Lokale democratische innovatie
Einde inhoudsopgave
Lokale democratische innovatie (R&P nr. DR2) 2021/2.1:2.1 Inleiding
Lokale democratische innovatie (R&P nr. DR2) 2021/2.1
2.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. drs. J. Westerweel , datum 01-03-2020
- Datum
01-03-2020
- Auteur
mr. drs. J. Westerweel
- JCDI
JCDI:ADS248510:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Staatsrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Dit onderzoek moet antwoord geven op de vraag in hoeverre lokale democratische initiatieven de geïnstitutionaliseerde gemeentelijke democratie in juridische zin kunnen aanvullen. Dat roept uiteraard een vervolgvraag op, namelijk: wanneer is er dan sprake van een aanvulling? Dit onderzoek gaat ervan uit dat van een aanvulling sprake is wanneer een initiatief dat alternatieve vormen van democratie en democratische besluitvormingsprocedures nastreeft, gerealiseerd kan worden zonder dat daarmee afbreuk wordt gedaan aan beginselen die ten grondslag liggen aan de gemeentelijke democratie. Dat is, voor alle duidelijkheid, niet hetzelfde als de vraag of een initiatief volgens het huidige recht al dan niet gerealiseerd kan worden. Die vraag wordt ten aanzien van de verschillende casussen beantwoord in de aan hen gewijde inhoudelijke hoofdstukken. In dit hoofdstuk wordt uiteengezet hoe gekomen is tot het beoordelingskader om een initiatief al dan niet aanvullend te verklaren op de geïnstitutionaliseerde gemeentelijke democratie. Daarvoor wordt allereerst in paragraaf 2.2 beschreven op welke wijzen het concept democratie benaderd kan worden. Voor het doel van dit onderzoek moet het type democratie van initiatieven en dat van de geïnstitutionaliseerde democratie met elkaar kunnen worden vergeleken. Niet elke benadering leent zich daar evengoed voor. In paragraaf 2.3 wordt de benadering besproken die het meest geschikt is en die in dit onderzoek gehanteerd wordt, namelijk de modelbenadering. Deze modelbenadering komt voort uit sociaalwetenschappelijk onderzoek, waardoor er nog een vertaalslag naar de juridische discipline moet worden gemaakt om tot juridisch bruikbare bevindingen te kunnen komen. Dat gebeurt in paragraaf 2.4, waarin de historische ontwikkeling wordt beschreven van de in het wettelijk kader geïnstitutionaliseerde gemeentelijke democratie en een aantal van de belangrijkste institutionele kenmerken daarvan. De modelbenadering functioneert daarbij als lens om de blik te kunnen focussen op elementen uit het wettelijk kader die relevant zijn voor de beantwoording van de centrale vraag van dit onderzoek. Op basis van de bevindingen uit paragraaf 2.4 worden vervolgens in paragraaf 2.5 een drietal beginselen geformuleerd die te herkennen zijn in het wettelijk kader en die uitdrukking geven aan het democratiemodel dat daarin geïnstitutionaliseerd is. Zoals in de inleiding werd aangestipt, betreffen dit geen materiële juridische beginselen zoals het gelijkheidsbeginsel, maar beginselen die vormgeven aan de organisatorische structuur van de lokale democratie. Het democratiemodel dat tot uitdrukking komt in de opzetten van de verschillende onderzochte casussen wordt behandeld in de aan hen gewijde afzonderlijke hoofdstukken.