ECLI:NL:GHSHE:2023:1196 (parketnummer 20-002983-21),
HR, 30-09-2025, nr. 23/01345
ECLI:NL:HR:2025:1405
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
30-09-2025
- Zaaknummer
23/01345
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bijzonder strafrecht (V)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1405, Uitspraak, Hoge Raad, 30‑09‑2025; (Artikel 81 RO-zaken, Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2023:1196
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:897
ECLI:NL:PHR:2025:897, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 26‑08‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1405
- Vindplaatsen
Uitspraak 30‑09‑2025
Inhoudsindicatie
In werking zijnd metamfetaminelab (chrystal meth) in loods in Westdorpe. Eendaadse samenloop van medeplegen bewerken van metamfetamine (art. 2.B Opiumwet) en medeplegen voorbereidingshandelingen m.b.t. dat feit (art. 10a jo. 10.4 en 10.5 Opiumwet) in periode van 1-10-2020 t/m 30-11-2020 en aanwezig hebben van 278 kilo en 350 liter metamfetamine(base) op 30-11-2020. 1. Bewijsklacht t.a.v. voorbereidingshandelingen. Kan uit bewijsvoering volgen dat verdachte opzet heeft gehad op voorbereiding van het buiten grondgebied brengen van Nederland van metamfetamine? 2. Eendaadse samenloop of meerdaadse samenloop (t.a.v. aanwezig hebben en voorbereidingshandelingen), art. 55.1 en 57 Sr. Belang bij cassatie? HR: art. 81.1 RO.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/01345
Datum 30 september 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 30 maart 2023, nummer 20-002983-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van vier jaren.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze drie jaren en tien maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 september 2025.
Conclusie 26‑08‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Medeplegen opzettelijk aanwezig hebben 108 kg hennep (art. 3 onder C en 11 Opiumwet). Het eerste middel, dat klaagt over ontbreken in eerste aanleg overgelegde pleitnota, faalt. Tweede middel, dat klaagt over medeplegen, faalt eveneens (beide 81.1 RO). Ambtshalve opmerking over overschrijden redelijke termijn. Conclusie strekt tot vernietiging, maar uitsluitend voor wat betreft de opgelegde straf.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/01345
Zitting 26 augustus 2025
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967,
hierna: de verdachte.
Inleiding
1.1
De verdachte is bij arrest van 30 maart 2023 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch1.wegens 1. en 2. "de eendaadse samenloop van medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod (feit 1) en medeplegen van, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit (feit 2)" en 3. “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek van voorarrest. Het hof heeft tevens de teruggave aan de verdachte gelast van een geldbedrag van € 300.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld.
Het eerste middel
2.1
Het eerste middel van cassatie valt uiteen in twee deelklachten. De eerste deelklacht klaagt over de bewezenverklaring van feit 2 en bevat de klacht dat uit de bewijsvoering van dat feit niet kan volgen dat de verdachte zich (kort gezegd) schuldig heeft gemaakt aan de voorbereiding van het buiten het grondgebied brengen van Nederland van een of meer hoeveelheden metamfetamine. De tweede deelklacht klaagt over de kwalificatie en bevat de klacht dat het hof ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan de bepalingen van eendaadse samenloop ter zake van feit 3.
2.2
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“1.
hij op tijdstippen in de periode van 1 oktober 2020 tot en met 30 november 2020 te Westdorpe, gemeente Terneuzen, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft bewerkt hoeveelheden van een materiaal bevattende metamfetamine, zijnde metamfetamine een middel vermeld op lijst I bij de Opiumwet;
2.
hij op tijdstippen in de periode van 1 oktober 2020 tot en met 30 november 2020 te Westdorpe, gemeente Terneuzen, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of vervaardigen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van een of meer hoeveelhe(i)d(en) metamfetamine, zijnde metamfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,
- voorwerpen en stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en zijn mededaders wisten dat zij bestemd waren tot het plegen van die delicten, immers, hebben hij, verdachte en zijn mededaders op tijdstippen in voornoemde periode in voornoemde pleegplaats
* een in werking zijnde laboratorium-opstelling/productieplaats, bestemd voor de productie/vervaardiging van metamfetamine en
* grote hoeveelheden andere chemicaliën en grondstoffen/hulpstoffen bestemd voor de productie/vervaardiging van metamfetamine en
* productiemiddelen/voorwerpen bestemd voor de productie/vervaardiging van metamfetamine
voorhanden gehad, waarvan verdachte en zijn mededaders wisten, dat die bestemd waren tot het plegen van dat/die feit(en);
3.
hij op 30 november 2020 te Westdorpe, gemeente Terneuzen, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 278 kilogram (natte en droge kristallen) metamfetamine en circa 350 liter metamfetaminebase (olie), zijnde metamfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.”
2.3
Het hof heeft het bewezenverklaarde als volgt gekwalificeerd:
“Het onder 1 en 2 bewezenverklaarde levert op:
de eendaadse samenloop van:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod (feit 1)
en
medeplegen van, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit (feit 2).
Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.”
2.4
Voor de bewijsvoering en de strafmotivering van het hof verwijs ik naar het arrest, dat ook is gepubliceerd.
De eerste deelklacht
2.5
Art. 10a van de Opiumwet stelt opzettelijke voorbereidings- of bevorderingshandelingen strafbaar ten aanzien van de misdrijven bedoeld in art. 10 lid 4 en 5 van de Opiumwet. Die handelingen zijn hiermee zelfstandig strafbaar gesteld. Niet vereist is dat van de handelingen reeds bekend is ter voorbereiding of bevordering van welk concreet misdrijf als bedoeld in art. 10 lid 4 of 5 deze dienen.2.Dat zou immers het zelfstandige karakter van de strafbaarstelling van deze gedragingen tenietdoen.3.Het opzet in het kader van art. 10a Opiumwet, waaronder voorwaardelijk opzet is begrepen, dient wel gericht te zijn op het voorbereiden of bevorderen van een feit uit art. 10 lid 4 of lid 5 en op de daaropvolgende gedragingen in lid 1 onder 1 tot en met 3.4.
2.6
Uit de bewijsvoering van het hof volgt dat de verdachte met vier medeverdachten in een loods in Westdorpe is aangetroffen, waarin zich een in werking zijn drugslab bevond waar metamfetamine werd geproduceerd. In die loods bevonden zich tevens grote hoeveelheden chemicaliën, grondstoffen en productiemiddelen om metamfetamine te produceren. Naar de verklaringen van de verdachten waren zij daar werkzaam. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte tezamen en in vereniging met zijn mededaders metamfetamine heeft bewerkt. Het hof heeft tevens bewezen geacht dat de verdachte tezamen en in vereniging grondstoffen voor de productie van metamfetamine voorhanden heeft gehad, alsmede het product metamfetamine voorhanden heeft gehad.
2.7
Met de stellers van het middel meen ik dat uit die bewijsvoering niet zonder meer kan worden afgeleid dat de verdachte opzet heeft gehad op de voorbereiding van het buiten het grondgebied brengen van metamfetamine. Evenwel meen ik dat de verdachte geen belang heeft bij cassatie op dit punt nu ten laste van hem meerdere andere voorbereidingshandelingen bewezenverklaard zijn. Het niet bewezen verklaren van de voorbereiding van uitvoer van drugs zou geen invloed hebben op het wettelijke strafmaximum. Het hof heeft bovendien een straf opgelegd die ver beneden het hieronder te noemen strafmaximum van de zaak ligt. Dat de toepasselijke OM-richtlijn een onderscheid maakt tussen handel en invoer/uitvoer van drugs, dwingt mij gelet op het vorenstaande niet tot een ander oordeel. Ten slotte merk ik op dat in de strafmaatoverwegingen van het hof geen afzonderlijke betekenis wordt toegekend aan de bewezenverklaring op dit punt.
2.8
De klacht slaagt, maar behoeft niet te leiden tot cassatie.
De tweede deelklacht
2.9
De tweede deelklacht klaagt erover dat het hof ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan de bepalingen van eendaadse samenloop ter zake van feit 3, nu het heeft geoordeeld dat enkel feiten 1 en 2 in eendaadse samenloop zijn gepleegd.
2.10
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het bewerken van metamfetamine (feit 1), de voorbereiding van onder andere het bewerken van amfetamine (feit 2) en het voorhanden hebben van (reeds bewerkte) amfetamine (feit 3). Het hof is enkel met betrekking tot de feiten 1 en 2 van oordeel geweest dat die in eendaadse samenloop zijn gepleegd. Met de stellers van het middel meen ik dat het kennelijke oordeel van het hof, dat feit 3 niet in eendaadse samenloop met de feiten 1 en 2 is gepleegd, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.5.Uit de overweging van het hof dat het bij de middelen die de verdachte voorhanden had ging om “metamfetamine die werd bewerkt of zou worden bewerkt” volgt, dat dit voorhanden hebben (feit 3) in feite één feitencomplex vormt met enerzijds het bewerken van metamfetamine (feit 1) en anderzijds voorbereidingshandelingen voor dit bewerken (feit 2), terwijl de verdachte daarvan in wezen één verwijt kan worden gemaakt.
2.11
Het slagen van de klacht behoeft echter bij gebrek aan belang niet te leiden tot cassatie, nu het hof een straf heeft opgelegd die ver beneden het strafmaximum van de zaak ligt.6.Uitgaande van eendaadse samenloop van alle drie feiten zou dit strafmaximum acht jaren zijn, aangezien op grond van art. 55 lid 1 Sr bij eendaadse samenloop de bepaling dient te worden toegepast met de zwaarste hoofdstraf en dat is in dit geval art. 10 lid 4 van de Opiumwet waarin feit 1 strafbaar is gesteld.7.
2.12
Ook deze klacht slaagt, maar behoeft evenmin tot cassatie te leiden.
Het tweede middel
3.1
Het tweede middel van cassatie klaagt dat de redelijke termijn van berechting is geschonden, nu het hof de stukken van het geding niet tijdig naar de griffie van de Hoge Raad heeft gezonden.
3.2
Op 6 april 2023 is namens de verdachte cassatie ingesteld. Op 12 april 2024 zijn de stukken van het geding ter griffie van de Hoge Raad ontvangen. Dit brengt mee dat het hof de stukken van het geding niet tijdig (binnen een termijn van acht maanden na het instellen van cassatie) aan de Hoge Raad heeft gezonden en de redelijke termijn van berechting daardoor is geschonden.
3.3
Het middel slaagt en moet leiden tot vermindering van de straf naar de gebruikelijke maatstaf van de Hoge Raad.
Afronding
4.1
Het eerste middel behoeft niet tot cassatie te leiden en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering. Het tweede middel slaagt.
4.2
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak gaat doen meer dan twee jaren na het instellen van het cassatieberoep op 6 april 2023. Daarom is de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM overschreden. Dat moet leiden tot strafvermindering.8.Verder heb ik ambtshalve geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof aangetroffen.
4.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 26‑08‑2025
HR 13 maart 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0494, rov. 4.6.
Vgl. Kamerstukken II 1982/83, 17 975, nr. 3 (memorie van toelichting), p. 6: “Wel menen wij dat er aanleiding is om bepaalde voorbereidings- (of bevorderings-) handelingen die volgens de bestaande wet op zich zelf geen voltooid misdrijf of een strafbare poging daartoe opleveren als zelfstandig delict strafbaar te stellen. Een en ander komt dus neer op een uitbreiding van de strafbaarheid in die zin dat bepaalde voorbereidingshandelingen die verband houden met de handel in verdovende middelen (als bedoeld in lijst I bij die wet) of die deze handel beogen te bevorderen niet langer straffeloos zullen zijn”.
Vgl. HR 20 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1111.
HR 5 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:831.
HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, rov. 3.6.2.