Einde inhoudsopgave
Richtlijn (EU) 2024/1760 inzake passende zorgvuldigheid in het bedrijfsleven op het gebied van duurzaamheid en tot wijziging van richtlijn (EU) 2019/1937 en verordening (EU) 2023/2859
Bijlage
Geldend
Geldend vanaf 25-07-2024
- Bronpublicatie:
13-06-2024, PbEU L 2024, 2024/1760 (uitgifte: 05-07-2024, regelingnummer: 2024/1760)
- Inwerkingtreding
25-07-2024
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
13-06-2024, PbEU L 2024, 2024/1760 (uitgifte: 05-07-2024, regelingnummer: 2024/1760)
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Economische ordening
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deel I
1. Rechten en verbodsbepalingen in internationale mensenrechteninstrumenten
- 1.
Het recht op leven, uitgelegd overeenkomstig artikel 6, lid 1, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. Schending van dat recht heeft onder meer, maar niet uitsluitend, betrekking op particuliere of openbare veiligheidsagenten die de middelen, de faciliteiten of het personeel van de onderneming beschermen en door een gebrek aan instructies of toezicht door de onderneming de dood van een persoon veroorzaken.
- 2.
Het verbod op foltering, wrede, onmenselijke of onterende behandeling, uitgelegd overeenkomstig artikel 7 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. Dit heeft onder meer, maar niet uitsluitend, betrekking op particuliere of openbare veiligheidsagenten die de middelen, de faciliteiten of het personeel van de onderneming beschermen en door een gebrek aan instructies of toezicht door de onderneming een persoon aan foltering of wrede, onmenselijke of onterende behandeling onderwerpen.
- 3.
Het recht op vrijheid en veiligheid, uitgelegd overeenkomstig artikel 9, lid 1, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten.
- 4.
Het verbod op willekeurige of onwettige inmenging in het privéleven, het gezinsleven, het huis of de briefwisseling van personen en onwettige aantasting van hun eer of goede naam, uitgelegd overeenkomstig artikel 17 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten.
- 5.
Het verbod op inmenging in de vrijheid van denken, geweten en godsdienst, uitgelegd overeenkomstig artikel 18 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten.
- 6.
Het recht op billijke en gunstige arbeidsvoorwaarden, met inbegrip van een billijk loon en een toereikend leefbaar loon voor werknemers en een toereikend leefbaar inkomen voor zelfstandigen en kleine landbouwbedrijven, dat zij verdienen in ruil voor hun werk en productie, een behoorlijk levenspeil, veilige en gezonde arbeidsomstandigheden en een redelijke duur van de werktijd, uitgelegd overeenkomstig de artikelen 7 en 11 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten.
- 7.
Het verbod om werknemers toegang te ontzeggen tot toereikende huisvesting, indien de werknemers gehuisvest zijn in accommodatie die door de onderneming wordt verstrekt, en om werknemers toegang te ontzeggen tot toereikende voeding, kleding, water en sanitaire voorzieningen op de werkplek, uitgelegd overeenkomstig artikel 11 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten.
- 8.
Het recht van het kind op de grootst mogelijke mate van gezondheid, uitgelegd overeenkomstig artikel 24 van het Verdrag inzake de rechten van het kind, het recht op onderwijs, uitgelegd overeenkomstig artikel 28 van het Verdrag inzake de rechten van het kind, het recht op een toereikende levensstandaard, uitgelegd overeenkomstig artikel 27 van het Verdrag inzake de rechten van het kind, het recht van het kind om te worden beschermd tegen economische exploitatie en tegen het verrichten van werk dat naar alle waarschijnlijkheid gevaarlijk is of de opvoeding van het kind zal hinderen, of schadelijk zal zijn voor de gezondheid of de lichamelijke, geestelijke, intellectuele, zedelijke of maatschappelijke ontwikkeling van het kind, uitgelegd overeenkomstig artikel 32 van het Verdrag inzake de rechten van het kind, het recht van het kind om te worden beschermd tegen alle vormen van seksuele exploitatie en seksueel misbruik en te worden beschermd tegen ontvoering, verkoop of illegale overbrenging naar een andere plaats binnen of buiten het land van het kind met het oog op uitbuiting, uitgelegd overeenkomstig de artikelen 34 en 35 van het Verdrag inzake de rechten van het kind.
- 9.
Het verbod op de tewerkstelling van een kind onder de leeftijd waarop de leerplicht eindigt en in elk geval niet onder 15 jaar, behalve wanneer de wet van de plaats van tewerkstelling hierin voorziet, overeenkomstig artikel 2, lid 4, van het Verdrag betreffende de minimumleeftijd van de Internationale Arbeidsorganisatie, 1973 (nr. 138), uitgelegd overeenkomstig de artikelen 4 tot en met 8 van het Verdrag betreffende de minimumleeftijd van de Internationale Arbeidsorganisatie, 1973 (nr. 138).
- 10.
Het verbod op de ergste vormen van kinderarbeid (personen jonger dan 18 jaar), uitgelegd overeenkomstig artikel 3 van het Verdrag betreffende de ergste vormen van kinderarbeid van de Internationale Arbeidsorganisatie, 1999 (nr. 182). Dit omvat:
- a)
alle vormen van slavernij of praktijken gelijkende op slavernij, zoals de verkoop van en de handel in kinderen, schuldhorigheid en lijfeigenschap, en gedwongen of verplichte arbeid, met inbegrip van gedwongen of verplichte rekrutering van kinderen voor inzet in gewapende conflicten;
- b)
het gebruik, de aankoop of het aanbieden van een kind voor prostitutie, voor de productie van pornografie of voor pornografische voorstellingen;
- c)
het gebruik, de aankoop of het aanbieden van een kind voor illegale activiteiten, in het bijzonder voor de productie van of de handel in drugs, en
- d)
werkzaamheden die door de aard of de omstandigheden waarin zij worden verricht waarschijnlijk schadelijk zijn voor de gezondheid, de veiligheid of het morele welzijn van kinderen.
- 11.
Het verbod op gedwongen of verplichte arbeid, dat wil zeggen alle arbeid of diensten die van een persoon worden gevorderd onder de dreiging van een of andere straf en waarvoor de betrokkene zich niet vrijwillig heeft aangeboden, bijvoorbeeld als gevolg van schuldhorigheid of mensenhandel, uitgelegd overeenkomstig artikel 2, lid 1, van het Verdrag betreffende de gedwongen arbeid van de Internationale Arbeidsorganisatie, 1930 (nr. 29). Onder gedwongen of verplichte arbeid wordt niet verstaan arbeid of diensten die voldoen aan artikel 2, lid 2, van het Verdrag betreffende de gedwongen arbeid van de Internationale Arbeidsorganisatie, 1930 (nr. 29) of aan artikel 8, lid 3, punten b) en c), van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten.
- 12.
Het verbod op alle vormen van slavernij en slavenhandel, met inbegrip van praktijken die verwant zijn aan slavernij, lijfeigenschap of andere vormen van dominantie of onderdrukking op de werkplek, zoals extreme economische of seksuele uitbuiting en vernedering, of mensenhandel, uitgelegd overeenkomstig artikel 8 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten.
- 13.
Het recht op vrijheid van vereniging, vergadering, het recht om zich te organiseren en collectief te onderhandelen, uitgelegd overeenkomstig de artikelen 21 en 22 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, artikel 8 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, het Verdrag betreffende de vrijheid tot het oprichten van vakverenigingen en de bescherming van het vakverenigingsrecht van de Internationale Arbeidsorganisatie, 1948 (nr. 87) en het Verdrag betreffende de toepassing van de beginselen van het recht zich te organiseren en collectief te onderhandelen van de Internationale Arbeidsorganisatie, 1949 (nr. 98). Deze rechten omvatten het volgende:
- a)
werknemers hebben de vrijheid om een vakvereniging op te richten of zich bij een vakvereniging aan te sluiten;
- b)
de oprichting van, de aansluiting bij en het lidmaatschap van een vakvereniging mogen niet worden gebruikt als reden voor ongerechtvaardigde discriminatie of represailles;
- c)
vakverenigingen hebben de vrijheid te handelen overeenkomstig hun statuten en regels zonder inmenging van de autoriteiten, en
- d)
het recht op staken en het recht op collectieve onderhandelingen.
- 14.
Het verbod op ongelijke behandeling in arbeid, tenzij dit is gerechtvaardigd door de vereisten van de arbeid, uitgelegd overeenkomstig de artikelen 2 en 3 van het Verdrag betreffende gelijke beloning van de Internationale Arbeidsorganisatie, 1951 (nr. 100), de artikelen 1 en 2 van het Verdrag betreffende discriminatie (arbeid en beroep) van de Internationale Arbeidsorganisatie, 1958 (nr. 111) en artikel 7 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten. Dit omvat met name:
- a)
de betaling van ongelijk loon voor gelijkwaardig werk, en
- b)
discriminatie op grond van nationale herkomst of sociale afkomst, ras, huidskleur, geslacht, godsdienst of politieke overtuiging.
- 15.
Het verbod om meetbare milieuschade te veroorzaken, zoals schadelijke bodemverandering, water- of luchtverontreiniging, schadelijke emissies, buitensporig waterverbruik, landaantasting of andere effecten op natuurlijke hulpbronnen, zoals ontbossing, die:
- a)
aanzienlijk afbreuk doen aan de natuurlijke bases voor het behoud en de productie van voedsel;
- b)
personen toegang tot veilig en zuiver drinkwater ontzeggen;
- c)
het voor personen moeilijk maken toegang te krijgen tot sanitaire voorzieningen of deze vernietigen;
- d)
schadelijk zijn voor de gezondheid, de veiligheid, het normale gebruik van grond of de rechtmatig verkregen bezittingen van een persoon;
- e)
aanzienlijke negatieve effecten hebben op ecosysteemdiensten waarmee een ecosysteem direct of indirect bijdraagt tot het welzijn van de mens;
uitgelegd overeenkomstig artikel 6, lid 1, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en de artikelen 11 en 12 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten.
- 16.
Het recht van personen, groepen en gemeenschappen op grond en hulpbronnen en om niet te worden beroofd van bestaansmiddelen, hetgeen het verbod inhoudt om land, bossen en wateren onwettig te ontruimen of in te nemen bij aankoop, ontwikkeling of het anderszins gebruiken van land, bossen en wateren, ook door ontbossing, waarvan het gebruik het levensonderhoud van een persoon verzekert, uitgelegd overeenkomstig de artikelen 1 en 27 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en de artikelen 1, 2 en 11 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten.
2. Instrumenten inzake mensenrechten en fundamentele vrijheden
- —
het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten;
- —
het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten;
- —
het Verdrag inzake de rechten van het kind;
- —
de kern-/fundamentele verdragen van de Internationale Arbeidsorganisatie:
- —
het Verdrag betreffende de vrijheid tot het oprichten van vakverenigingen en de bescherming van het vakverenigingsrecht, 1948 (nr. 87);
- —
het Verdrag betreffende het recht zich te organiseren en collectief te onderhandelen, 1949 (nr. 98);
- —
het Verdrag betreffende de gedwongen arbeid, 1930 (nr. 29) en het Protocol daarbij van 2014;
- —
het Verdrag betreffende de afschaffing van gedwongen arbeid, 1957 (nr. 105);
- —
het Verdrag betreffende de minimumleeftijd, 1973 (nr. 138);
- —
het Verdrag betreffende de ergste vormen van kinderarbeid, 1999 (nr. 182);
- —
het Verdrag betreffende gelijke beloning, 1951 (nr. 100);
- —
het Verdrag betreffende discriminatie (arbeid en beroep), 1958 (nr. 111).
Deel II. Verbodsbepalingen en verplichtingen in milieu-instrumenten
- 1.
De verplichting om negatieve effecten voor de biologische diversiteit te voorkomen of tot een minimum te beperken, uitgelegd overeenkomstig artikel 10, punt b), van het Verdrag inzake biologische diversiteit van 1992 en het toepasselijke recht in de bevoegde jurisdictie, met inbegrip van de verplichtingen van het Protocol van Cartagena over de ontwikkeling, de behandeling, het vervoer, het gebruik, de overdracht en de introductie van veranderde levende organismen en van het Protocol van Nagoya inzake toegang tot genetische hulpbronnen en de eerlijke en billijke verdeling van de baten die voortvloeien uit het gebruik ervan bij het Verdrag inzake biodiversiteit van 12 oktober 2014.
- 2.
Het verbod op de invoer, uitvoer, wederuitvoer of aanvoer vanuit de zee van soorten die zijn opgenomen in de aanhangsels I tot en met III bij de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten (Cites) van 3 maart 1973 zonder vergunning, uitgelegd overeenkomstig de artikelen III, IV en V van de overeenkomst.
- 3.
Het verbod op de vervaardiging, invoer en uitvoer van kwikhoudende producten die zijn opgenomen in bijlage A, deel I, bij het Verdrag van Minamata inzake kwik van 10 oktober 2013 (Verdrag van Minamata), uitgelegd overeenkomstig artikel 4, lid 1, van het verdrag.
- 4.
Het verbod op het gebruik van kwik of kwikverbindingen in de in bijlage B, deel I, bij het Verdrag van Minamata opgenomen productieprocessen na de in het verdrag voor de afzonderlijke processen gespecificeerde uitfaseringsdatum, uitgelegd overeenkomstig artikel 5, lid 2, van het verdrag.
- 5.
Het verbod op de onwettige verwerking van kwikafval, uitgelegd overeenkomstig artikel 11, lid 3, van het Verdrag van Minamata en artikel 13 van Verordening (EU) 2017/852 van het Europees Parlement en de Raad. (1)
- 6.
Het verbod op de productie en het gebruik van chemische stoffen die zijn opgenomen in bijlage A bij het Verdrag van Stockholm inzake persistente organische verontreinigende stoffen (POP-verdrag) van 22 mei 2001, uitgelegd overeenkomstig artikel 3, lid 1, punt a), i), van het verdrag en Verordening (EU) 2019/1021 van het Europees Parlement en de Raad (2).
- 7.
Het verbod op het onwettig behandelen, inzamelen, opslaan en verwijderen van afval, uitgelegd overeenkomstig artikel 6, lid 1, punt d), i) en ii), van het POP-verdrag en artikel 7 van Verordening (EU) 2019/1021.
- 8.
Het verbod op de invoer of uitvoer van een chemische stof die is opgenomen in bijlage III bij het Verdrag van Rotterdam inzake de procedure met betrekking tot voorafgaande geïnformeerde toestemming ten aanzien van bepaalde gevaarlijke chemische stoffen en pesticiden in de internationale handel (UNEP/FAO) van 10 september 1998, uitgelegd overeenkomstig artikel 10, lid 1, artikel 11, lid 1, punt b), en artikel 11, lid 2, van het verdrag, en de indicatie door de invoerende of uitvoerende partij bij het verdrag overeenkomstig de procedure met betrekking tot voorafgaande geïnformeerde toestemming (Prior Informed Consent — PIC).
- 9.
Het verbod op de onwettige productie, consumptie, invoer en uitvoer van gereguleerde stoffen die zijn opgenomen in de bijlagen A, B, C en E bij het Protocol van Montreal betreffende stoffen die de ozonlaag afbreken bij het Verdrag van Wenen ter bescherming van de ozonlaag, uitgelegd overeenkomstig artikel 4B van het Protocol van Montreal en de vergunningsbepalingen van het toepasselijke recht in de bevoegde jurisdictie.
- 10.
Het verbod op de uitvoer van gevaarlijke of andere afvalstoffen, uitgelegd overeenkomstig artikel 1, leden 1 en 2, van het Verdrag van Bazel inzake de beheersing van de grensoverschrijdende overbrenging van gevaarlijke afvalstoffen en de verwijdering ervan (Verdrag van Bazel) van 22 maart 1989 en Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad (3):
- a)
naar een partij bij het verdrag die de invoer van deze gevaarlijke en andere afvalstoffen heeft verboden, uitgelegd overeenkomstig artikel 4, lid 1, punt b), van het Verdrag van Bazel;
- b)
naar een invoerende staat die geen schriftelijke toestemming geeft voor de specifieke invoer, indien die invoerende staat de invoer van dergelijke gevaarlijke afvalstoffen niet heeft verboden, uitgelegd overeenkomstig artikel 4, lid 1, punt c), van het Verdrag van Bazel;
- c)
naar een partij die het Verdrag van Bazel niet heeft ondertekend, uitgelegd overeenkomstig artikel 4, lid 5, van het Verdrag van Bazel;
- d)
naar een invoerende staat indien die gevaarlijke afvalstoffen of andere afvalstoffen niet op een milieuverantwoorde wijze in die staat of elders worden beheerd, uitgelegd overeenkomstig de eerste zin van artikel 4, lid 8, van het Verdrag van Bazel.
- 11.
Het verbod op de uitvoer van gevaarlijke afvalstoffen uit landen die zijn opgenomen in bijlage VII bij het Verdrag van Bazel naar landen die niet zijn opgenomen in bijlage VII voor handelingen die zijn opgenomen in bijlage IV bij het Verdrag van Bazel, uitgelegd overeenkomstig artikel 4A van het Verdrag van Bazel en de artikelen 34 en 36 van Verordening (EG) nr. 1013/2006.
- 12.
Het verbod op de invoer van gevaarlijke afvalstoffen en andere afvalstoffen vanuit een staat die geen partij is bij het Verdrag van Bazel en dit verdrag niet heeft geratificeerd, uitgelegd overeenkomstig artikel 4, lid 5, van het Verdrag van Bazel.
- 13.
De verplichting om negatieve effecten op de als natuurlijk erfgoed omschreven goederen zoals gedefinieerd in artikel 2 van de Overeenkomst inzake de bescherming van het cultureel en natuurlijk erfgoed van de wereld (de Werelderfgoedovereenkomst) van 16 november 1972 te voorkomen of tot een minimum te beperken, uitgelegd overeenkomstig artikel 5, punt d), van de Werelderfgoedovereenkomst en het toepasselijke recht in de bevoegde jurisdictie.
- 14.
De verplichting om negatieve effecten op watergebieden zoals gedefinieerd in artikel 1 van de Overeenkomst inzake watergebieden van internationale betekenis, in het bijzonder als verblijfplaats voor watervogels (Overeenkomst van Ramsar) van 2 februari 1971 te voorkomen of tot een minimum te beperken, uitgelegd overeenkomstig artikel 4, lid 1, van de Overeenkomst van Ramsar en het toepasselijke recht in de bevoegde jurisdictie.
- 15.
De verplichting om verontreiniging door schepen te voorkomen, uitgelegd overeenkomstig het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen van 2 november 1973, zoals gewijzigd bij het Protocol van 1978 (Marpol 73/78). Dit omvat:
- a)
het verbod op lozing in zee van:
- i)
olie of oliehoudende mengsels zoals gedefinieerd in voorschrift 1 van bijlage I bij Marpol 73/78, uitgelegd overeenkomstig de voorschriften 9 tot en met 11 van bijlage I bij Marpol 73/78;
- ii)
schadelijke vloeistoffen zoals gedefinieerd in voorschrift 1, punt 6, van bijlage II bij Marpol 73/78, uitgelegd overeenkomstig de voorschriften 5 en 6 van bijlage II bij Marpol 73/78, en
- iii)
sanitair afval zoals gedefinieerd in voorschrift 1, punt 3, van bijlage IV bij Marpol 73/78, uitgelegd overeenkomstig de voorschriften 8 en 9 van bijlage IV bij Marpol 73/78;
- b)
het verbod op onwettige verontreiniging door schadelijke stoffen die over zee worden vervoerd in verpakte vorm zoals gedefinieerd in voorschrift 1 van bijlage III bij Marpol 73/78, uitgelegd overeenkomstig de voorschriften 1 tot en met 7 van bijlage III bij Marpol 73/78, en
- c)
het verbod op onwettige verontreiniging door vuilnis van schepen zoals gedefinieerd in voorschrift 1 van bijlage V bij Marpol 73/78, uitgelegd overeenkomstig de voorschriften 3 tot en met 6 van bijlage V bij Marpol 73/78.
- 16.
De verplichting om verontreiniging van het mariene milieu door storting te voorkomen, te verminderen en te bestrijden, uitgelegd overeenkomstig artikel 210 van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee (Unclos) van 10 december 1982 en het toepasselijke recht in de bevoegde jurisdictie.
Voetnoten
Verordening (EU) 2017/852 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2017 betreffende kwik, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1102/2008 (PB L 137 van 24.5.2017, blz. 1).
Verordening (EU) 2019/1021 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende persistente organische verontreinigende stoffen (PB L 169 van 25.6.2019, blz. 45).
Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (PB L 190 van 12.7.2006, blz. 1).