Retentierecht en uitwinning
Einde inhoudsopgave
Retentierecht en uitwinning (O&R nr. 110) 2019/8.2.5.1:8.2.5.1 Inleiding
Retentierecht en uitwinning (O&R nr. 110) 2019/8.2.5.1
8.2.5.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. M.A. Heilbron, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. M.A. Heilbron
- JCDI
JCDI:ADS585246:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
371. De wet gaat uit van de combinatie opeising én verkoop, maar er zijn een aantal gevallen denkbaar waarin de verkoop van de zaak niet mogelijk of niet wenselijk is. Die gevallen bespreek ik in deze paragraaf. Als eerste kan het gebeuren dat de curator de zaak heeft opgeëist, maar de verkoop van de zaak mislukt. Er is dan geen opbrengst waaruit de retentor met voorrang zou kunnen worden voldaan. In paragraaf 8.2.5.2 behandel ik of de curator hiervoor aansprakelijk kan worden gesteld door de retentor. Ten tweede kan het voorkomen dat de curator de zaak opeist en de schuldenaar daarna een akkoord aanbiedt aan zijn schuldeisers. Door homologatie van het akkoord eindigt het faillissement, zodat verkoop van de zaak niet meer aan de orde is. De positie van de retentor bij een akkoord komt aan bod in paragraaf 8.2.5.3. In paragraaf 8.2.5.4 ga ik vervolgens in op het nieuwe art. 105b Fw. Art. 105b Fw is ingevoerd in het kader van de derde pijler – de fraudebestrijding – van het wetgevingsprogramma Herijking Faillissementsrecht. In het artikel is de bevoegdheid neergelegd voor de curator om de administratie van de gefailleerde op te eisen bij derden. Ik analyseer hoe deze opeisingsbevoegdheid zich verhoudt tot die van art. 60 lid 2 Fw.