindvoerder in surseance geen aanspraak op een transitievergoeding te laten ontstaan. Op zich is dit duidelijke taal die nog niet tot controverse in de rechtspraak heeft geleid.1 Toch verdient deze bepaling wel nadere aandacht, want haar karakter is verstrekkend. Het is de eerste wettelijke bepaling, samen met het eveneens in 2015 ingevoerde artikel 7:668 lid 3 BW aangaande de zgn. aanzegvergoeding, die een op het moment van faillissement bestaande vordering van een werknemer laat vervallen. Het is dus niet alleen geen boedelschuld, maar ook geen faillissementsvordering. Het debat hieromtrent in de parlementaire geschiedenis maakt een weinig scherpe indruk. Als argument voor invoering van artikel 7:673c BW is aangevoerd dat de aanspraak op de transitievergoeding niet onder de loongarantieregeling zou moeten vallen, omdat dat een aanzuigende werking zou hebben.2 Dit is op zijn minst een onbevredigende motivatie, want waar mogelijk nog wel iets valt te zeggen voor het bezwaar dat de algemene middelen (lees: UWV) wel heel zwaar zouden worden belast via de loongarantieregeling als daaronder alle transitievergoedingen van werknemers van insolvente werkgevers zouden vallen, dan betekent dat nog niet dat door die aanspraak van de werknemer volledig een streep moet worden gehaald. Waarom kan deze niet gewoon als faillissementsvordering worden aangemerkt? Op die manier zou iedere werknemer op dezelfde wijze als andere schuldeisers worden behandeld (op het punt van de bevoorrechting van werknemers wordt – in kritische zin – in de volgende paragraaf teruggekomen) hetgeen als een logisch gevolg van het generale uitgangspunt van de gelijkheid van schuldeisers van artikel 3:277 lid 1 BW voorkomt. Het lijkt erop – aanwijzingen voor het tegendeel zijn er niet – dat zowel de minister als het parlement hebben miskend dat ontslagvergoedingen al niet gedekt werden door de loongarantieregeling3 en dat in dat opzicht artikel 7:673c BW niet nodig was geweest om dat kennelijke doel ('De transitievergoeding mag niet ten laste van de loongarantieregeling komen') te bereiken. Ik ben daarom vóór schrapping van artikel 7:673c BW; de wijze waarop dat, ook wetstechnisch, haar beslag zou kunnen krijgen komt in paragraaf 3.7 aan de orde.