Einde inhoudsopgave
Impassezaken en verantwoordelijkheden binnen het enquêterecht (IVOR nr. 69) 2010/5.4.1
5.4.1 De eerste resultaten
mr. F. Veenstra, datum 28-10-2010
- Datum
28-10-2010
- Auteur
mr. F. Veenstra
- JCDI
JCDI:ADS466783:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
OK 23 juni 1994,NJ 1995, 456, r.o. 3.6 (ITP Holland Beleggingsmaatschappij).
OK 16 februari 2006,ARO 2006, 47, r.o. 3.9 (Beheermaatschappij Trial).
OK 2 mei 1996, rekestnr. 32/92 OK, r.o. 4.4 en 4.5 (ITP Holland Beleggingsmaatschappij); OK 14 februari 2007,ARO 2007, 54, r.o. 3.2-3.9 (Beheermaatschappij Trial).
De beslissing van de OK is in overeenstemming met HR 18 november 2005,NJ 2006, 173, r.o. 4.2 (Unilever, m.nt. Maeijer). Zie hierover ook paragraaf 3.2.5.
Een uitzondering vormt OK 20 november 1980, rekestnr. 11/80 OK (Catharina Adriana). De aandeelhouders van Catharina Adriana en van de aan haar bestuurders gelieerde vennootschap [WHB BV] – die Catharina Adriana concurrentie aandoet – hebben de intentie uitgesproken dat beide vennootschappen met elkaar zullen worden geïntegreerd. De door de OK ingestelde RvC zal de besturen van beide vennootschappen met raad terzijde staan bij het ontwikkelen van concrete voorstellen tot verwezenlijking van een dergelijke integratie, zal een bemiddelende rol vervullen en zal, bij verschil van mening tussen het bestuur van een van de vennootschappen en een aandeelhouder een voor alle betrokkenen bindende beslissing geven.
Vergelijk: OK 15 december 1988, rekestnrs. 31/88 en 32/88 OK (Assbel); OK 29 mei 1986, NJ 1988, 98 (De Stefano Delft).
Zie onder andere: OK 28 oktober 1993,NJ 1994, 566 (Relocation Advisers (RLA)); OK 1 december 1994,NJ 1995, 502 (Vleesbedrijf J.W. van Asselt); OK 30 november 2000,JOR 2001, 4 (Zwagerman Beheer); OK 23 november 2000,JOR 2001, 10 (Gebroeders Langedijk); OK 21 juni 2001,JOR 2001, 184 (EMO Groep); OK 27 april 2005,ARO 2005, 77 (Dolphin Watercompany); OK 9 augustus 2007,ARO 2007, 145 (Pondac Products).
Vermeldenswaard is nog dat uit OK 29 mei 1986, NJ 1988, 98 (De Stefano Delft) blijkt dat de onderzoeker heeft getracht een minnelijke regeling tot stand te brengen, hetgeen heeft geleid tot een aantal door partijen getroffen maatregelen. Ingevolge deze maatregelen wordt sinds 1 mei 1985 een gedeelte van het bedrijf dat voordien door de vennootschap werd uitgeoefend, door de een van beide broers als eigen onderneming gedreven, is een aantal activa overgeheveld naar deze broer en zijn drie van de 11 werknemers van de vennootschap bij hem in dienst getreden, en is in de bij de vennootschap in eigendom en gebruik zijnde bedrijfshal een – provisorische – scheidingswand aangebracht, zodanig dat deze broer in een afgescheiden deel met een eigen ingang en een eigen adres haar onderneming kan uitoefenen. Een poging om tot een volledige oplossing te geraken, op basis van een bindend advies, is evenwel mislukt. Struikelblok vormt de vraag wat er met de bedrijfshal dient te gebeuren.
Vergelijk: OK 21 april 1994,NJ 1995, 428 (Muller Beltex); OK 7 november 1996, rekestnr. 660/96 OK (Skipper Club Charter). Blijkens OK 5 januari 1995,NJ 1995, 376 (Grafische Industrie Van Eerd) gelden de tijdelijke voorzieningen voor een periode die eindigt op 1 juli 1995 of zoveel eerder als de overdracht van de aandelen in de Holding zal hebben plaatsgevonden.
OK 23 mei 2003, ARO 2003, 87 (Modemagazijnen Wed. J. van den Berg & Zonen): enig bestuurder [A] heeft zelf ontslag genomen als bestuurder van de vennootschap en de stichting AK, terwijl hij geen certificaten van aandelen houdt (vergelijk tekstnummer 139); OK 30 juni 2003,ARO 2003, 116 (Polyplus Holding): [S], die door de OK als bestuurder wordt ontslagen, heeft zijn aandelen reeds van de hand gedaan (vergelijk tekstnummer 139).
OK 23 juni 1977,NJ 1978, 440 (Westland Import, m.nt. Maeijer); OK 1 april 1982, rekestnr. 4/82 OK (Complete Woninginrichting Gebr. Moeskops); OK 30 september 1982, rekestnr. 22/82 OK (International Catering Corporation Jade (ICCJ)); OK 4 juli 1985, rekestnr. 13/85 OK (De Rozelaer); OK 8 oktober 1987,NJ 1989, 270 (J.F. van der Klis, m.nt. Maeijer); OK 25 september 2003,ARO 2003, 160 (Aannemingsmaatschappij Zeelandia Curaçao c.s.).
Vergelijk OK 8 oktober 1987,NJ 1989, 270, r.o. 7 (J.F. van der Klis, m.nt. Maeijer): het belang van de werknemers verzet niet tegen ontbinding. Niet valt immers in te zien dat zij hierdoor in een nadeliger positie komen te verkeren dan die welke voortvloeit uit de door de bewindvoerder voorgenomen en al voor een belangrijk deel in gang gezette liquidatie, waarbij taxivergunningen met de garantie ‘behoud van de bestaande werkgelegenheid’ worden verkocht. Integendeel, ontbinding is in zoverre in het belang van de werknemers te achten, dat daardoor de zekerheid ontstaat dat iedere invloed van de familie [L] op de wijze van liquidatie wordt uitgesloten.
OK 1 april 1982, rekestnr. 4/82 OK (Complete Woninginrichting Gebr. Moeskops); OK 25 september 2003,ARO 2003, 160 (Aannemingsmaatschappij Zeelandia Curaçao c.s.).
OK 23 januari 2009,ARO 2009, 18 (Beheermaatschappij Trial).
152. De in paragraaf 5.3 behandelde beschikkingen uit de tweede fase van de enquêteprocedure kenmerken zich door een grote diversiteit aan (combinaties van) getroffen voorzieningen, waarmee de Ondernemingskamer nauw aansluit op de omstandigheden van het geval. Uit het overzicht blijkt dat zij zich in haar streven het wanbeleid te beëindigen vooral richt op het bestuur (door dit geheel of gedeeltelijk te vervangen dan wel te versterken door de aanstelling van een buitenstaander tot bestuurder of commissaris), maar dat zij indien nodig ook diep ingrijpt op het niveau van de AVA (onder meer door de aandeelhouders tijdelijk buiten spel te plaatsen). Met het ingrijpen wordt in de eerste plaats bereikt dat de continuïteit van de vennootschap voor langere tijd veilig wordt gesteld (onder an-dere doordat blokkades in de besluitvorming worden doorbroken) alsmede dat de vennootschap (daaronder begrepen de minderheidsaandeelhouders en -certificaathouders, zo deze er zijn) voor verder nadeel wordt behoed. De Ondernemingskamer onderneemt bovendien pogingen de vennootschap terug te brengen op het juiste spoor. Tekenend hiervoor is ook dat zij de door haar aangestelde functionarissen in diverse procedures (soms uitgebreid) instrueert.
Ik roep in herinnering de beschikkingen inzake ITP Holland Beleggingsmaatschappij, waarin het bestuur is opgedragen de restitutie te bewerkstelligen van niet gerechtvaardigde onttrekkingen als in het onderzoeksverslag vermeld1 , respectievelijk Beheermaatschappij Trial, waarin is bepaald dat de benoemde bestuurder het in het bijzonder tot zijn taak dient te rekenen te onderzoeken in welke omvang het wanbeleid benadeling van de vennootschap tot gevolg heeft gehad en op welke wijze de geleden schade kan worden verhaald of ongedaan kan worden gemaakt, alsook in hoeverre aanleiding bestaat de ten laste van de vennootschap gebrachte kosten van een aantal gevoerde civiele procedures op de geschorste bestuurder te verhalen.2 Ik wijs nogmaals op deze uitspraken, omdat uit latere beschikkingen blijkt dat de onderscheiden bestuurders in hun opdracht zijn geslaagd.3 Dit gegeven leidt er in de procedure inzake Beheermaatschappij Trial zelfs toe dat de Ondernemingskamer concludeert dat het wanbeleid is beëindigd, hetgeen haar er toe brengt het verzoek tot verlenging van de geldingsduur van de tijdelijke voorzieningen en het tegenverzoek van de vennootschap af te wijzen en de procedure te beëindigen. Zij overweegt in dit verband dat thans enkele – weliswaar ernstige doch als zodanig niet anders dan – vermogensrechtelijke conflicten resteren tussen de aandeelhouders betreffende (met name) de vraag of (op grond van afspraken uit het verleden) [MGC] (49%-aandeelhoudster) verplicht is tot verkoop en overdracht van haar aandelen in de vennootschap aan [R] (51%-aandeelhouder) en, zo ja, tegen welke prijs. Dit kan op zichzelf echter geen reden zijn om de geldingsduur van de getroffen voorzieningen te verlengen (rechtsoverweging 3.10).4
153. De door de Ondernemingskamer getroffen voorzieningen dragen er in veel zaken toe bij dat de vennootschap voor kortere of langere tijd – blijkens verschillende uitspraken hebben de tijdelijke voorzieningen een geldingsduur van twee of drie jaar – geholpen is. Maar wordt het wanbeleid ook definitief beëindigd? Uit veel beschikkingen blijkt dat de verhoudingen tussen de aandeelhouders zodanig ernstig zijn verstoord, dat verdere samenwerking tussen hen is uitgesloten.5 Voor dit probleem bestaat, zo wordt in veel procedures ook door partijen zelf aangegeven6 respectievelijk door de onderzoekers en de Ondernemingskamer geconstateerd7 , maar één oplossing: zij dienen hun samenwerking te beëindigen en wel in deze zin, dat een van hen zijn aandelen afstaat aan de andere aandeelhouder(s) dan wel dat de activiteiten van de vennootschap worden gesplitst en ondergebracht in afzonderlijke vennootschappen.8 In een aantal zaken is door partijen voorafgaand aan de procedure reeds een minnelijke regeling getroffen of verkeren de onderhandelingen hierover in een vergevorderd stadium.9 Het ingrijpen in deze zaken heeft vooral ten doel een overbruggingsperiode te creëren waarbinnen de onderhandelingen kunnen worden afgerond en/of uitvoering kan worden gegeven aan de afspraken. In enkele andere zaken zijn verhoudingen als vanzelf hersteld omdat de banden tussen een van de partijen en de vennootschap zijn doorgesneden.10
Het spiegelbeeld wordt gevormd door een zestal procedures waarin, nadat het onderzoeksverslag ter griffie van de Ondernemingskamer is gedeponeerd, in het geheel géén (nadere) pogingen worden ondernomen teneinde de continuïteit van de vennootschap te waarborgen, maar waarin direct tot ontbinding wordt besloten.11 Reden hiervoor is dat een herstel van de samenwerking op enigszins vruchtbare wijze niet valt te verwachten en de betrokken vennootschappen (nagenoeg) geen activiteiten meer uitoefenen. De Ondernemingskamer overweegt in alle gevallen dat de belangen van de personen die bij de vennootschappen zijn betrokken en het openbaar belang zich niet tegen ontbinding verzetten (art. 2: 357 lid 6 BW).12 Sterker nog, in geval van ontbinding op korte termijn kunnen de schuldeisers van de vennootschap (mogelijk) geheel worden voldaan.13
Hoewel de Ondernemingskamer de procedure inzake Beheermaatschappij Trial heeft beëindigd (zie het vorige tekstnummer), duren de problemen tussen de aandeelhouders onverminderd voort. Nadat [R] in november 2007 op grond van art. 2: 336 BW een geschillenprocedure aanhangig heeft gemaakt bij de Rechtbank Rotterdam, dient [MGC] opnieuw een verzoek in tot het instellen van een onderzoek (augustus 2008), thans naar de gang van zaken rond de verkoop door de vennootschap van twee dochtermaatschappijen aan een personal holding van [R]. De Ondernemingskamer wijst het verzoek af omdat er naar haar oordeel geen gegronde redenen zijn om aan een juist beleid te twijfelen.14