Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/4.9.10
4.9.10 Een nieuwe oplossing? Het ius tollendi van de huurder
mr. J.C.T.F. Lokin, datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS644783:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 17 november 2006, BNB 2007/50, ECLI:NL:HR:2006:AZ2377 (GSM-zendmast). Zie ook: Asser/Rossel & Heisterkamp 7-II 2021/23.
HR 27 mei 1910, W 9036. Het algemene artikel van huur van goederen onder het OBW was art. 1584 OBW. Volgens dat artikel was de verhuurder gehouden om het genot van een zaak te verschaffen: Art. 1584 OBW: “Huur van goederen is eene overeenkomst, waarbij de eene partij zich verbindt om der andere het genot eener zaak te doen hebben, gedurende eenen bepaalden tijd en tegen eenen bepaalden prijs, welken de laatstgemelde aanneemt te betalen. Men kan allerlei soort van goederen, het zij onroerende, het zij roerende, verhuren.”
Art. 7:201 BW: “Huur is de overeenkomst waarbij de ene partij, de verhuurder, zich verbindt aan de andere partij, de huurder, een zaak of een gedeelte daarvan in gebruik te verstrekken en de huurder zich verbindt tot een tegenprestatie.”
MvT II, art. 7.4.1.1, Par. Gesch. BW, Boek 7, nr. 2 , p. 157; Zie ook: Toelichting Ontwerp Houwing, art. 7.4.1.1, Parl. Gesch. BW, Boek 7, NR. 6, p 155: “Er is echter geen redelijke grond om die overeenkomst van de toepasselijkheid der huurbepalingen uit te sluiten.”
Hof ‘s-Hertogenbosch 24 mei 2011, ECLI:NL:GHSHE:2011:BQ7304.
HR 17 maart 1961, ECLI:NL:HR:1961:111 (De Vos/Verenigde Melkbedrijven). De verbintenis die ontstaat uit de huurovereenkomst moet naar de maatstaf van art. 6:227 BW bepaalbaar zijn. Niet nodig is dat deze verbintenis op het tijdstip van totstandkoming van de overeenkomst al vastgesteld kan worden. Zie: MvT II, art. 7.4.1.1, Par. Gesch. BW, Boek 7, nr. 2 , p. 157.
MvT II, art. 7.4.1.1, Par. Gesch. BW, Boek 7, nr. 2 ,p. 157; Amiel/Van Tatenhove, GS Huurrecht, art. 7:201 BW, aant. 7.3.
Hoewel de twee huurovereenkomsten met elkaar samenhangen, zijn het wel twee afzonderlijke huurovereenkomsten. Van een gemengde overeenkomst is in dit geval dus geen sprake. Zie Asser/Sieburgh 6-III 2018/67: “Van een gemengd contract zal men niet moeten spreken, indien weliswaar tegelijkertijd verschillende nauw met elkaar verband houdende overeenkomsten worden gesloten, maar deze toch elk afzonderlijk en volledig een benoemd contract vormen.”
In de volgende paragrafen komt een andere oplossing aan bod die binnen het huidige wettelijke kader is gevonden. Ideaal is immers om een oplossing voor de problemen te vinden zonder dat deze wettelijke aanpassingen behoeft of hoge kosten met zich brengt. Zoals hierboven besproken, vormen voornamelijk de natrekkingsregels, voor het zakenrecht, en het daaraan ten grondslag liggende eenheidsbeginsel een probleem in het streven naar een circulaire economie. Deze natrekkingsregels zijn er echter niet voor niets. Ze zijn ordeningsregels en staan midden in het zakenrecht, waardoor het aanpassen ervan al snel resulteert in het “overhoop” halen van het gehele wettelijke systeem. Het zakenrecht is als een kaartenhuis: alles hangt met alles samen. Voorzichtigheid is derhalve geboden bij de vraag of men een regel wil toevoegen, veranderen of afschaffen. Het verdient de voorkeur om binnen het bestaande rechtsstelsel te blijven. In dit verband wil ik de aandacht vestigen op het huurrecht en het daarbij behorende afscheidingsrecht van de huurder. Dit afscheidingsrecht is in het licht van de circulaire economie nog niet behandeld. Ik geef twee voorbeelden.
A huurt een stuk grond van B. Hij plaatst op het gehuurde perceel een tiny house. B stelt dat hij door natrekking eigenaar is geworden van het kleine huis, omdat het duurzaam met de grond is verenigd. A stelt dat van een duurzame vereniging geen sprake is. De vraag of het huisje is nagetrokken, is echter niet relevant, doordat A en B een huurovereenkomst hebben gesloten. Is de zaak niet nagetrokken, dan heeft A als eigenaar een (impliciet) afscheidingsrecht. Is de zaak wel nagetrokken, dan heeft A als huurder eveneens een afscheidingsrecht (art. 7:216 lid 1 BW1) en mag hij de door hem toegevoegde zaken afscheiden, mits hij de gehuurde zaak (de grond) in de oude toestand herstelt. Dit laatste zal doorgaans geen probleem zijn.
A wil zonnepanelen huren van B. Ze sluiten twee huurovereenkomsten. In de eerste komen ze de huur van de panelen overeen (overeenkomst 1). Hier is A huiseigenaar en huurder van de zonnepanelen. B is de verhuurder van de zonnepanelen. De tweede overeenkomst heeft betrekking op de huur van het dak van A door B, waarop B de zonnepanelen plaatst (overeenkomst 2). Hier is B huurder van het dak. Huiseigenaar A is de verhuurder van het dak. Omwille van de duidelijkheid wordt hieronder A aangeduid als huiseigenaar en B als producent (van de panelen). Door de huurconstructie is de vraag of de zonnepanelen worden nagetrokken door het huis niet langer meer relevant. De producent B is immers gerechtigd om de panelen af te scheiden aan het einde van het huurcontract of bijvoorbeeld op het ogenblik dat huiseigenaar A de huurpenningen niet betaalt.
Is de verhuur van een dak mogelijk? Ja.2 De Hoge Raad had in 19103 het tegenovergestelde vastgesteld door te stellen dat een dak geen “zaak” was en derhalve niet in aanmerking kwam voor verhuur. Dit bezwaar is in de huidige regelgeving ondervangen doordat de wetgever in het algemene artikel over huur, art. 7:201 BW, heeft bepaald dat de huur een overeenkomst is waarbij de verhuurder zich verbindt aan de huurder om “een zaak of een gedeelte daarvan [cursivering, JCTF] in gebruik te verstrekken”.4
“In de woorden «in gebruik verstrekken» ligt niet besloten dat voor huur een in onbeperkt gebruik geven nodig is. Zo kan huur van een muur voor reclamedoeleinden worden beschouwd als huur van de betreffende onroerende zaak strekkend tot een beperkt gebruik daarvan. Artikel 203 zegt dan ook dat de verhuurder de zaak aan de huurder ter beschikking moet stellen «voor zover dat voor het overeengekomen gebruik noodzakelijk is.”5
Waar bij het opstalrecht onduidelijkheid bestaat over het antwoord op de vraag of dat recht voor een dak kan worden gevestigd, bestaat deze onduidelijkheid voor het huurrecht niet. Iemand kan een muur van een huis dat vlak naast een snelweg staat huren om daarop reclame te maken voor zijn bedrijf.
Voor een geldige huurovereenkomst moet wel voldaan zijn aan bepaalde vereisten. Het eerste vereiste is het reeds genoemde ter beschikking stellen van een (gedeelte van een) zaak. In casu is dat het dak, maar ook andere gevallen zijn denkbaar, bijvoorbeeld een modulair geproduceerde gevel of een liftschacht. Duidelijk moet zijn dat een gedeelte van een zaak wordt verhuurd en niet dat sprake is van een exploitatie daarvan. In dat laatste geval is er geen sprake van huur.6
Voorts is voor het sluiten van een (geldige) huurovereenkomst vereist dat de producent B een tegenprestatie levert aan de huiseigenaar A voor het in gebruik geven van een (gedeelte van een) zaak. Deze tegenprestatie hoeft niet te bestaan uit geld.7 De hoofdprestatie van huiseigenaar A bij overeenkomst 2 is het ter beschikkingstellen van het dak aan producent B. De tegenprestatie van B als huurder van het dak is de plaatsing van de zonnepanelen en dat de opgewekte stroom voor huiseigenaar A is. Deze tegenprestatie is ook de hoofdprestatie van overeenkomst 1, waarbij producent B de verhuurder is van de panelen. De tegenprestatie van huiseigenaar A bij die overeenkomst is de betaling in geld. Zo zijn de twee huurovereenkomsten met elkaar verweven. Een bijkomend voordeel hiervan is dat in geval van overdracht van het huis, de nieuwe eigenaar niet gehouden is de huurovereenkomst van de zonnepanelen voort te zetten. “Koop breekt geen huur” (art. 7:226 BW) en dus blijft de verhuur van het dak intact, maar dit probleem kan worden ondervangen door in de huurovereenkomst op te nemen dat de huur slechts geldt voor de duur van de huur van de zonnepanelen. Bovendien zal producent B het dak niet meer willen huren als de huurovereenkomst van de zonnepanelen (overeenkomst 1) wegvalt. Hij zal de huur opzeggen en de zonnepanelen verwijderen.
Tot slot is voor een geldige huurovereenkomst vereist dat het gebruik van de verhuurde zaak niet ten behoeve van de wederpartij mag geschieden. Dergelijke overeenkomsten vallen niet onder huur. Een voorbeeld hiervan is het geval waarin een werkgever zijn werknemer verplicht om een dienstwoning van de werkgever te betrekken.8 Hiervan is in het bovengenoemde voorbeeld met de zonnepanelen geen sprake. Voor beide huurovereenkomsten geldt dat de huurder het gebruik van het gehuurde te eigen behoeve ontvangt. Huiseigenaar A huurt de zonnepanelen (overeenkomst 1) voor eigen gebruik. Producent B ontvangt eveneens te eigen behoeve het gehuurde (het dak, overeenkomst 2). Hij heeft baat bij de huurconstructie met het dak (overeenkomst 2). Door die huurovereenkomst is het voor hem immers mogelijk om de zonnepanelen aan huiseigenaar A te verhuren, zonder dat hij (in beginsel) hoeft te vrezen voor de natrekkingsregels.9