De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure
Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/7.6.2.4:7.6.2.4 Handvest
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/7.6.2.4
7.6.2.4 Handvest
Documentgegevens:
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS372105:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld Eikelboom 2009, Philips 2011 en 2012, Schild (Diss.), p. 157 t/m 162 met verdere vindplaatsen en Buijn en Storm, par. 1.2.2.3 met verdere vindplaatsen.
Zie bijvoorbeeld HvJEU 12 maart 1996, NJ 1997, 173 (Pafitis), r.o. 38 e.v.
Zie par. 7.3.2.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een andere interessante invalshoek om vanuit een EU-perspectief naar noodzaakfinanciering te kijken is het Handvest. Twee bepalingen springen daarbij met name in het oog. Het met art. 1 EP corresponderende recht op eigendom van art. 17 Handvest en de vrijheid van ondernemerschap. Over art. 1 EP en noodzaakfinanciering is inmiddels het nodige geschreven door Nederlandse auteurs.1 Het zou interessant zijn te vernemen of daarover hetzelfde gedacht wordt door de rechters van het Hof van Justitie van de EU.
Zo blijkt uit de rechtspraak over art. 25 Tweede Richtlijn Vennootschapsrecht dat een bedreiging van de continuïteit van de onderneming voor het Hof geen reden is om de daarin vastgelegde minimumbescherming van aandeelhouders te passeren.2 Dat impliceert dat het Hof noodzaakfinanciering niet proportioneel acht.
De vrijheid van ondernemerschap omvat ook de contractsvrijheid en mogelijk mede de inrichtingsvrijheid en het beginsel van de wilsautonomie.3 De vrijheid van ondernemerschap zou derhalve mogelijk kunnen worden gebruikt als basis voor een betoog van een aandeelhouder dat de door de aandeelhouders in de statuten gemaakte afspraken over emissie van aandelen moeten worden gerespecteerd en niet tijdelijk tegen zijn wil ter zijde mogen worden geschoven door middel van (onmiddellijke) voorzieningen. Als het gaat om een emissie aan een partij die nog geen aandeelhouder is en daarbij het voorkeursrecht wordt doorbroken, zou mogelijk kunnen betoogd dat dit in strijd is met de contractsvrijheid, meer specifiek met de vrijheid om zelf te bepalen met wie men een rechtsverhouding aangaat.