Executele
Einde inhoudsopgave
Executele (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2007/VII.G.7.2:VII.G.7.2 Bevoegdheidsvariant is geen zuiver contractuele verdeling, doch een op een uiterste wilsbeschikking gebaseerde verdeling
Executele (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2007/VII.G.7.2
VII.G.7.2 Bevoegdheidsvariant is geen zuiver contractuele verdeling, doch een op een uiterste wilsbeschikking gebaseerde verdeling
Documentgegevens:
Prof.mr. B.M.E.M. Schols, datum 07-12-2007
- Datum
07-12-2007
- Auteur
Prof.mr. B.M.E.M. Schols
- JCDI
JCDI:ADS410494:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Al dan niet met 'contantenverklaring', art. 4:63 lid 3 BW
Hof Den Bosch 16 juni 2004, Notafax 2004, 209.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het vertrekpunt is dat ook het Nederlandse systeem de 'normale' verdeling van de nalatenschap in beginsel als een neutrale handeling ziet die de heffing niet beïnvloedt. Dit volgt uit het bekende arrest van de Hoge Raad van 2 januari 1903, PW 9536. Dit arrest legt de nadruk op het feit dat de Successiewet geen rekening heeft willen houden met zuiver contractuele handelingen tussen de deelgenoten na het overlijden die geheel los staan van de testamentair geuite wens van de erflater. Anders gezegd: erflater spreekt niet meer bij uiterste wilsbeschikking of via zijn aan zijn vertrouwenspersoon 'geoorloofd gedelegeerde' wil. Het aanknopingspunt in de Successiewet is in beginsel de situatie op het moment van overlijden. Nauwkeuriger: het gaat om het vermogen van de erflater in overgang naar de erfgenamen dat men met successiebelasting heeft willen treffen. En daar past niet bij dat daar achteraf nog invloedop zou kunnen worden uitgeoefenddoor onderling 'afspraken te ma-ken'of anders gezegd door verdelingshandelingen.Tot zover geen discussie.
Bij een 'quasi-wettelijke verdeling' is echter het vertrekpunt de uiterste wilsbeschikking van de erflater. Deze uiterste wilsbeschikking bepaalt de marsroute voor de verkrijgingen in economische zin van de erfgenamen. Op de spelregels van het afwikkelingsbewindkunnen de erfgenamen in beginsel geen invloeduitoefenen. Hier geldt slechts: graag of niet, oftewel aanvaarden of verwerpen.1
Ook al zou de executeur-afwikkelingsbewindvoerder, anders dan uit art. 3:77 BW blijkt, gezien moeten worden als een vertegenwoordiger van de erfgenamen, dan is dit nog zeker niet van voldoende gewicht om zonder meer te spreken van een zuivere contractuele verdeling in de zin van het betreffende arrest van de Hoge Raad uit 1903. Op zijn zachtst gezegd ontwaren wij hier toch wel enige elementen van 'dwangvertegenwoordiging', zij het niet ex lege, doch op grond van de wil van de erflater. Bij een afwikkelingsbewind is het immers de erflater die spreekt, zij het bij monde van de afwikkelingsbewindvoerder. Er geldt niet wat 'partijen goeddunkt'. Bij de strekking van de uiterste wil van erflater tracht de successiewetgever zo veel mogelijk aan te sluiten, oftewel in de recente woorden van Hof Den Bosch: het uitgangspunt van de Successiewet is dat zoveel mogelijk moet worden aangesloten bij de werkelijkheid.2