Einde inhoudsopgave
Accountantsaansprakelijkheid (R&P nr. CA20) 2019/2.4.2.3
2.4.2.3 De vergunning
mr. J.E. Brink-van der Meer, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. J.E. Brink-van der Meer
- JCDI
JCDI:ADS298098:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Algemeen
Juridische beroepen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
De aansprakelijkheid van de accountant voor wettelijke controles in de zin van andere wetten (zie paragraaf 1.4.2.1) zal slechts aan de orde komen voor zover dit dezelfde normstelling betreft als die voor wettelijke controles in de zin van 2:393 BW. Ik zal dus niet onderzoeken of andere -meer specifieke- normen gelden voor de wettelijke controle in de zin van andere wetten, maar zal deze controles wel bespreken in het kader van de totale aansprakelijkheid van de accountant.
Kamerstukken 2003/2004, 29 658, nr. 3, p.12 en 46.
Interview Gerrit Zalm, Accountancynieuws, 2 september 2005, nr. 16, p. 8 e.v.
Https://www.afm.nl/nl/professionals/registers. Register laatstelijk geraadpleegd op 7 september 2018.
Https://www.afm.nl/nl/professionals/registers.
Interview Gerrit Zalm, Accountancynieuws 2 september 2005, nr. 16, p. 8 e.v.
Interview G. Zalm, Accountancynieuws, 2 september 2005, nr. 16, p. 8 e.v.
Van Wijngaarden (2005), p. 320.
Https://www.afm.nl/professionals/registers/vergunningenregisters/accountantsorganisaties. Aan het begin van 2017 hadden 329 accountantsorganisaties een lichte vergunning, bij aanvang van 2018 298. FD 8 februari 2018 ‘Ruim dertig kantoren leveren hun controlevergunning in’: ‘De redenen om afscheid te nemen van de vergunning zijn divers, zegt Marcel Maassen, eveneens werkzaam bij Full Finance. ‘Sommige kantoren hebben een te kleine portefeuille klanten, vaak minder dan tien. Ten opzichte van de baten zijn de kosten te hoog. Andere kantoren zijn negatief beoordeeld door toezichthouders NBA of SRA en vinden dat het hen te veel kost om de kwaliteit op niveau te brengen.’ Wat meespeelt is dat de arbeidsmarkt voor accountants krap is. Accountants hebben het voor het uitkiezen en gaan niet snel naar een klein kantoor met weinig opdrachten’.
Bericht AFM d.d. 30 september 2008.
AFM jaarverslag 2015, p. 64.
AFM, Sector in beeld -Marktanalyse accountantsorganisaties 2010-2014, p. 7.
Accountantsorganisaties die wettelijke controles (artikel 1 lid 1 sub p Wta) verrichten (en -indirect- accountants die controleverklaringen verstrekken, zie paragraaf 2.4.2.5) zijn als gevolg van de Wta onder onafhankelijk publiek toezicht komen staan van de AFM.
Zoals in paragraaf 1.4.2.1 reeds opgemerkt, definieert de Wta een wettelijke controle als: ‘een controle van een financi ë le verantwoording van een onderneming of instelling ten behoeve van het maatschappelijk verkeer, die verplicht is gesteld bij of krachtens de in de bijlage bij deze wet genoemde wettelijke bepalingen (artikel 1 lid 1 sub p Wta). De definitie van de Wta betreft dus alle in bijlage 1 bij deze wet opgesomde wettelijke controles, waarbij -naast de controle op grond van 2:393 BW- gedacht kan worden aan wettelijke controles in de zin van de Gemeentewet (artikel 213 lid 2), Provinciewet (artikel 217 lid 2), Mediawet (artikelen 12 lid 2 en 109e lid 1) en Rijksoctrooiwet 1995 (artikel 23j lid 2). Voor mijn onderzoek hanteer ik een engere definitie van wettelijke controle dan de definitie van de Wta. Een wettelijke controle in de zin van mijn onderzoek betreft een controle van een financiële verantwoording van een onderneming (of instelling) ten behoeve van het maatschappelijk verkeer op grond van artikel 2:393 BW. Ik zal me dus hoofdzakelijk richten op de controle op grond van 2:393 BW.1
Het was in eerste instantie de bedoeling dat het toezicht van de AFM vooral preventief van aard zou zijn.2
Het toezicht vindt plaats door middel van een vergunningenstelsel. De wet gaat uit van een tweeledige controle. Enerzijds vooraf -en in principe eenmalig- door middel van een vergunningverlening en anderzijds doorlopend op de vergunninghoudende organisatie en de daar werkzame accountants. Om wettelijke controles uit te kunnen voeren, dient een accountantsorganisatie dus in het kader van het voorafgaand toezicht een vergunning aan te vragen bij de AFM (artikel 5 Wta). Een vergunning wordt slechts verleend aan accountantsorganisaties die voldoen aan de in de Wta gestelde eisen.
Er kunnen twee soorten vergunningen worden onderscheiden:
Een vergunning die vereist is als men organisaties van openbaar belang controleert.
Een vergunning voor de accountantsorganisatie die wel wettelijke controles verricht maar niet bij organisaties van openbaar belang.
Ad 1 Vergunning die vereist is als men organisaties van openbaar belang controleert
Organisaties van openbaar belang (‘OOB’s’) zijn organisaties die door hun omvang of functie in het maatschappelijk verkeer de belangen van grotere groepen raken.3 Daarbij moet men denken aan beursgenoteerde ondernemingen, banken, centrale kredietinstellingen en bepaalde verzekeraars (artikel 1 lid 1 sub l – 1 t/m 4 Wta). Bij of krachtens AMvB kunnen ook nog andere ondernemingen, instellingen of openbare lichamen worden aangewezen als OOB (artikel 1 lid 1 sub l 5 jo. artikel 2 Wta ). Er is sprake van het voornemen om netbeheerders, woningbouwcorporaties, grote pensioenfondsen en drie instellingen voor het wetenschapsbeleid als OOB aan te merken (zie paragraaf 5.9.2 voor de actuele stand van zaken van dit voornemen).4
De vergunning met betrekking tot OOB’s staat ook wel bekend als de ‘zware’ vergunning.5 Het toezicht van de AFM bij wettelijke controles van OOB’s is intensiever dan bij de overige wettelijke controles. Voorts worden zwaardere eisen gesteld om controles bij OOB’s te mogen uitvoeren. Voorbeelden zijn de scheiding tussen advies en controle praktijk, de verplichte ‘compliance officer’, het transparantieverslag en de auditcommissie, zoals nader uitgewerkt in paragraaf 2.4.2.4. Om misverstanden te voorkomen: een houder van een ‘zware’ vergunning mag controles verrichten bij OOB’s en niet-OOB’s.
Volgens het register van de AFM zijn er thans nog 9 accountantsorganisaties met een ‘zware’ vergunning.6 Accountantsorganisaties met een ‘zware’ vergunning worden in het hiernavolgende ‘OOB-accountantsorganisaties’ genoemd.
Er zijn zware vergunningen verleend aan: Accon avm controlepraktijk BV, Baker Tilly Berk N.V., BDO Audit & Assurance B.V., Deloitte Accountants B.V., Ernst & Young Accountants LLP, Grant Thornton Accountants en Adviseurs B.V., KPMG Accountants N.V., Mazars Paardekooper Hoffman Accountants N.V., PricewaterhouseCoopers Accountants N.V.7
Ad 2 Een vergunning voor de accountantsorganisatie die wel wettelijke controles verricht maar niet bij organisaties van openbaar belang.
Deze vergunning staat ook wel bekend als de ‘lichte’ vergunning.8 In de aanloop naar de wet is er voor gepleit uitsluitend de zware vergunning in te voeren en geen vergunningplicht in te voeren voor accountants die wettelijke controles doen bij niet-OOB’s. Volgens de heer Zalm, toenmalig minister van Financiën, is dit echter niet de benadering die in de Europese richtlijn9 staat.10 Hij concludeert dat de Wta geen zwaardere eisen stelt aan de vergunningsplicht dan voornoemde richtlijn.11 Het voorstel is dan ook niet overgenomen.
Op 30 september 2008 heeft de AFM voor het eerst vergunningen verleend om wettelijke controles te verrichten bij zogenaamde niet-OOB-organisaties (lees: lichte vergunningen). De AFM heeft toen 463 vergunningen verleend. Op 29 maart 2018 is nog sprake van 288 lichte vergunningen.12
In 2008 hebben oorspronkelijk in totaal 699 organisaties een lichte vergunning aangevraagd, aldus de AFM. Van de aanvragers hebben 202 de vergunningaanvraag ingetrokken omdat zij niet aan de eisen uit de Wta konden of wilden voldoen. Zes aanvragen zijn niet in behandeling genomen omdat de aanvraag niet compleet was. Vijf vergunningaanvragen zijn in eerste instantie definitief afgewezen. Aan 23 niet-OOB aanvragers is (nog) geen vergunning verleend omdat zij (nog) niet hebben aangetoond aan de eisen van de Wta te voldoen.13
De daling van het aantal vergunningen tussen 2008 en heden laat zich onder andere verklaren door het feit dat de AFM sinds 1 januari 2014 vergunningen kan intrekken wanneer de vergunninghouder er 36 maanden geen gebruik van heeft gemaakt. Daarnaast ontvangt de AFM geregeld verzoeken tot intrekking van de vergunning, waaronder van kantoren die onvoldoende scoren in de kwaliteitstoetsingen van de NBA en SRA.14 Tot slot is als gevolg van fusies en overnames tussen vergunninghoudende kantoren een aantal vergunningen komen te vervallen.15
Ter verduidelijking: een schema uit 2010 waarin het aantal wettelijke controles wordt uitgewerkt naar OOB/niet-OOB controles en waarin ten aanzien van de uitvoerende partij een onderscheid wordt gemaakt naar OOB organisaties (inclusief onderverdeling tussen big four kantoren en overige OOB organisaties) en niet- OOB organisaties:
Organisaties
OOB Controles
Niet OOB Controles
Totaal
OOB Organisaties
– Big 4
1450
11550
13000
– Overige
150
3050
3200
Niet OOB Organisaties
–
5400
5400
Totaal
1600
20000
21600
Bron: H. Beckman, De stuurlui van de AFM: alleen zij weten hoe te controleren?, Ondernemingsrecht 2010-13, nr. 112.