Einde inhoudsopgave
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/9.4.2.2
4.2.2 Overeenkomstige toepassing van de verhoudingsregel van artikel 1:95 lid 1 BW en het ontstaan van vergoedingsrechten en -plichten
Mr. T.M. Subelack, datum 02-01-2024
- Datum
02-01-2024
- Auteur
Mr. T.M. Subelack
- JCDI
JCDI:ADS948007:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie Asser/Perrick 4 2021/203; L.C.A. Verstappen, in: Handboek Erfrecht 2020, p. 311-312 en 321; Brinkman, Het fideicommis in de notariële praktijk 2014, p. 144-117; Spath, Zaaksvervanging (O&R nr. 55) 2010/47; S. Perrick, Zaaksvervanging 2016/31; W.M. Kleijn, Vruchtgebruik (Mon. Nieuw BW nr. B10) 1990/16; P.C. van Es, Vruchtgebruik (Mon. BW nr. B10) 2020/49; E.A.A. Luijten, ‘Zaaksvervanging bij de rechten van gebruik en bewoning’, JBN 1997, p. 3; Van Gaalen, Vruchtgebruik (AN nr. 91) 2001/126 en L.C.A Verstappen in punt 16 van zijn noot onder HR 1 mei 2015 ECLI:NL:HR:2015:1199, NJ 2015/378.
Zie Asser/Perrick 4 2021/203; L.C.A. Verstappen, in: Handboek Erfrecht 2020, p. 311-312; S. Perrick, Zaaksvervanging 2016/41; Brinkman, Het fideicommis in de notariële praktijk 2014, p. 114-117; Spath, Zaaksvervanging (O&R nr. 55) 2010/47 en Stollenwerck, Het fideicommis de residuo (AN nr. 34) 1986, p. 82-84.
Zie Brinkman, Het fideicommis in de notariële praktijk 2014, p. 114-117; Asser/Perrick 4 2021/203, S. Perrick, Zaaksvervanging 2016/31 en L.C.A Verstappen in punt 16 van zijn noot onder HR 1 mei 2015 ECLI:NL:HR:2015:1199, NJ 2015/378.
Zie Brinkman, Het fideicommis in de notariële praktijk 2014, p. 114-117; S. Perrick, Zaaksvervanging 2016/31; P.C. van Es, Vruchtgebruik (Mon. BW nr. B10) 2020/49 en L.C.A Verstappen in punt 16 van zijn noot onder HR 1 mei 2015 ECLI:NL:HR:2015:1199, NJ 2015/378.
Zie in die zin Asser/Perrick 4 2021/202 en 202a; S. Perrick, Zaaksvervanging 2016/43 en R.E. Brinkman & J.H. Lieber, ‘Het fideicommis en de (vaststelling van de) omvang van het vermogen’, FTV 2019/41, onder 7. Zie anders J.B. Vegter, ‘Over de voorwaardelijke making, mede in verband met andere aandachtspunten rond de wettelijke verdeling’, WPNR 2021/7335, p. 596-597.
Vgl. Brinkman, Het fideicommis in de notariële praktijk 2014, p. 114, voetnoot 322. In de hoofdtekst op pagina 114 heeft Brinkman het over ‘een verplichting om een bedrag te vergoeden aan het fidei-commissaire vermogen’, maar in de daarbij vermelde voetnoot 322 expliciteert hij dit door mede onder verwijzing naar A.H.N. Stollenwerck (Stollenwerck, Het fideicommis de residuo (AN nr. 34) 1986, p. 47) te schrijven: “Lees: te vergoeden aan de verwachter onder opschortende voorwaarde zelf. Net als in titel 3.7 BW, waarin het woorden gemeenschap soms doelt op de deelgenoten zelf, soms op het gemeenschappelijk vermogen (en soms op de rechtsverhouding zelf), gebruikt de wet in art. 1:87 lid 1 BW, art. 1:95 lid 2 BW en art. 1:96 lid 3 BW een eenvoudige formulering.”
Zie over het onderscheid tussen de voorwaardelijkheid van een prestatie en de voorwaardelijkheid van de inningsbevoegdheid daarvan paragraaf 2.4.1 hiervóór.
Vgl. Asser/Perrick 4 2021/203; S. Perrick, Zaaksvervanging 2016/31, alsmede Brinkman, Het fideicommis in de notariële praktijk 2014, p. 115.
Zie Brinkman, Het fideicommis in de notariële praktijk 2014, p. 115.
Vgl. Brinkman, Het fideicommis in de notariële praktijk 2014, p. 31 en 114, voetnoot 322, uit welke twee vindplaatsen geen eenduidige opvatting lijkt te volgen. Op pagina 31 haalt Brinkman als voorbeeld van een fideï-commissaire schuld de vergoedingsplicht aan die ten laste van het fideï-commissaire vermogen ten behoeve van het eigen vermogen van de bezwaarde ontstaat, terwijl hij op pagina 114, voetnoot 332, de vergoedingsverplichting van de bezwaarde jegens de verwachter als een vordering van uitsluitend de verwachter op de bezwaarde kwalificeert. Zie daarover ook voetnoot 171 hiervóór.
Door het verhaal van de bezwaarde wordt het voorwaardelijk door de bezwaarde en de verwachter verkregen goed aan een derde overgedragen. De bezwaarde kan zich vervolgens op de executieopbrengst verhalen. Het aan hem uitgekeerde bedrag zal vervolgens uitsluitend aan hem gaan toebehoren. Het restant van de executieopbrengst zal op grond van artikel 4:138 lid 2 BW jo. artikel 3:213 lid 1 BW voorwaardelijk aan de bezwaarde en de verwachter toebehoren. Verhaalt de bezwaarde zijn vordering op het saldo van een bankrekening dat tot het tweetrapsvermogen behoort, dan zal het aan hem op basis van dit verhaal uitgekeerde bedrag onvoorwaardelijk door hem verkregen worden. Dat bedrag valt dus voortaan in het eigen vermogen van de bezwaarde en is aldus aan het tweetrapsvermogen onttrokken.
Zie in gelijke zin S. Perrick, Zaaksvervanging 2016/31 en Brinkman, Het fideicommis in de notariële praktijk 2014, p. 115.
562. Bij toepassing van de zaaksvervangingsregel van artikel 3:213 lid 1 BW nemen de meeste schrijvers aan dat aan de hand van overeenkomstige toepassing van de ‘verhoudingsmaatstaf’ van artikel 1:95 lid 1 BW vastgesteld mag worden of zaaksvervanging heeft plaatsgevonden.1 Ditzelfde uitgangspunt geldt voor de toepassing van artikel 3:213 lid 1 BW in geval van een tweetrapserfstelling.2 Daarbij is het tweetrapsvermogen dan het equivalent van het ‘eigen vermogen van een echtgenoot’ waar artikel 1:95 lid 1 BW over spreekt. Dat betekent dat zaaksvervanging plaatsvindt op het moment dat bij de verkrijging van het vervangende goed meer dan de helft van de tegenprestatie ten laste van het tweetrapsvermogen is gekomen. In dat geval zal het vervangende goed op grond van zaaksvervanging voorwaardelijk door de bezwaarde en de verwachter worden verkregen, en aldus tot het tweetrapsvermogen gaan behoren. Deze overeenkomstige toepassing van de verhoudingsregel van artikel 1:95 lid 1 BW heeft ook tot gevolg dat er vergoedingsrechten en -plichten ten gunste of ten laste van het tweetrapsvermogen kunnen ontstaan.3 Als een goed krachtens zaaksvervanging tot het tweetrapsvermogen is gaan behoren omdat de verkrijgingsprijs niet volledig, maar wel voor meer dan de helft, ten laste van het tweetrapsvermogen is gekomen ontstaat een vergoedingsrecht van de bezwaarde jegens het tweetrapsvermogen omdat hij met ‘eigen vermogen’ aan een deel van de verkrijgingsprijs heeft bijgedragen. En is een goed juist níet krachtens zaaksvervanging tot het tweetrapsvermogen gaan behoren omdat de tegenprestatie voor de verkrijging van dat goed wel voor een deel, maar niet voor meer dan de helft, ten laste van het tweetrapsvermogen is gekomen, dan ontstaat een vergoedingsrecht van het tweetrapsvermogen ten laste van het eigen vermogen van de bezwaarde. De omvang van deze vergoedingsrechten en -plichten wordt daarbij bepaald door overeenkomstige toepassing van artikel 1:95 lid 1 en 2 BW. Daardoor wordt de omvang van deze vergoedingsrechten afhankelijk van de waardeontwikkeling van het goed uit de verkrijging waarvan het vergoedingsrecht is ontstaan.4 In artikel 1:95 lid 1 en 2 BW wordt voor de vaststelling van de omvang van de vergoedingsrechten immers verwezen naar het bepaalde in artikel 1:87 lid 2 en 3 BW.
563. Vervolgens is dan nog wel de vraag wat dergelijke ‘tweetrapsvergoedingsrechten’ precies inhouden. Het tweetrapsvermogen is immers voorwaardelijk eigendom van zowel de bezwaarde als de verwachter. Betekent dit nu dat een door de bezwaarde aan het tweetrapsvermogen verschuldigd vergoedingsrecht ook echt ‘aan’ het tweetrapsvermogen is verschuldigd, en dat hij dus onder ontbindende voorwaarde een vordering op zichzelf heeft verkregen, welke vordering bij het intreden van de voorwaarde op de verwachter overgaat? Op zich zou dat mogelijk kunnen zijn, zeker als men het tweetrapsvermogen als een ‘afgescheiden vermogen’ kwalificeert.5 In dat geval gaan de vergoedingsvordering en de daaruit voortvloeiende schuld niet teniet omdat vordering en schuld in van elkaar gescheiden vermogens vallen (artikel 6:161 lid 1 sub a BW). Toch dient een vergoedingsrecht ten gunste van het tweetrapsvermogen wat mij betreft niet zo opgevat te worden. De verwachter was immers vóór de vervanging van het tweetrapsgoed voorwaardelijk eigenaar daarvan. Door de bevoegdelijke vervreemding heeft hij dat goed verloren, waarvoor géén ander goed in de plaats is getreden (aan de voorwaarden voor toepassing van zaaksvervanging is immers niet voldaan). De bezwaarde was vóór de vervanging van het goed ook voorwaardelijk eigenaar van het ‘verloren’ goed. Omdat niet aan de voorwaarden voor toepassing van zaaksvervanging is voldaan, is hij onvoorwaardelijk eigenaar van het vervangende goed geworden. De bezwaarde is dus verrijkt ten koste van de verwachter. Daardoor rust op de bezwaarde de verplichting om de verwachter te compenseren. Het daaruit voortvloeiende vergoedingsrecht is dus niet zozeer een vergoedingsverplichting jegens het tweetrapsvermogen, maar een vergoedingsverplichting jegens de verwachter zélf.6 Bij dit alles geldt dan wel dat de verwachter ook weer niet ‘overgecompenseerd’ mag worden. De verwachter was vóór de vervanging ‘slechts’ voorwaardelijk eigenaar van het verloren goed. Dat betekent dat hem ter compensatie van dat verlies uitsluitend een vergoedingsrecht toekomt dat hem recht geeft op vergoeding onder dezelfde opschortende voorwaarde als waaronder het verloren goed aan hem toebehoorde. Aldus verkrijgt hij een voorwaardelijk vergoedingsrecht, in die zin dat de vordering op bezwaarde direct door hem wordt verkregen en hem recht geeft op een onvoorwaardelijke vergoeding, welke vergoeding evenwel pas geïnd kan worden wanneer aan de voorwaarde is voldaan waaronder de erfstelling is geschied. Het vergoedingsrecht betreft dus een vorderingsrecht dat recht geeft op een in beginsel onvoorwaardelijke prestatie (de betaling van het te vergoeden bedrag), welk prestatie pas bij het intreden van een bepaalde voorwaarde (dus voorwaardelijk) geïnd kan worden.7 Het betreft daarmee dus géén louter toekomstige vordering. De verwachter was immers voorwaardelijk eigenaar van het verloren goed, en dient een direct bestaand vergoedingsrecht te verkrijgen om op evenredige wijze voor dit verlies gecompenseerd te worden. Voor de omvang van de vergoedingsvordering kan worden aangesloten bij artikel 1:87 lid 2 en 3 BW.8 Daarbij is aan het vergoedingsrecht van de verwachter bij een tweetrapserfstelling van het overschot dan nog wel de voorwaarde verbonden dat het vervangende goed op het moment van het intreden van de voorwaarde niet is verteerd. Was het verloren tweetrapsgoed niet vervangen door een ander goed, of was het vervangende goed krachtens zaaksvervanging tot het tweetrapsvermogen gaan behoren, dan had de verwachter bij het intreden van de voorwaarde dat (vervangende) tweetrapsgoed ook niet verkregen als het op dat moment was verteerd. Het vergoedingsrecht dat de verwachter op de bezwaarde verkrijgt, is daarom aan dezelfde voorwaarde van ‘niet-verteerd-zijn’ verbonden. In die zin is de te vorderen prestatie dus nog wél voorwaardelijk. Daarbij zij nog opgemerkt dat dit effect niet reeds wordt bereikt door de overeenkomstige toepassing van artikel 1:87 lid 2 en 3 BW, zoals Brinkman lijkt te veronderstellen.9 Artikel 1:87 lid 3 sub c BW bepaalt immers dat ter zake van goederen die inmiddels zijn vervreemd zonder dat daarvoor andere goederen in de plaats zijn gekomen, in plaats van de waarde van het goed op het moment dat de vergoeding wordt voldaan (artikel 1:87 lid 2 BW) moet worden uitgegaan van de waarde ten tijde van de vervreemding. Dat zou betekenen dat als de bezwaarde het goed waar het vergoedingsrecht aan is ‘gekoppeld’ vervreemdt, en de opbrengst vervolgens verteert, de verwachter bij het intreden van de voorwaarde gerechtigd zou zijn tot vergoeding van de waarde van het (inmiddels verteerde) goed per de datum van zijn vervreemding. Bij de tweetrapsmaking met vervreemdingsbevoegdheid is dat nu juist nietde bedoeling.
564. Beziet men dit alles vanuit de omgekeerde situatie – i.e. dat de bezwaarde met eigen vermogen een deel van de tegenprestatie voor de verkrijging van een goed heeft voldaan dat krachtens zaaksvervanging tot het tweetrapsvermogen is gaan behoren – dan kan het vergoedingsrecht dat de bezwaarde in dat geval ten laste van het tweetrapsvermogen verkrijgt niet als een schuld van het tweetrapsvermogen worden beschouwd in die zin dat bezwaarde onder ontbindende voorwaarde een schuld aan zichzelf verkrijgt, en de verwachter onder opschortende voorwaarde voor die schuld aansprakelijk wordt. Het is dus niet zo dat de bezwaarde schuldenaar onder ontbindende voorwaarde wordt, en de verwachter schuldenaar onder opschortende voorwaarde.10 De bezwaarde was immers onvoorwaardelijk eigenaar van zijn ‘eigen vermogen’, terwijl het goed dat daarvoor in de plaats is getreden krachtens zaaksvervanging voorwaardelijk door hem is verkregen. De verwachter is op zijn beurt krachtens zaaksvervanging voorwaardelijk eigenaar geworden van het vervangende goed, terwijl de tegenprestatie voor de verkrijging van dat goed niet volledig ten laste van zijn voorwaardelijke vermogen is gekomen. Aldus is de bezwaarde verarmd, en de verwachter verrijkt. Daarom verkrijgt de bezwaarde een vergoedingsvordering jegens de verwachter, en niet mede jegens zichzelf ‘in zijn hoedanigheid van voorwaardelijk eigenaar van het tweetrapsvermogen’. Het vergoedingsrecht is daarbij op geen enkele wijze afhankelijk van de ontbindende voorwaarde die aan de erfstelling is verbonden. Het goed waarvan het verlies door het vergoedingsrecht wordt gecompenseerd behoorde immers onvoorwaardelijk aan de bezwaarde toe. Het vorderingsrecht geeft daarom recht op een onvoorwaardelijke prestatie (de betaling van het verschuldigde bedrag), welke prestatie de bezwaarde direct (dus eveneens onvoorwaardelijk) kan innen. Daarbij ligt in de inhoud van dit vorderingsrecht echter wél een belangrijke verhaalsbeperking besloten; gedurende het bestaan van de voorwaarde is het verhaal van de bezwaarde op de verwachter beperkt tot de goederen die tot het tweetrapsvermogen behoren, en dus voorwaardelijk aan de verwachter toebehoren.11 De overige goederen van de verwachter kan de bezwaarde niet uitwinnen. In zoverre wordt dus een uitzondering gemaakt op het bepaalde in artikel 3:276 BW. Treedt de voorwaarde in waaronder de tweetrapsgoederen door de verwachter zijn verkregen, dan wordt hij onvoorwaardelijk eigenaar van de goederen van het tweetrapsvermogen, en zal de vergoedingsvordering, voor zover deze dan nog niet is voldaan, wél op het volledige vermogen van de verwachter verhaald kunnen worden. Ook voor de omvang van de vergoedingsvordering van de bezwaarde op de verwachter geldt dat daarvoor kan worden aangesloten bij de regeling van artikel 1:87 lid 2 en 3 BW.12 Betreft het een tweetrapserfstelling met verteringsbevoegdheid dan geldt daarbij nog wel dat het vergoedingsrecht komt te vervallen wanneer het goed waaraan het vergoedingsrecht is ‘verbonden’ volledig is verteerd op het moment dat de voorwaarde intreedt waaronder de erfstelling is geschied en de bezwaarde het vergoedingsrecht nog niet had geïnd. In dat geval is de verwachter immers niet meer verrijkt, zodat het niet juist zou zijn als hij nog wel een vergoedingsrecht aan de (erfgenamen van de) bezwaarde zou moeten voldoen. De te vorderen prestatie is in dat opzicht dus wél voorwaardelijk (vgl. mijn opmerkingen over het vergoedingsrecht van de verwachter op de bezwaarde in randnummer 563 hiervóór).