Impassezaken en verantwoordelijkheden binnen het enquêterecht
Einde inhoudsopgave
Impassezaken en verantwoordelijkheden binnen het enquêterecht (IVOR nr. 69) 2010/4.6:4.6 Voorstellen tot aanpassing van de wet
Impassezaken en verantwoordelijkheden binnen het enquêterecht (IVOR nr. 69) 2010/4.6
4.6 Voorstellen tot aanpassing van de wet
Documentgegevens:
mr. F. Veenstra, datum 28-10-2010
- Datum
28-10-2010
- Auteur
mr. F. Veenstra
- JCDI
JCDI:ADS466779:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
117. Uit het in hoofdstuk 4 vervatte overzicht van impassebeschikkingen blijkt dat de enquêteprocedure getuige het grote aantal zaken waarin de Ondernemingskamer heeft bemiddeld en/of onmiddellijke voorzieningen heeft getroffen (ruim 165 zaken in de afgelopen 15 jaar), voorziet in een grote behoefte in de praktijk. Getoond is echter eveneens dat bij de geschilbeslechting een aantal fundamentele kanttekeningen kan worden geplaatst, te weten:
De Ondernemingskamer heeft veel beschikkingen zowel op het punt van ontkoppeling als wat betreft de getroffen onmiddellijke voorzieningen niet of nauwelijks gemotiveerd;
In verscheidene procedures waarin de Ondernemingskamer onmiddellijke voorzieningen heeft getroffen maar het partijdebat over en de definitieve beoordeling van het enquêteverzoek naar de toekomst heeft verschoven, is gehandeld in strijd met het bepaalde in art. 2: 349a lid 1 BW dat het enquêteverzoek met de meeste spoed wordt behandeld;
De procedures waarin het partijdebat over en de definitieve beoordeling van het enquêteverzoek naar de toekomst zijn verschoven, roepen de vraag op of hetgeen tijdens de behandeling van het verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen is aangevoerd, een voldoende basis vormt voor het voorlopige oordeel dat er aanleiding is voor het instellen van een onderzoek en daarmee voor de vaststelling dat de Ondernemingskamer bevoegd is het verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen in behandeling te nemen respectievelijk toe te wijzen. Ook kan worden betwijfeld, met name indien de vennootschap zich tegen toewijzing van het enquêteverzoek wenst te verzetten, of deze handelwijze in overeenstemming is met de in art. 19 Rv vervatte beginselen van een goede procesorde;
Van verschillende procedures kan worden betwijfeld of de gang van zaken vóórafgaand aan de mondelinge behandeling in overeenstemming was met de beginselen van een goede procesorde, omdat de betrokkenen (waaronder de vennootschap) erg weinig tijd hadden op een behoorlijke kennis te nemen van verzoekschriften, verweerschriften (met daarin tegenverzoeken) en andere bescheiden en hun verweer voor te bereiden;
De Ondernemingskamer was, niettegenstaande het feit dat er wel sprake was van gegronde redenen om aan een juist beleid te twijfelen, naar mijn mening in een aantal procedures niet bevoegd de verzoeken tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen te beoordelen en toe te wijzen. De reden hiervoor is dat er géén aanleiding bestond voor het instellen van een onderzoek omdat de feiten voldoende duidelijk waren respectievelijk omdat het de aandeelhouders geenszins om een onderzoek te doen was maar zij alleen behoefte hadden aan bemiddeling en/of onmiddellijke voorzieningen (daaronder begrepen de benoeming van deskundigen om de waarde van de aandelen te bepalen).
In het onderstaande doe ik in reactie op de onder (d) en (e) weergegeven kanttekeningen een tweetal voorstellen tot aanpassing van de wet. De kanttekeningen onder (a), (b) en (c) behelzen veeleer punten van kritiek. Ik roep wat betreft de eerste kanttekening in herinnering dat art. 30 Rv reeds voorschrijft dat de Ondernemingskamer haar beschikkingen motiveert en dat uit diverse beschikkingen van de Hoge Raad volgt dat op haar een verzwaarde motiveringsplicht rust in de gevallen waarin zij onmiddellijke voorzieningen treft vóórdat zij uitspraak doet op het enquêteverzoek respectievelijk waarin met de onmiddellijke voorzieningen inbreuk wordt gemaakt op de geldende rechtsverhoudingen binnen de vennootschap, waarin de voorzieningen (kunnen) leiden tot onomkeerbare gevolgen, waarin met de voorzieningen wordt afgeweken van bepalingen van dwingend recht of waarin andere onmiddellijke voorzieningen worden getroffen dan waarom is verzocht. Aan de kritiek vervat in de kanttekeningen onder (b) en (c) wordt reeds tegemoet gekomen indien de Ondernemingskamer met de meeste spoed het enquêteverzoek aan een partijdebat onderwerpt.
4.6.1 Beginselen van een goede procesorde4.6.2 Een alternatieve geschillenprocedure