De reikwijdte van medezeggenschap (MSR nr. 63) 2014/1
1 Inleiding
Datum 01-01-2014
- Datum
01-01-2014
- JCDI
JCDI:ADS391999:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken I, 2012-2013, 33367, C, p. 4. Zie ook: Kamerstukken II, 2009-2010, 29818, nr. 33, p. 21. Het Kamerlid Uhlenbelt vraagt hier of het beginsel medezeggenschap volgt zeggenschap niet moet worden omgedraaid. De minister antwoordt vervolgens dat dat zou leiden tot een ander proces van ondernemerschap.
Kamerstukken II, 2008-2009 31821, nr. 7, p. 10; Kamerstukken II 2003-2004 28294, nr. 7, p. 4.
Notitie consultatief overleg medezeggenschap van de SER van 21 september 2009. AOM/948, p. 7-8.
Zie bijvoorbeeld: RH. van het Kaar, E. Smit, Vier scenario's voor de toekomst van medezeggenschap. Een onderzoek in opdracht van het ministerie van SZW, juli 2006, p. 16; W.M.G. Allertz, Grensoverschrijdende organisatieontwikkelingen en medezeggenschap. Besluitvorming in internationaliserende ondernemingen, Assen: Van Gorcum 2002, p. 243; M. Chébti, ‘Volgt medezeggenschap de formele of feitelijke zeggenschap in de onderneming, BB 2008, 69, Kantonrechter Rotterdam 30 maart 2011, RO 2011/68.
Hierop wordt in de jurisprudentie een enkele uitzondering gemaakt. Ondernemingskamer 30 oktober 2003, JOR 2003/10, Ondernemingskamer 10 mei 20112011/167. In beide gevallen ging het om een (voorgenomen) besluit om niet in te schrijven op een concessie.
Hof Amsterdam 27 juli 1989, NJ 1990, 734 (PUEM).
Dit blijkt onder meer uit de notitie consultatief overleg medezeggenschap van de SER van 21 september 2009. AOM/948 p. 7-8. Ook het Hof ’s-Gravenhage noemt het beginsel medezeggenschap volgt zeggenschap expliciet als uitgangspunt bij de inrichting van de medezeggenschapsstructuur. Hof ’s-Gravenhage 28 november 2006, JAR 2007/8. Deze uitspraak zal in paragraaf 4.2.3.1. uitgebreid besproken worden.
Dat werknemers medezeggenschap dienen te hebben ten aanzien van de besluitvorming in de onderneming is in Nederland een algemeen geaccepteerd gegeven. Op basis van verschillende wetten en regelingen oefenen Nederlandse werknemers invloed uit op de besluitvorming van de ondernemer en – bij sommige rechtsvormen – op de samenstelling van de organen van de ondernemer. Medezeggenschap is zowel in het Nederlandse als het Europese recht als grondrecht verankerd. De belangrijkste wet die de medezeggenschap van werknemers regelt, is de WOR die werknemers informatie-, overleg-, advies- en instemmingsrechten verschaft. De WOR is van toepassing op iedere onderneming, ongeacht de rechtsvorm waarin deze wordt gedreven en ongeacht de (financiële) situatie waarin de onderneming zich bevindt. De achtergrond van deze ‘rechtsvormonafhankelijkheid’ is dat de wetgever beoogde een zo ruim mogelijke werking aan de medezeggenschap te geven. Een goede gedachte die er echter aan voorbij gaat dat de keuze voor een bepaalde rechtsvorm of organisatiestructuur of de situatie waarin de onderneming zich bevindt van invloed is op de medezeggenschap van werknemers. Een van de belangrijkste uitgangspunten van de WOR is tenslotte dat de medezeggenschap de zeggenschap moet volgen.
Het beginsel medezeggenschap volgt zeggenschap houdt in dat de medezeggenschap van werknemers zoveel mogelijk aansluit op de uitoefening van de zeggenschap en de wijze waarop de zeggenschapsverhoudingen zijn vormgegeven. Dit adagium wordt beschouwd als een van de wezenskenmerken van de WOR, al wordt het in de wetsgeschiedenis van de eerste versies van de WOR niet als zodanig genoemd. Bij latere wetswijzigingen wordt het wel – al dan niet expliciet – tot uitgangspunt genomen. Zo stelt Minister Asscher bij de parlementaire behandeling van de wijziging van de WOR in 2013: “omdat medezeggenschap de zeggenschap volgt zal er echter altijd een bepaalde vertraging zitten in de reactie van de Nederlandse ondernemingsraad op het besluit van een buitenlands moederconcern.”1
Bij de wetgeving inzake medezeggenschap bij scholen en bij pensioeninstellingen wordt het adagium medezeggenschap volgt zeggenschap uitdrukkelijk op de voorgrond geplaatst.2 In de notitie consultatief overleg medezeggenschap van de SER werkgroep AOM wordt ook verschillende keren gerefereerd aan het beginsel medezeggenschap volgt zeggenschap.3 Tot slot wordt in de literatuur en jurisprudentie medezeggenschap volgt zeggenschap als een van de belangrijkste uitgangspunten van de WOR neergezet.4
Medezeggenschap volgt zeggenschap speelt een rol bij verschillende aspecten van medezeggenschap. Het gaat grofweg om (i) de uitoefening van de bevoegdheden van de or, (ii) de inrichting van de medezeggenschapsstructuur en (iii) de wijziging van de zeggenschap. Hieronder bespreek ik deze aspecten kort en ga ik tevens in op situaties waarin het beginsel medezeggenschap volgt zeggenschap ten aanzien van die betreffende aangelegenheid onder druk komt te staan. Deze situaties zullen vervolgens in de verschillende hoofdstukken van deze dissertatie behandeld worden.
a) De uitoefening van de bevoegdheden van de or
Art. 25 en 27 WOR zijn zo vormgegeven dat de bevoegdheden van de or gekoppeld zijn aan de besluitvorming van de ondernemer. Kort gezegd het advies volgt het besluit van de ondernemer. Wanneer er geen besluit is genomen, is er ook geen adviesrecht van de or; er is geen adviesrecht ten aanzien van non-decisie.5 Ook bij de vraag jegens wie de bevoegdheden kunnen worden uitgeoefend, speelt het beginsel medezeggenschap volgt zeggenschap een rol. De medezeggenschap komt het beste tot zijn recht indien degene die het in zijn macht heeft het besluit (voor) te nemen, ook de medezeggenschap inschakelt. Zo overwoog het Hof Amsterdam in de zaak PUEM: “zij die krachtens hun rechtspositie in de vennootschap het in hun macht hebben de in art. 25 lid 1 bedoelde besluiten te nemen, zullen alvorens te besluiten het advies van de or dienen te vragen.”6
De WOR gaat uit van een ‘normaalsituatie’ waarin besluiten die betrekking hebben op de onderneming worden voorgenomen door de ondernemer, vertegenwoordigt door het bestuur. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de tekst van art. 25 WOR. In de praktijk zijn de zeggenschapsverhoudingen echter complexer dan deze normaalsituatie en kan de medezeggenschap onder druk komen te staan. In hoofdstuk 2 ga ik in op de situatie dat een onderneming wordt gedreven in de rechtsvorm van een kapitaalvennootschap (BV en NV). In dat geval vindt naast besluitvorming in de onderneming, de arbeidsorganisatie, besluitvorming plaats in de rechtspersoon. Voorgenomen besluiten die betrekking hebben op de vennootschapsrechtelijke organisatie vallen strikt genomen niet onder de reikwijdte van art. 25 WOR, maar kunnen wen aanzienlijke gevolgen voor de onderneming en de daarin werkzame personen hebben. Daar komt bij dat deze besluiten in het algemeen niet door het bestuur (in de zin van de WOR), maar door de aandeelhouders(vergadering) worden (voor)genomen.
Ook indien ondernemingen onderdeel uitmaken van complexe concernstructuren komt het beginsel ‘medezeggenschap volgt zeggenschap’ onder druk te staan. In dat geval is er immers sprake van centrale leiding door de moedervennootschap en voeren de besturen van de dochtervennootschappen slechts het concernbeleid uit, althans dat zal voor een belangrijk gedeelte de besluitvorming op het niveau van de dochtervennootschap – en dus ook de invloed van de or daarop – inkleuren. Hoe beperkter de beslissingsvrijheid van het bestuur van de dochtervennootschap hoe beperkter de invloed van de medezeggenschap zal zijn. Daarnaast werken sommige besluiten van de moeder rechtstreeks door in de onderneming van de dochtervennootschap. De moedervennootschap neemt in dat geval het besluit, terwijl de medezeggenschap zich bevindt op het niveau van de dochtervennootschap. In hoofdstuk 4 zal ik deze problematiek beschrijven en onderzoek doen naar mogelijke oplossingen in de wetgeving en jurisprudentie. Internationale concerns komen aan de orde in hoofdstuk 5.
b) De inrichting van de medezeggenschapsstructuur
De wijze waarop de medezeggenschap wordt vormgegeven dient aan te sluiten bij de wijze waarop de zeggenschap is vormgegeven.7 De ondernemer dient de medezeggenschap zo in te richten dat deze het best tot zijn recht komt. Daarbij geldt het beginsel medezeggenschap volgt zeggenschap als uitgangspunt. In complexe concernstructuren zal het niet altijd eenvoudig zijn om de medezeggenschap te laten aansluiten bij de zeggenschap, zeker indien bepaalde onderdelen van het concern in het buitenland zijn gevestigd. Deze problematiek wordt voor nationale concerns behandeld in hoofdstuk 4 en voor internationale concerns in hoofdstuk 5.
c) Wijziging van de zeggenschap
Het beginsel ‘medezeggenschap volgt zeggenschap’ komt ook onder druk te staan wanneer de onderneming herstructureert. Bij een fusie of overname wordt de onderneming overgedragen aan een andere partij. De zeggenschapsverhouding wijzigt en de vraag rijst of de or wel blijft bestaan na de fusie of overname. Ook de rol van de or ten aanzien van het (voorgenomen) besluit tot fusie of overname kan een probleem vormen, nu dit besluit deels wordt genomen door een andere partij. In het geval van een aandelenfusie wordt het besluit, in ieder geval aan de kant van de doelwitvennootschap, niet eens door een orgaan van de vennootschap (voor)genomen, maar door individuele aandeelhouders.
Gaat het om een beursovername, dan zal de overname voor een belangrijk deel worden beheerst door het effectenrecht, wat van invloed kan zijn op de reikwijdte van medezeggenschap. Het effectenrecht heeft immers als voornaamste doel de beleggers te beschermen en het effectenverkeer zo soepel mogelijk te laten verlopen. Medezeggenschap zorgt voor (wellicht onwenselijke) informatiestromen en vertraging en verhoudt zich dus slecht tot de doelstellingen van de effectenrechtelijke regelgeving. Fusies en overnames komen aan de orde in hoofdstuk 3.
Sinds het ontstaan van de Europese Unie kunnen Nederlandse ondernemers ook grensoverschrijdend herstructureren. In een dergelijk geval kan de onderneming onder zeggenschap van een buitenlandse of Europese rechtspersoon komen, waarvoor andere medezeggenschapsregels gelden. De medezeggenschap die bestond bij de Nederlandse ondernemer kan daardoor beperkt worden. Deze problematiek komt aan de orde in hoofdstuk 5.
Een laatste voorbeeld van een wijziging van de zeggenschap waardoor de medezeggenschap onder druk komt te staan betreft de situatie dat de onderneming in staat van insolventie verkeert. De rechtbank beslist in dat geval – op verzoek van schuldeisers of de ondernemer zelf – of de onderneming al dan niet onder een faillissementsrechtelijke procedure valt. Een faillissementsrechtelijke procedure wordt in het leven geroepen met het doel tot een zo spoedig mogelijke afwikkeling van de boedel te komen ten behoeve van de schuldeisers. Treedt de staat van insolventie in dan wordt de zeggenschap (mede) overgedragen aan de curator en de bewindvoerder. In hoofdstuk 6 behandel ik de rol van werknemersvertegenwoordigers indien de onderneming insolvent is. Ik ga onder meer in op de vraag of de werknemers invloed kunnen uitoefenen op de eigen aanvraag tot faillietverklaring. Ook bespreek ik de rol van de or ten opzichte van de curator of bewindvoerder indien het faillissement of de surseance van betaling is ingetreden.
De kernvraag van deze dissertatie luidt:
In hoeverre komt het uitgangspunt ‘medezeggenschap volgt zeggenschap' onder druk te staan door de organisatiestructuur, rechtsvorm of situatie waarin de ondernemer zich bevindt?
Per hoofdstuk worden de volgende deelvragen beantwoord:
Wat is de verklaring voor het uiteenlopen van medezeggenschap en zeggenschap?
Welke belangen van andere betrokkenen (stakeholders) spelen daarbij een rol?
In hoeverre wordt het uiteenlopen ondervangen door jurisprudentie en/of wetgeving?
Welke andere mogelijkheden staan de werknemersvertegenwoordigers ter beschikking?
Op welke wijze kan de medezeggenschap beter aansluiten bij de zeggenschapsverhoudingen in het desbetreffende geval?
Als uitgangspunt neem ik de medezeggenschap op grond van de WOR. Naast deze wet, die geldt voor alle rechtsvormen en in alle situaties, bestaan echter veel bevoegdheden voor de or, voor vakbonden of voor beide op basis van andere wetten. Zo kan de or invloed uitoefenen op de samenstelling van de RVC van BV’s, NV’s, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen op basis van de structuurregeling in Boek 2 BW, hebben de vakbonden informatie- en raadplegingsrechten op basis van de Fusiegedragsregels en voorziet het Bob in medezeggenschap bij een openbaar bod. Per hoofdstuk zal ik onderzoeken welke bijzondere bevoegdheden de or of vakbonden hebben en hoe deze zich verhouden tot de zeggenschapsverhoudingen. Ook doe ik onderzoek naar andere geschillenprocedures die niet specifiek zien op medezeggenschap, maar wel ter beschikking staan aan de werknemersvertegenwoordigers, zoals de procedure ex art. 2:14-16 BW en de verzetsprocedure in het geval van faillissement. Ik sluit ieder hoofdstuk af met een conclusie en enkele aanbevelingen.
Dit onderzoek is afgerond in juli 2013. Op enkele uitzondering na, is daarna verschenen literatuur en jurisprudentie niet verwerkt.