De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure
Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/12.4.3.6:12.4.3.6 Onrechtmatige daad en afgeleide schade
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/12.4.3.6
12.4.3.6 Onrechtmatige daad en afgeleide schade
Documentgegevens:
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS367309:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover HR 2 december 1004, NJ 1995, 288 m.nt. Maeijer (Poot/ABP). Zie ook HR 16 februari 2007, NJ 2007, 256 m.nt. Maeijer, JOR 2007/112 m.nt. Van Veen en Van Wechem (Tuin Beheer) en HR 2 november 2007, NJ 2008, 5 m.nt. Maeijer en JOR 2007/ 302 m.nt. Assink (Kessock/S.F.T. Bank).
Zie bijvoorbeeld Compendium 2013, par. 239, Buijn en Storm, par. 4A.17 en Timmerman 2013.
Zie hierover Timmerman 2013.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De afgeleide schade problematiek ziet op het geval dat jegens de vennootschap onrechtmatig is gehandeld, of (toerekenbaar) wanprestatie is gepleegd. De vennootschap heeft daardoor schade geleden. Aandeelhouders stellen zich soms op het standpunt dat zij ook schade hebben geleden. Hun aandelen zijn immers minder waard geworden. In het Poot/ABP-arrest1 heeft de Hoge Raad bepaald een aandeelhouder geen schadevergoeding kan vorderen op grond van een jegens de vennootschap gepleegde onrechtmatige daad of wanprestatie. Pas als ook jegens de aandeelhouder onrechtmatig is gehandeld, of (toerekenbaar) wanprestatie is gepleegd, kan aan deze aanspraak maken op schadevergoeding. De Hoge Raad formuleert het als volgt:
“Anders dan in onderdeel I onder 1 wordt betoogd, kan het ‘waardeloos maken’ van de aandelen door het gestelde veroorzaken van het faillissement, niet worden aangemerkt als een inbreuk op een subjectief recht van Poot, welke inbreuk onrechtmatig zou zijn ook zonder dat een zorgvuldigheidsplicht jegens Poot is geschonden. Een aandeel in een vennootschap is weliswaar een vermogensrecht, doch het toebrengen van schade aan de vennootschap kan, hoezeer het ook een inbreuk op de rechten van de vennootschap oplevert, mede in het licht van het in 3.4.1 overwogene niet tevens worden gezien als een inbreuk op dit – door de aandeelhouder jegens de vennootschap uit te oefenen – vermogensrecht.” [onderstreping toegevoegd]
In de literatuur wordt aan dit arrest een meervoudige ratio toegedicht.2 Ten eerste bestaat het gevaar dat dezelfde schade twee keer moet worden vergoed, indien de aandeelhouder en de vennootschap beide een schadevergoeding zouden kunnen vorderen. Voorts geldt dat een aandeelhouder wordt gecompenseerd door een schadevergoeding aan de vennootschap. Daarbij speelt ook ten tweede – dat de rechtseconomie er niet altijd mee gediend is als de aandeelhouders naast de vennootschap zouden kunnen procederen. Gevreesd wordt voor een cumulatie van procedures, met alle kosten en afstemmingsproblematiek van dien. Ten derde staat het vermogen van de vennootschap, dus ook eventuele schadevergoedingsvorderingen, in beginsel eerst voor verhaal van de schuldeisers ter beschikking vóórdat de aandeelhouders daar aan kunnen komen. Gevreesd wordt dat dit systeem doorkruist wordt als aandeelhouders een schadevergoeding kunnen vorderen voor schade die aan de vennootschap is toegebracht. Ten vierde is het in beginsel aan het bestuur om te bepalen of de vennootschap een vordering instelt of niet. Daarbij zal het bestuur zich richten op het belang van de vennootschap en de daaraan verbonden onderneming. Ook dit zou worden doorkruist, indien aandeelhouders een vordering zouden kunnen instellen.
Het Poot/ABP-arrest wordt in de literatuur dus kort gezegd verklaard door de angst dat er van alles mis kan gaan als aandeelhouders afgeleide schade kunnen vorderen. Hoewel die angst niet misplaatst is, dient wel voor ogen te worden gehouden dat de gesignaleerde risico’s zich niet per se hoeven te verwezenlijken. Timmerman3 pleit er dan ook voor om vergoeding van afgeleide schade niet categorisch uit te sluiten, maar alleen in gevallen waarin zulks inderdaad problematisch is.