NJB 2025/2408:Berechting binnen een redelijke termijn in ontnemingsprocedure, art. 6 lid 1 EVRM: het tijdsverloop tijdens de eerste aanleg en dat tijdens het hoger beroep moeten afzonderlijk worden beoordeeld. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de behandeling van de zaak op de zitting moet zijn afgerond met in eerste aanleg een einduitspraak binnen twee jaren nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, en dat in de fase van het hoger beroep een einduitspraak wordt gedaan binnen twee jaren nadat het rechtsmiddel is ingesteld, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. In gevallen waarin de verdachte in verband met de zaak in voorlopige hechtenis verkeert en/of het strafrecht voor jeugdigen is toegepast, moet de zaak in eerste aanleg en in hoger beroep telkens binnen zestien maanden worden afgedaan, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Het hof heeft dit beoordelingskader miskend door te overwegen dat de ‘ontnemingsprocedure als geheel’ een periode van ruim vijf jaren en vijf maanden heeft bestreken en vervolgens, uitgaande van een redelijke termijn ‘van twee jaren per instantie’, te oordelen dat de redelijke termijn met ruim één jaar en vijf maanden is overschreden. Dit leidt echter niet tot cassatie nu de vermindering van het vastgestelde ontnemingsbedrag met € 5.000 niet onbegrijpelijk is gelet op de termijnoverschrijding in de zaak.