NJB 2025/376:Belediging door gemeenteraadslid van wethouder op Facebook, art. 266 Sr en art. 10 EVRM: het recht op vrijheid van meningsuiting staat aan een strafrechtelijke veroordeling voor eenvoudige belediging niet in de weg als zo’n veroordeling een op grond van art. 10 lid 2 EVRM toegelaten beperking van de vrijheid van meningsuiting vormt. Daarvan is in de regel sprake bij uitlatingen die aanzetten tot geweld, haat of discriminatie en onverdraagzaamheid, of uitlatingen die om andere redenen strijdig zijn met de grondbeginselen van de democratische rechtsstaat. Voor het geval dat het gaat om andere uitlatingen zet de Hoge Raad het kader uiteen waarmee de strafrechter bij de beoordeling van de strafbaarheid van een uitlating wegens eenvoudige belediging in voorkomend geval rekening mee moet houden. Toepassing van EHRM 28 juli 2020, nr. 53028/14 (Monica Macovei/Roemenië) over de vraag onder welke omstandigheden sprake kan zijn van een beperking van de vrijheid van meningsuiting van een politicus die zich uitlaat over (laakbaar) gedrag van een andere politicus. In casu kon het hof oordelen dat de uitlatingen van de verdachte niet vallen onder de bescherming van art. 10 EVRM en als belediging i.d.z.v. art. 266 lid 1 Sr kunnen worden gekwalificeerd, nu de uitlatingen geen bijdrage kunnen leveren aan het publieke debat en er niet toe strekken een oordeel te geven over de behartiging van openbare belangen, maar ‘louter grievend’ zijn en er enkel toe strekken de betreffende wethouder in een kwaad daglicht te stellen en onmiskenbaar de eer en goede naam van die wethouder aantasten.