De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 24 augustus 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR5704 en 15 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX4694.
Rb. Den Haag, 12-04-2021, nr. SGR 20/888, SGR 20/1233 en SGR 20/1243
ECLI:NL:RBDHA:2021:4309
- Instantie
Rechtbank Den Haag
- Datum
12-04-2021
- Zaaknummer
SGR 20/888, SGR 20/1233 en SGR 20/1243
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Sociale zekerheid algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBDHA:2021:4309, Uitspraak, Rechtbank Den Haag, 12‑04‑2021; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
ECLI:NL:RBDHA:2020:8498, Uitspraak, Rechtbank Den Haag, 01‑09‑2020; (Tussenuitspraak)
Uitspraak 12‑04‑2021
Inhoudsindicatie
Einduitspraak. Drie beroepen NTB. Beroepen alsnog niet-ontvankellijk wegens misbruik van recht.
Partij(en)
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: SGR 20/888, SGR 20/1233 en SGR 20/1243
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 april 2021 in de zaak tussen
drs. [eiser] , te [woonplaats] , eiser
en
het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Bollenstreek (ISD), verweerder (gemachtigde: mr. D.F. Rosenbaum en S. Bakker).
Procesverloop
Op 18 januari 2020 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaarschrift tegen het besluit van 5 september 2019 waarin zijn aanvraag om bijzondere bijstand voor de reiskosten in verband met het bijwonen van een zitting van de wrakingskamer van de rechtbank Den Haag is afgewezen (SGR 20/888). Bij besluit van 12 december 2019 heeft verweerder het bezwaar van eiser kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
Op 11 februari 2020 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaarschrift tegen het besluit van 20 september 2019 waarin zijn aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van het griffierecht voor de procedure met zaaknummer SGR 19/4991 is afgewezen (SGR 20/1233). Bij besluit van 30 december 2019 heeft verweerder het bezwaar van eiser kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
Op 11 februari 2020 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaarschrift tegen het besluit van 27 september 2019 waarin zijn aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van het griffierecht voor een dagvaardingsprocedure bij het gerechtshof Den Haag is afgewezen (SGR 20/1243). Bij besluit van 2 januari 2020 heeft verweerder het bezwaar van eiser kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
Bij tussenuitspraak van 1 september 2020 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank het onderzoek heropend en eiser in de gelegenheid om binnen vier weken na verzending van de tussenuitspraak beroepsgronden in te dienen tegen de beslissingen op bezwaar van 12 december 2019, 30 december 2019 en 2 januari 2020.
Eiser heeft op 28 september 2020 gronden ingediend.
Verweerder heeft daarop een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 maart 2021. Eiser is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
Overwegingen
1. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen.1.
2. Voor de relevante feiten en omstandigheden verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraak.
3. In haar tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, eiser in zijn beroepen ontvangen omdat van misbruik van recht van de zijde van eiser, onder andere door de ontvangst van de beslissingen op bezwaar te ontkennen en om de redenen als door verweerder betoogd, geen sprake is. Van belang daarbij is dat het er volgens de rechtbank voor moet worden gehouden dat verweerder de beslissingen op bezwaar van 12 december 2019 (SGR 20/888), 30 december 2019 (SGR 20/1233) en 2 januari 2020 (SGR 20/1243) niet tijdig bekend heeft gemaakt, omdat niet is gebleken dat de besluiten feitelijk zijn verzonden op de datum die vermeld staat in de besluiten. Omdat evenwel vaststaat dat reële besluiten op bezwaar zijn genomen door verweerder, welke besluiten in het kader van deze beroepsprocedure in het geding zijn gebracht en waarvan eiser alsnog kennis heeft genomen, heeft eiser gekregen wat hij met zijn beroepen tegen het niet tijdig beslissen beoogde en is sprake van een situatie analoog aan het bepaalde in artikel 6:20 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De beroepen zijn als gevolg daarvan mede gericht tegen de reële besluiten op bezwaar van 12 december 2019, 30 december 2019 en 2 januari 2020, nu deze niet geheel aan eiser tegemoetkomen omdat de aanvragen om bijzondere bijstand van eiser daarbij niet zijn ingewilligd. Eiser heeft in de van rechtswege ontstane beroepszaken tegen de reële besluiten op bezwaar nog geen gronden ingediend. De rechtbank heeft eiser bij de tussenuitspraak in de gelegenheid gesteld om dit alsnog te doen.
De beroepen tegen het niet tijdig beslissen
4. De rechtbank herhaalt dat vaststaat dat verweerder reële besluiten op eisers bezwaren heeft genomen. Dit betekent dat eiser met zijn beroep tegen het niet tijdig beslissen heeft gekregen wat hij beoogde. Dit heeft tot gevolg dat eiser niet langer een procesbelang heeft bij zijn beroep tegen het niet tijdig beslissen. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen is in zoverre niet-ontvankelijk.
5. Een procesbelang kan in deze zaken niet gelegen zijn in het vaststellen van dwangsommen door de rechtbank. De rechtbank is immers niet bevoegd om daarover te beslissen. Uit artikel 8:55c van de Awb volgt namelijk dat enkel in die gevallen dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen gegrond wordt verklaard, de rechtbank de bevoegdheid heeft om de verschuldigdheid en hoogte van een dwangsom vast te stellen. In al deze zaken zijn de beroepen tegen het niet tijdig beslissen naar oordeel van de rechtbank niet gegrond, maar niet-ontvankelijk. Daarom kan eiser van de rechtbank geen oordeel verkrijgen over de vraag of verweerder als gevolg van het niet tijdig beslissen een dwangsom heeft verbeurd.2.
Misbruik van recht
6. De rechtbank onderschrijft het oordeel in haar tussenuitspraak dat op grond van de daarin genoemde omstandigheden misbruik van recht van de zijde van eiser niet kan worden aangenomen. Ter zitting heeft verweerder opnieuw betoogd dat eiser misbruik van recht maakt. Verweerder heeft daarbij een beroep gedaan op de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 3 november 2020. De rechtbank overweegt in dit verband als volgt.
6.1.
De meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag heeft bij uitspraak van 3 november 20203.onder meer geoordeeld dat op grond van het bij vonnis in kort geding van 7 februari 20194.door de kort geding-rechter aan eiser opgelegde twee jaar durende contactverbod, zoals dat bij arrest in kort geding van 25 februari 20205.door het gerechtshof is bekrachtigd en bij vonnis in kort geding van 31 augustus 20206.door de kort geding-rechter is versterkt met een dwangsombepaling, en door de stelselmatige, voortdurende overtreding daarvan door eiser, moet worden aangenomen dat ook bij het instellen van bestuursrechtelijke beroepsprocedures die zijn gevolgd op door eiser in de verbodsperiode gedane aanvragen, in alle gevallen misbruik van recht moet worden aangenomen, zodat die procedures alleen al daarom niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. Dit zou slechts anders kunnen zijn indien (1) eiser met bewijsstukken aantoont dat in de betreffende maand slechts twee aanvragen door hem zijn gedaan, en indien (2) uit de beroepsgronden aanstonds zou blijken dat het bij deze beroepen gaat om een reëel geschilpunt in de rechtsverhouding tussen eiser en verweerder.
6.2.
De rechtbank stelt vast dat de onderhavige beroepen zijn gevolgd op de door eiser in de verbodsperiode gedane aanvragen. Niet is gebleken dat eiser voldoet aan de onder 6.1 vermelde beide voorwaarden. Zoals de kort geding-rechter heeft overwogen in het kort gedingvonnis van 31 augustus 2020 (rechtsoverweging 4.2) mag van eiser worden verwacht dat hij aantoont hoe vaak hij zijns inziens na betekening van het kort gedingvonnis van 7 februari 2019 contact heeft gezocht met verweerder. Eiser heeft hier geen enkel inzicht in geboden. De rechtbank houdt het er dan ook voor dat alle aanvragen en de ingebrekestelling in de onderhavige beroepen buiten de toegestane twee contacten per maand vallen. In lijn met hetgeen de rechtbank in haar uitspraak van 3 november 2020 in rechtsoverweging 7.1 tot en met 7.8 heeft overwogen, is de rechtbank daarom van oordeel dat in de onderhavige beroepen sprake is van misbruik van recht. De beroepen zullen daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
7. De rechtbank is zich er terdege van bewust dat zij hiermee terugkomt op haar tussenuitspraak voor zover daarbij is geoordeeld dat eiser op basis van de in deze tussenuitspraak genoemde reden in zijn beroepen wordt ontvangen. De rechtbank is evenwel van oordeel dat, in het licht van de uitspraak van 3 november 2020 sprake is van een zeer uitzonderlijk geval, zoals bedoeld onder 1. Daartoe is van belang dat de vraag of, om andere redenen, sprake is van misbruik van recht (alsnog) ziet op de vraag of een belanghebbende in zijn beroep kan worden ontvangen en de rechtbank deze vraag in elke fase van het geding ambtshalve dient te beoordelen.7.De rechtbank ziet, gelet op de in de uitspraak van 3 november 2020 geformuleerde criteria, geen ruimte om in deze beroepen tot een ander oordeel te komen. De rechtbank wenst in dit verband te benadrukken dat, omdat aan het oordeel in deze uitspraak een andere motivering ten grondslag ligt dan in de tussenuitspraak gegeven motivering, zij niet terugkomt op de overwegingen die de rechtbank in haar tussenuitspraak ten grondslag heeft gelegd aan het daarin gegeven oordeel dat eiser in zijn beroepen wordt ontvangen.
8. De beroepen zijn niet-ontvankelijk. Hieruit volgt dat de beroepsgronden niet worden beoordeeld.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart de beroepen tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk;
- verklaart de beroepen tegen de besluiten op bezwaar niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. O.M. Harms, rechter, in aanwezigheid van mr. D.W.A. van Weert, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 12 april 2021.
griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak en de tussenuitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 12‑04‑2021
Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 24 juli 2018, ECLI:NL:CRVB: 2018:2246.
Zie de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 3 november 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:10979.
Zaaknummer C/09/560634 / KG ZA 18-1001.
Zie de uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 25 februari 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:287.
Zie de uitspraak de rechtbank Den Haag van 31 augustus 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:8457.
De rechtbank vindt hiervoor steun in de uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 19 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4185, van 31 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:291 en van 16 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3834.
Uitspraak 01‑09‑2020
Inhoudsindicatie
Eiser heeft drie beroepen ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaarschriften tegen besluiten waarin zijn aanvragen om bijzondere bijstand voor reiskosten dan wel de kosten van het griffierecht zijn afgewezen. Verweerder heeft inmiddels alsnog besloten op de bezwaarschriften. Nu eiser nog geen gronden heeft ingediend tegen deze beslissingen op bezwaar ziet de rechtbank aanleiding om het onderzoek te heropenen en eiser in de gelegenheid te stellen om binnen vier weken alsnog beroepsgronden in te dienen. Verweerder krijgt daarna vier weken om hierop te reageren.
Partij(en)
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: SGR 20/888, SGR 20/1233 en SGR 20/1243
tussenuitspraak van de meervoudige kamer van 1 september 2020 in de zaken tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
en
het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst (ISD) Bollenstreek, verweerder
(gemachtigde: mr. D.F. Rosenbaum).
Procesverloop
Op 18 januari 2020 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaarschrift tegen het besluit van 5 september 2019 waarin zijn aanvraag om bijzondere bijstand voor de reiskosten in verband met het bijwonen van een zitting van de wrakingskamer van de rechtbank Den Haag is afgewezen (SGR 20/888).
Op 11 februari 2020 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaarschrift tegen het besluit van 20 september 2019 waarin zijn aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van het griffierecht voor de procedure met zaaknummer SGR 19/4991 is afgewezen (SGR 20/1233).
Op 11 februari 2020 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaarschrift tegen het besluit van 27 september 2019 waarin zijn aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van het griffierecht voor een dagvaardingsprocedure bij het Gerechtshof Den Haag is afgewezen (SGR 20/1243).
Verweerder heeft verweerschriften ingediend.
In de zaak met zaaknummer SGR 20/888, alsmede in de zaken met de zaaknummers SGR 18/6383, 18/7835, 18/8370, 18/8386, 19/1014, 19/1538, 19/2155, 19/2162, 19/2163 19/2169, 19/2772, 19/3941, 19/4738, 19/4741, 19/4743, 19/4811, 19/4991, 19/5340, 19/5525, 19/5832, 19/5833, 19/5834, 19/6088, 19/6089, 19/6090, 19/6288, 19/6292, 19/6441, 19/6443, 19/7248, 19/7115, 19/7122, 19/7417, 19/7787, 19/788, 19/7790, 19/7965, 19/7996, 20/311, 20/886, 20/887, 20/987, 20/989, 20/990, 20/991, 20/1007, 20/1008, 20/1009 en 20/1010, zijn eiser, de heer [A] , directeur van de ISD Bollenstreek, en de heer [B] , wethouder van de gemeente Hillegom, bij brieven van 20 februari 2020 opgeroepen om te verschijnen op de regiezitting van de meervoudige kamer van 13 maart 2020. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich tijdens deze regiezitting laten vertegenwoordigen door mr. V.L.T. van Roy. Voorts zijn namens verweerder [A] , [B] en de gemachtigde van verweerder, mr. D.F. Rosenbaum, verschenen. Ter zitting hebben beide partijen aangegeven bereid te zijn om middels mediation te proberen tot een oplossing van het conflict te komen. Hiertoe heeft de rechtbank het onderzoek in deze zaken geschorst in afwachting van de uitkomst van het mediationtraject. Op 30 maart 2020 heeft het mediationbureau van de rechtbank bericht dat het mediationtraject zonder onderlinge overeenstemming beëindigd is.
Het onderzoek ter zitting inzake SGR 20/888 is voortgezet en heeft plaatsgevonden op
6 juli 2020, op welke zitting tevens de zaken met nummers SGR 20/1233 en SGR 20/1243 zijn behandeld. Daarnaast is tijdens deze zitting van de meervoudige kamer tevens het beroep in de zaken met zaaknummers SGR 20/460, SGR 20/730, SGR 20/732, SGR 20/734, SGR 20/736, SGR 20/739, SGR 20/743, SGR 20/745, SGR 20/747, SGR 20/766, SGR 20/787, SGR 20/791, SGR 20/795, SGR 20/802, SGR 20/836, SGR 20/850, SGR 20/886, SGR 20/887, SGR 20/987, SGR 20/989, SGR 20/990, SGR 20/991, SGR 20/1007, SGR 20/1008, SGR 20/1009, SGR 20/1010, SGR 20/1179, SGR 20/1181, SGR 20/1182, SGR 20/1183, SGR 20/1236, SGR 20/1237, SGR 20/1239 en SGR 20/1256 behandeld.
Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst.
Overwegingen
Algemeen
Eiser en verweerder zijn in een ernstig conflict verwikkeld. Eiser is in februari 2014 met verweerder in contact gekomen bij een aanvraag om bijstand. Verweerder heeft eiser onder meer een BBZ-lening verstrekt. Nadat verschil van inzicht is ontstaan over die lening (bezwaar- en beroepszaken daarover lopen nog), is de situatie in de jaren daarna geleidelijk ontspoord. Eiser heeft inmiddels bij verweerder vele honderden aanvragen voor onder meer bijzondere bijstand gedaan en bezwaren ingediend. Verweerder heeft diverse civiele procedures tegen eiser gevoerd. Ook is op dit moment bij deze rechtbank sprake van (opgeteld) bijna tweehonderd beroepen en verzoeken om voorlopige voorzieningen van eiser. Verder zijn er civiele vonnissen van deze rechtbank en is er een arrest van het gerechtshof Den Haag, lopen er nog civiele procedures en heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State inmiddels diverse uitspraken gedaan, onder meer in Wob-zaken.
Verweerder verwijt eiser voortdurend misbruik van procesrecht, eiser vindt dat sprake is van stelselmatig onbehoorlijk bestuur.
Zoals ook opgenomen onder het kopje ‘Procesverloop’ heeft de rechtbank op 13 maart 2020, op een regiezitting van de meervoudige kamer, een ultieme poging gedaan om partijen naar mediation te verwijzen. Hoewel het tot een verwijzing is gekomen en er onder leiding van mediator prof. dr. D. Allewijn enkele mediationgesprekken hebben plaatsgevonden, is de mediation voortijdig geëindigd en hebben partijen geen oplossing voor hun conflict kunnen vinden.
Inhoudelijk
1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1
Op 7 augustus 2019 heeft eiser bijzondere bijstand aangevraagd voor de reiskosten in verband met het bijwonen van een zitting van de wrakingskamer van de rechtbank Den Haag. Bij besluit van 5 september 2019 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Op 4 oktober 2019 heeft eiser een bezwaarschrift ingediend. Bij brief van 3 december 2019 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld. Verweerder stelt dat hij op 12 december 2019 een besluit heeft genomen waarin het bezwaarschrift van eiser kennelijk niet-ontvankelijk is verklaard. Dit besluit stelt verweerder op 12 december 2019 naar eiser te hebben verzonden.
1.2
Op 8 augustus 2019 heeft eiser bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van het griffierecht in de beroepsprocedure met zaaknummer SGR 19/4991. Bij besluit van20 september 2019 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Op 1 november 2019 heeft eiser een bezwaarschrift ingediend. Bij brief van 17 december 2019 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld. Verweerder stelt dat hij op 30 december 2019 een besluit heeft genomen waarin het bezwaarschrift van eiser kennelijk niet-ontvankelijk is verklaard. Dit besluit stelt verweerder op 30 december 2019 naar eiser te hebben verzonden.
1.3
Op 22 augustus 2019 heeft eiser bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van het griffierecht voor een dagvaardingsprocedure met zaaknummer 200.263.802/01
bij het Gerechtshof Den Haag. Bij besluit van 27 september 2019 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Eiser heeft op 7 november 2019 een bezwaarschrift ingediend. Bij brief van 23 december 2019 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld. Verweerder stelt dat hij op 2 januari 2020 een besluit heeft genomen waarin het bezwaarschrift van eiser kennelijk niet-ontvankelijk is verklaard. Dit besluit stelt verweerder op 2 januari 2020 naar eiser te hebben verzonden.
2. Eiser betwist dat hij de beslissingen op bezwaar zoals vermeld in de rechtsoverwegingen 1.1 tot en met 1.3 heeft ontvangen.
3. Verweerder stelt zich – samengevat weergegeven – op het standpunt dat het ongeloofwaardig is dat eiser de besluiten niet heeft ontvangen. De afgelopen jaren is de insteek van eiser geweest om verweerder te dwarsbomen en het ambtelijk apparaat te ontwrichten, maar inmiddels lijkt eiser tot oogmerk te hebben om zoveel mogelijk ten onrechte dwangsommen te incasseren door de ontvangst van de tijdig genomen besluiten te ontkennen. In de procedure met zaaknummer SGR 20/888 stelt verweerder zich voorts op het standpunt dat de reiskosten van eiser voortvloeien uit misbruik van recht als gevolg waarvan ook dit beroep niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard wegens misbruik van recht. In de procedure met zaaknummer SGR 20/1243 heeft verweerder zich op het standpunt dat eiser misbruik maakt van het rechtssysteem door lichtzinnig en zonder redelijk doel te procederen.
4. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.
5. Bij brieven van 24 maart 2020 en 7 april 2020 heeft eiser een beroep op betalingsonmacht gedaan. De rechtbank heeft eiser bij brief van 23 juni 2020 voorlopig vrijgesteld van het betalen van griffierecht. Ter zitting op 6 juli 2020 is eiser medegedeeld dat hij in onderhavige zaken definitief is vrijgesteld van het betalen van griffierecht.
6. Verweerder stelt zich in het beroep met zaaknummer SGR 20/888 op het standpunt dat de door eiser gemaakte reiskosten voorvloeien uit misbruik van recht. De rechtbank volgt verweerder daarin niet. Dat de beroepen van eiser in de onderliggende procedures deels niet-ontvankelijk zijn verklaard wegens misbruik van recht, brengt naar het oordeel van de rechtbank niet met zich dat het indienen van het wrakingsverzoek en het bijwonen van de zitting van de wrakingskamer ook als misbruik van recht moeten worden aangemerkt. Dat het wrakingsverzoek uiteindelijk niet-ontvankelijk is verklaard, doet daar niet aan af. Voor zover verweerder zich in het beroep met zaaknummer SGR 20/1243 op het standpunt stelt dat eiser misbruik maakt van het rechtssysteem door lichtzinnig en zonder redelijk doel te procederen, overweegt de rechtbank het volgende. Dat de vorderingen van eiser in eerste instantie door de kantonrechter zijn afgewezen en eiser is veroordeeld in de proceskosten, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende voor het oordeel dat eiser in die procedure misbruik van recht maakt. Gelet op het vorenstaande zal eiser worden ontvangen in zijn beroepen. Voor zover verweerder in zijn algemeenheid heeft gesteld dat eiser misbruik maakt van recht door de ontvangst van de beslissingen op bezwaar te ontkennen, verwijst de rechtbank naar hetgeen wordt overwogen in rechtsoverweging 7.3.
7.1
Indien de geadresseerde stelt dat hij een niet aangetekend verzonden besluit niet heeft ontvangen, is het volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 11 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2265) in beginsel aan het bestuursorgaan om aannemelijk te maken dat het besluit wel op het adres van de geadresseerde is ontvangen. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt evenwel het vermoeden van ontvangst van het besluit op dat adres. Dit brengt mee dat het bestuursorgaan in eerste instantie kan volstaan met het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres. Daartoe is in ieder geval vereist dat het besluit is voorzien van de juiste adressering en een verzenddatum en dat sprake is van een deugdelijke verzendadministratie. Voorts dient niet gebleken te zijn van recente problemen bij de verzending van poststukken. Indien het bestuursorgaan de verzending van het besluit aannemelijk heeft gemaakt, ligt het vervolgens op de weg van de geadresseerde dit vermoeden te ontzenuwen. Hiertoe is niet vereist dat de geadresseerde aannemelijk maakt dat het besluit niet op zijn adres is ontvangen. Voldoende is dat op grond van hetgeen hij aanvoert de ontvangst redelijkerwijs kan worden betwijfeld. Slaagt de betrokkene daarin, dan zal de ontvangst van het besluit slechts aannemelijk geoordeeld kunnen worden indien het bestuursorgaan daarvoor nader bewijs levert. Tegen de achtergrond van dit beoordelingskader overweegt de rechtbank het volgende.
7.2
Verweerder heeft tijdens de zitting op 6 juli 2020 de wijze van verzending als volgt toegelicht. In het gebouw van verweerder staat op elke afdeling een postvak waar de medewerkers van verweerder de te verzenden post in leggen. Nadat de medewerker het poststuk in het postvak heeft gelegd, wordt het werkproces afgesloten dat bij de beschikking hoort en wordt de datum in het systeem geregistreerd. De medewerker zet op een kopie van de beschikking een datumstempel bij het kopje “verzonden”. Eens per dag haalt de conciërge de post op in heel het gebouw. De post van de afdeling Juridische Zaken wordt apart gehouden van de post van de overige afdelingen, omdat de post van Juridische Zaken door PostNL wordt verstuurd en de post van de overige afdelingen door de MareGroep. De post die door de MareGroep wordt bezorgd gaat in een kistje. Van de post die via PostNL wordt bezorgd, wordt een pakketje gemaakt dat op het kistje wordt gelegd. Om vier uur ’s middags (in ‘coronatijd’ om twee uur ’s middags) wordt de post bij verweerder opgehaald door de MareGroep. De post van Juridische Zaken wordt door de MareGroep naar het sorteercentrum van PostNL in Sassenheim gebracht en het kistje wordt vervolgens naar de MareGroep in Voorhout gebracht.
7.3
Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de beschreven wijze van verzenden niet dat de besluiten feitelijk zijn verzonden op de datum die vermeld staat in de besluiten. In dat verband acht de rechtbank het van belang dat uit deze werkwijze blijkt dat geen aantekening in het systeem of registratie wordt bijgehouden van de daadwerkelijk uitgaande post door overdracht aan de MareGroep en dat bovendien geen registratie wordt bijgehouden van de overdracht van de post aan PostNL. Daardoor is geen sprake van een deugdelijke verzendadministratie. Dat het juiste adres is vermeld en verweerder in de regel nooit problemen ervaart met de postverwerking is onvoldoende om de feitelijke verzending van de besluiten aannemelijk te achten. Het betoog van verweerder dat eiser misbruik van recht maakt, dan wel te kwader trouw handelt door in strijd met de waarheid te stellen dat verweerder geen besluiten heeft genomen slaagt niet, nu bij gebrek aan een deugdelijke verzendadministratie niet is vast te stellen of de besluiten feitelijk zijn verzonden. De rechtbank ziet voorts geen aanleiding om in te gaan op het bewijsaanbod van verweerder om directeur mr. [A] en consulent H.G. van Duijn te laten getuigen over de verzending van de besluiten. Gemachtigde van verweerder heeft ter zitting op 6 juli 2020 de wijze van verzending toegelicht en de rechtbank ziet niet in hoe een verklaring van de directeur of de consulent daar iets aan toe zou kunnen voegen.
7.4
Uit het vorenstaande vloeit voort dat de rechtbank het ervoor moet houden dat verweerder de beslissingen op bezwaar niet tijdig bekend heeft gemaakt.
8. Nu vaststaat dat reële besluiten op bezwaar zijn genomen door verweerder, welke besluiten in het kader van deze procedure in het geding zijn gebracht en waarvan eiser kennis heeft genomen, heeft eiser gekregen wat hij met zijn beroepen tegen het niet tijdig beslissen beoogde en is sprake van een situatie analoog aan het bepaalde in artikel 6:20 van de Awb. De beroepen zijn als gevolg daarvan mede gericht tegen de reële besluiten op bezwaar van 12 december 2019, 30 december 2019 en 2 januari 2020, nu deze niet geheel aan eiser tegemoetkomen omdat de aanvragen van eiser daarbij niet zijn ingewilligd.
9. Eiser heeft in de van rechtswege ontstane beroepszaken tegen de reële besluiten op bezwaar nog geen gronden ingediend. De rechtbank zal eiser in de gelegenheid stellen dit alsnog te doen. Gelet daarop zal de rechtbank het onderzoek heropenen, bepalen dat eiser vier weken de gelegenheid krijgt om beroepsgronden in te dienen tegen de reële besluiten op bezwaar, en bepalen dat verweerder daarna vier weken de gelegenheid krijgt om te reageren. Daarna zal de rechtbank handelen zoals haar geraden voorkomt.
10. De rechtbank zal de overige geschilpunten thans nog niet bespreken. De rechtbank zal iedere verdere beslissing aanhouden.
Beslissing
De rechtbank:
- -
heropent het onderzoek;
- -
stelt eiser in de gelegenheid om binnen vier weken na verzending van deze tussenuitspraak beroepsgronden in te dienen tegen de beslissingen op bezwaar van
12 december 2019, 30 december 2019 en 2 januari 2020;
- -
bepaalt dat verweerder, nadat de beroepsgronden van eiser zijn ontvangen, vier weken de gelegenheid krijgt om verweerschriften in te dienen;
- -
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Verloop, voorzitter, en mr. D.R. van der Meer en mr. D. Biever, leden, in aanwezigheid van mr. R.A.E. Bach en mr. J.P. Brand, griffiers. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 september 2020 en bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de oudste rechter.
griffier oudste rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met het hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak.