Einde inhoudsopgave
RvdW 2020/845
Oplichting.
HR 30-06-2020, ECLI:NL:HR:2020:1149
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
30 juni 2020
- Magistraten
Mrs. W.A.M. van Schendel, Y. Buruma, E.S.G.N.A.I. van de Griend, A.L.J. van Strien, J.C.A.M. Claassens
- Zaaknummer
18/01059
- Conclusie
A-G mr. D.J.C. Aben
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:ADS227765:1
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht / Delicten Wetboek van Strafrecht
Materieel strafrecht / Algemeen
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2020:1149, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 30‑06‑2020
ECLI:NL:PHR:2020:134, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 11‑02‑2020
Beroepschrift, Hoge Raad, 20‑08‑2018
- Wetingang
Art. 326 Sr
Essentie
Oplichting. Van oplichting (art. 326 lid 1 Sr) is geen sprake wanneer een middel is gebruikt dat i.h.a. niet is geëigend een ander te bedriegen en het tevens dermate evident is dat sprake is van een onjuiste voorstelling van zaken dat moet worden aangenomen dat de i.h.a. in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid die ander aanleiding had moeten geven die onjuiste voorstelling van zaken te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen.
Samenvatting
Het hof heeft o.a. het volgende vastgesteld. De aangeefster heeft gereageerd op een advertentie van de verdachte die inhield dat zij ‘vandaag ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.