Einde inhoudsopgave
Uitkoop van minderheidsaandeelhouders (VDHI nr. 125) 2014/9.2.1.a
9.2.1.a De rechter stelt de uitkoopprijs vast
mr. T. Salemink, datum 01-07-2014
- Datum
01-07-2014
- Auteur
mr. T. Salemink
- JCDI
JCDI:ADS599994:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
De formulering van de algemene uitkoopregeling ex art. 2:92a/201a BW is naar mijn mening op dit punt niet helemaal zuiver. Deze bepaalt dat de OK de prijs vaststelt die de over te dragen aandelen op een door haar te bepalen dag hebben. Bedoeld is volgens mij echter dat de OK de prijs vaststelt op de waarde die de over te dragen aandelen hebben op een door haar te bepalen dag. Evenzo Joosten (1991). In die zin juist OK 20 december 2007 (ro. 3.3), JOR 2008/198 (Shell). De bijzondere uitkoopregeling ex art. 2:359c BW kent wel de juiste formulering.
Art. 4 onder 2 en art. 6 Uitkoop-KB en nr. 4 bijlage bij het Uitkoop-KB.
Art. 18 en 19 Wet op de openbare overnamebiedingen.
Art. 43 Overname-KB.
§ 327b(1) AktG.
§ 327c(2) AktG. De rechter benoemt deze deskundigen op verzoek van de meerderheidsaandeelhouder.
§ 327f AktG en § 4 SpruchG. De rechter stelt vervolgens op grond van § 6 SpruchG een algemene vertegenwoordiger (gemeinsamer Vertreter) voor alle minderheidsaandeelhouders aan en publiceert dat de procedure is aangespannen. De gemeinsamer Vertreter heeft tot taak de belangen van alle (niet verschenen) minderheidsaandeelhouders te vertegenwoordigen. De uitspraak van de rechter heeft aldus § 13 SpruchG ook effect voor alle uitgekochte aandeelhouders die niet in de procedure zijn verschenen.
§ 39a(3) WpÜG.
Stohlmeier (2007), p. 148-149; Van der Elst/Van den Steen (2009), p. 431-432; Krebs (2012), p. 970.
S. 981(2) CA 2006.
S. 986(4)(a) CA 2006.
Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/685. Volgens Slagter (2002), p. 188, moet de OK er ook voor waken dat de uitkoper niet te veel betaalt.
Kamerstukken II 1984-1985, 18 903, nr. 3, p. 8. Voor de bijzondere uitkoopregeling ex art. 2:359c BW is volgens de wetgever overeenkomstig de dertiende EG-richtlijn bepaald dat de OK de prijs vaststelt, zie Kamerstukken II 2005-2006, 30 419, nr. 8, p. 25. De richtlijn verplicht hier naar mijn mening echter niet toe. Zij schrijft in art. 15 lid 5 enkel voor dat een fair price voor de minderheidsaandeelhouder gewaarborgd moet zijn. Het vaststellen van de uitkoopprijs door de rechter is slechts één van de mogelijkheden voor deze waarborg. Dit blijkt juist ook uit de uitkoopregelingen in de onderzochte landen.
Ook bij de gedwongen overdracht in de geschillenregeling stelt de rechter de prijs zelfstandig vast. In het ontwerp van de Commissie Vennootschapsrecht uit 1975 was opgenomen dat een deskundige en niet de rechter de prijs zou vaststellen. De minister achtte het echter bezwaarlijk dat het rechtskarakter van de prijsvaststelling door deskundigen niet geheel duidelijk was, waardoor twijfel bestond of het gerechtelijk bevel tot overdracht wel executabel was, zie Kamerstukken II 1984-1985, 18 905, nr. 3, p. 12 en 20. Hierover Bulten (2011), p. 191 e.v.
Evenzo Bruining (2011), p. 108.
O.m. OK 9 oktober 2012, JOR 2012/356 (Glanerbrook); OK 15 november 2011, ARO 2011/183 (Begraafplaats Vredenhof); OK 4 oktober 2011, ARO 2011/162 (BDC Holding); OK 12 september 2002, JOR 2002/224 (Weweler); OK 12 september 2002, JOR 2002/223 (Intereffekt); OK 11 juli 2002, ARO 2002/102 (Conservatrix); OK 23 mei 2002, ARO 2002/79 (Accura).
De OK stelt de prijs voor de over te dragen aandelen vast.1 Zij heeft hiertoe een autonome bevoegdheid. Dit geldt ook ten aanzien van de aan de prijs ten grondslag liggende waarderingsmethode.
De Nederlandse uitkoopregeling wijkt op dit punt af van de regelingen in de onderzochte landen. De vaststelling van de uitkoopprijs geschiedt in deze landen (in beginsel) niet door een rechter.
In België betreft de uitkoopprocedure de (her)opening van een bod. De door de uitkoper voorgestelde uitkoopprijs in het prospectus moet zijn gecontroleerd door een onafhankelijk deskundige.2 Daarnaast kan de FSMA, al dan niet na bezwaren van de minderheid, opmerkingen en aanmaningen (onder meer ten aanzien van de prijs) formuleren voordat zij het prospectus goedkeurt.3 De vereenvoudigde uitkoopprocedure in België geschiedt voorts tegen dezelfde voorwaarden als het voorafgaand bod.4
Voor de Duitse algemene uitkoopregeling geldt een vergelijkbare regeling als in België, waarbij de uitkoper de prijs voor de over te dragen aandelen vaststelt.5 Ook hiervoor moet de Angemessenheit van de prijs zijn beoordeeld door één of meer onafhankelijke deskundigen.6 Binnen drie maanden na de gedwongen overdracht kunnen de uitgekochte aandeelhouders bij de rechter de vastgestelde prijs aanvechten (Spruchverfahren).7 De bijzondere uitkoopregeling in Duitsland bevat een wettelijk prijsvermoeden voor aansluiting bij de tegenprestatie van het voorafgaand bod, welke vergelijkbaar is met het prijsvermoeden van de bijzondere uitkoopregeling in art. 2:359c lid 6 BW (§ 9.3.4).8 In Duitsland bestaat echter, anders dan in Nederland, discussie over de vraag of het een weerlegbaar vermoeden betreft.9
Tot slot stelt ook in het Verenigd Koninkrijk de rechter in beginsel niet de uitkoopprijs vast. De gedwongen overdracht geschiedt tegen dezelfde voorwaarden als het voorafgaand bod.10 De rechter kan echter wel een hogere prijs voor de over te dragen aandelen vaststellen, indien de minderheid aantoont dat de geboden prijs unfair is.11
In de opzet van de Nederlandse uitkoopregeling (de rechter stelt de uitkoopprijs vast) ligt een bescherming van de minderheidsaandeelhouders besloten.12 De wetgever acht het onwenselijk dat de door de uitkoper gevorderde prijs niet kan worden getoetst, indien er tussen partijen geen overeenstemming is over de vast te stellen prijs.13 Dit is in bijna alle procedures het geval, omdat vaak niet alle gedaagden in het geding verschijnen of degene die wel verschijnen de uitkoopprijs betwisten.
Een dwingend wettelijke rechterlijke toetsing van de prijs voor de gedwongen over te dragen aandelen, acht ik juist (§ 4.2.4).14 Een andere regeling, zoals in Duitsland en het Verenigd Koninkrijk, heeft het onwenselijke gevolg dat de minderheid het initiatief moet nemen tot een gerechtelijke procedure om de billijkheid van de prijs te laten beoordelen.15 Bovendien blijkt uit de jurisprudentie dat de uitkoper niet zonder meer aan de ontvankelijkheidsvereisten voldoet.16 Een rechterlijke tussenkomst is niet overbodig.