De toepassing van schakelbewijs is geen noviteit. Ik vond als oudste voorbeelden daarvan (onder het vigerende wetboek van strafvordering) HR 24 november 1930, NJ 1931, p. 118-119 (de verklaring van vier jonge jongens); HR 8 juni 1931, NJ 1932, p. 86-87 (wederom ontucht tegen minderjarigen (vier verklaringen)); HR 17 juni 1940, NJ 1940/822 (meer mensen trachten te bewegen tot het afleggen van een valse getuigenverklaring); HR 26 februari 1952, NJ 1952/675 (ontucht minderjarig meisje, ondersteund door de aangifte van een andere minderjarige ten aanzien waarvan de verdachte was vrijgesproken).
HR, 30-06-2020, nr. 18/01059
ECLI:NL:HR:2020:1149
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
30-06-2020
- Zaaknummer
18/01059
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2020:1149, Uitspraak, Hoge Raad, 30‑06‑2020; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:134
ECLI:NL:PHR:2020:134, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 11‑02‑2020
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:1149
Beroepschrift, Hoge Raad, 20‑08‑2018
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2020-0237 met annotatie van J.H.J. Verbaan
NJ 2020/372 met annotatie van J.M. Reijntjes
NTS 2020/90
Uitspraak 30‑06‑2020
Inhoudsindicatie
Medeplegen afpersing, meermalen gepleegd (art. 317.1 en 317.3 jo. 312.2.2 Sr) en oplichting door jonge vrouw door samenweefsel van verdichtsels te bewegen tot aangaan van schulden in de vorm van telefoonabonnementen en afbetalingsregeling voor MacBook (art. 326.1 Sr). 1. Bewijsklacht oplichting. Had aangeefster onjuiste voorstelling van zaken moeten doorzien? 2. Omzetting vervangende hechtenis in gijzeling bij schadevergoedingsmaatregel, art. 36f Sr. Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2016:2892 m.b.t. vereiste dat iemand door oplichtingsmiddel wordt 'bewogen' tot in art. 326.1 Sr bedoelde handelingen. Oplichting in de zin van art. 326.1 Sr is niet aan de orde is, wanneer middel is gebruikt dat in het algemeen niet is geëigend ander te bedriegen en het tevens dermate evident is dat sprake is van onjuiste voorstelling van zaken dat moet worden aangenomen dat i.h.a. in maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid die ander aanleiding had moeten geven die onjuiste voorstelling van zaken te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen (vgl. wetsgeschiedenis). Hof heeft vastgesteld dat aangeefster heeft gereageerd op advertentie van verdachte die inhield dat zij ‘vandaag nog’ 1.000 euro kon verdienen. Zij is vervolgens samen met hem achtereenvolgens naar 4 winkels gegaan, waar zij in totaal 5 telefoonabonnementen heeft afgesloten en 5 bijbehorende ‘gratis’ telefoons heeft ontvangen. Verdachte had aangeefster vooraf uitgelegd hoe het in zijn werk zou gaan met telefoons en haar voorgehouden dat zijn zwager vanwege diens functie “op hoofdkantoor dat samenwerkt met alle providers” abonnementen uit systeem kon halen, zodat er niks op haar naam zou blijven staan. Bij vijfde winkel heeft aangeefster Macbook op afbetaling gekocht, waarvoor zij van verdachte nog 700 euro extra zou krijgen. Verdachte zei vervolgens tegen aangeefster dat hij dat geldbedrag nog moest halen maar is niet meer teruggekomen en aangeefster heeft geen geld gekregen. Hof heeft kennelijk geoordeeld dat geen sprake was van situatie zoals hiervoor bedoeld, waarin beoogd slachtoffer gelet op i.h.a. in maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid onjuiste voorstelling van zaken had moeten doorzien. Dat oordeel is niet z.m. begrijpelijk in het licht van wat hof heeft vastgesteld over aard van in bewezenverklaring bedoelde mededelingen en context waarin deze zijn gedaan, waaruit o.m. naar voren komt dat aangeefster ermee bekend was dat alle handelingen van verdachte erop waren gericht apparatuur uit winkels te verkrijgen zonder daarvoor (volledig) te betalen en dat verdachte haar had toegezegd dat haar naam uit systemen van providers zou worden verwijderd ondanks verstrekking van gratis telefoons en afsluiting van telefoonabonnementen. Gelet hierop is bewezenverklaring van oplichting onvoldoende gemotiveerd. HR zal om doelmatigheidsredenen verdachte t.z.v. dit feit vrijspreken. Daardoor wordt aard en ernst van hetgeen in bestreden uitspraak overigens ten laste van verdachte is bewezenverklaard niet aangetast, zodat vernietiging t.z.v. oplegging van in arrest vermelde gevangenisstraf van 26 maanden op deze grond achterwege kan blijven. Ad 2. HR ambtshalve: Hof heeft verdachte verplichting opgelegd om aan Staat ten behoeve van in arrest genoemd slachtoffer in arrest vermeld bedrag te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door in arrest genoemd aantal dagen hechtenis. HR zal ’s hofs uitspraak ambtshalve vernietigen v.zv. daarbij vervangende hechtenis is toegepast overeenkomstig hetgeen is beslist in ECLI:NL:HR:2020:914. HR bepaalt dat met toepassing van art. 6:4:20 Sv gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 18/01059
Datum 30 juni 2020
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 23 februari 2018, nummer 23/002885-16, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft I.A. van Straalen, advocaat te ‘s-Gravenhage, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ten aanzien van de onder 6 tenlastegelegde oplichting en de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van het zevende cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel komt op tegen de motivering van de bewezenverklaring van de onder 6 tenlastegelegde oplichting, in het bijzonder voor zover deze inhoudt dat de verdachte door een samenweefsel van verdichtsels [betrokkene 5] heeft bewogen tot het aangaan van schulden.
2.2.1
Ten laste van de verdachte is overeenkomstig de tenlastelegging onder 6 bewezenverklaard dat:
“hij in de maand september 2015, in Nederland, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen, door een samenweefsel van verdichtsels, [betrokkene 5] heeft bewogen tot het aangaan van schulden bestaande uit het afsluiten van telefoonabonnementen en het treffen van een afbetalingsregeling voor een Macbook Pro 15 inch, hebbende verdachte telkens met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - in strijd met de waarheid
- tegen die [betrokkene 5] gezegd dat de zwager van één van de verdachten bij een hoofdkantoor dat samen werkt met alle grote providers werkte en dat hij bestaande abonnementen uit het systeem kon verwijderen;- tegen die [betrokkene 5] gezegd dat zij een geldbedrag zou krijgen waardoor die [betrokkene 5] werd bewogen tot het aangaan van een schuld.”
2.2.2
Deze bewezenverklaring steunt op onder meer het volgende bewijsmiddel:
“26. Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL1300-2015214636-1 van 25 september 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant] doorgenummerde pagina’s 1 094 -1 096.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 25 september 2015 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van [betrokkene 5]:
Op 17 september 2015 bevond ik mij thuis in Haarlem. Ik had geld nodig en heb op google gezocht naar hoe ik geld kon verdienen. Ik kwam op een advertentie geplaatst door een “[betrokkene 6] uit [plaats]”. De tekst van de advertentie was als volgt:
“Vandaag nog 1000 euro
Hey zit jij een beetje krap bij kas en kan je 1000 euro goed gebruiken liever vandaag dan morgen stuur me dan een berichtje groetjes [betrokkene 6]”.
Ik heb vervolgens via de website gereageerd via de link in de advertentie. Hierop kreeg ik op mijn g-mail-account een reactie. Ik vroeg hem wat ik moest doen om het geld te verdienen. Ik las dat [betrokkene 6] een zwager had die als leidinggevende werkt op een hoofdkantoor dat samenwerkt met alle providers. Deze zwager zou vanwege zijn functie abonnementen uit het systeem kunnen halen. Zo zou ik een abonnement af kunnen sluiten waarbij je een gratis telefoon krijgt. Vervolgens zou dan het abonnement uit het systeem worden verwijderd zodat er niks op mijn naam zou blijven staan.
Na deze e-mails zijn we overgestapt op communicatie via WhatsApp. Het telefoonnummer van [betrokkene 6] is [003].
Via WhatsApp heeft hij mij verder uitgelegd hoe het in zijn werk zou gaan met de telefoons. We hadden afgesproken op 19 september (het hof begrijpt: 2015) bij de Jumbo op de [b-straat 1] in Haarlem. Ik ben daarheen gelopen. Vervolgens kwam er een man de Jumbo uitlopen. Hij sprak mij aan en ik hoorde hem zeggen. Sta je op iemand te wachten? Ik begreep hieruit dat dit de man was waarmee ik had afgesproken. Vervolgens liepen we naar zijn auto. We zijn vervolgens naar het [c-straat] in Amsterdam (het hof begrijpt, gereden). Ik hoorde hem (het hof begrijpt: “[betrokkene 6]”) zeggen dat ik een abonnement moest afsluiten waarbij je een iPhone 6 krijgt. Ik heb dat vervolgens gedaan. Ik heb in de winkel een abonnement afgesloten en heb de iPhone direct meegekregen.
Volgens deze werkwijze zijn wij naar de volgende winkels gegaan om telefoonabonnementen af te sluiten:
-KPN winkel, [c-straat 1] (het hof begrijpt: te Amsterdam), een abonnement met iPhone 6;
-KPN winkel, [d-straat 1] (het hof begrijpt: te Amsterdam), twee abonnementen met iPhone 6;
-T-Mobile winkel, [c-straat 2] (het hof begrijpt: te Amsterdam), een abonnement met iPhone 6;
-Phonehouse, [e-straat 1] (het hof begrijpt: te Amsterdam), Tele2 abonnement met iPhone 6.
Vanaf de [e-straat] zijn we naar de Mediamarkt op de [f-straat] (het hof begrijpt: [f-straat]) [1] in Amsterdam (het hof begrijpt: gegaan). In de straat achter de Mediamarkt hoorde ik [betrokkene 6] zeggen dat het anders zou gaan dan bij de telefoonwinkels. Ik moest een Macbook op afbetaling kopen. Ik zou hiervoor 700 euro extra krijgen. Ik heb vervolgens een Macbook Pro 15 inch van 2158 euro met een betalingsregeling van 57,61 euro per maand, voor 48 maanden, gekocht. Hierna ben ik teruggelopen naar de plek waar ik was afgezet. Ik hoorde hem zeggen dat hij de 700 euro nog moest halen. [betrokkene 6] is niet meer teruggekomen.”
2.2.3
Het hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring verder het volgende overwogen:
“De aangeefster [betrokkene 5] had contact met ene “[betrokkene 6]”. Haar is voorgehouden dat een zwager van “[betrokkene 6]” als leidinggevende op een hoofdkantoor werkte dat met alle providers samenwerkte en dat hij, vanwege zijn functie, abonnementen uit het systeem zou kunnen halen. Aldus zou zij een abonnement af kunnen sluiten waarbij je een gratis telefoon krijgt. Vervolgens zou het abonnement uit het systeem worden verwijderd zodat er niets op haar naam zou blijven staan. Voorts is [betrokkene 5] voorgehouden dat zij € 700 extra zou krijgen voor het kopen op afbetaling van een Macbook. Dit geld heeft zij echter niet gekregen. Er is aldus sprake geweest van een samenweefsel van verdichtsels en niet van een enkele onjuiste mededeling zoals door de raadsman gesteld. [betrokkene 5] heeft verklaard dat zij op 19 september (het hof begrijpt: 2015) met “[betrokkene 6]” had afgesproken bij de Jumbo aan de [b-straat 1] te Haarlem. De politie heeft de camerabeelden gericht op de in/-uitgang van de Jumbo bekeken en heeft geconcludeerd dat NN 1, wat betreft uiterlijke kenmerken grote overeenkomsten met de verdachte vertoont. Voorts heeft de politie contact opgenomen met [betrokkene 5] en gevraagd of zij de uitzending van et tv-programma Tros Opgelicht van 29 maart 2016 heeft gezien, hetgeen het geval bleek te zijn. [betrokkene 5] gaf aan één van de jongens op de beelden te herkennen als zijnde de persoon die haar telefoonabonnementen had laten afsluiten op 19 september 2015. Zij heeft verklaard kort samengevat:
“[...] Ik herken die ene jongen, die [verdachte]. Dat is de jongen die mij ook telefoonabonnementen heeft laten afsluiten. Ik weet het 99% zeker. Hij heeft exact dezelfde stem en hetzelfde uiterlijk. [...]”. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de oplichting van [betrokkene 5].”
2.3
De tenlastelegging onder 6 is toegesneden op artikel 326 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Daarom moet de in de tenlastelegging voorkomende uitdrukking ‘bewegen tot’ geacht worden aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in die bepaling.
2.4.1
Artikel 326 lid 1 Sr luidt:
“Hij die, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, hetzij door het aannemen van een valse naam of van een valse hoedanigheid, hetzij door listige kunstgrepen, hetzij door een samenweefsel van verdichtsels, iemand beweegt tot de afgifte van enig goed, tot het verlenen van een dienst, tot het ter beschikking stellen van gegevens, tot het aangaan van een schuld of tot het teniet doen van een inschuld, wordt, als schuldig aan oplichting, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie.”
2.4.2
Voor bewezenverklaring van oplichting is blijkens artikel 326 lid 1 Sr vereist dat iemand door een oplichtingsmiddel wordt ‘bewogen’ tot de in die bepaling bedoelde handelingen. Van het in het bestanddeel ‘beweegt’ tot uitdrukking gebrachte causaal verband is sprake als voldoende aannemelijk is dat het slachtoffer mede onder invloed van de door het desbetreffende oplichtingsmiddel in het leven geroepen onjuiste voorstelling van zaken is overgegaan tot de afgifte van enig goed, tot het verlenen van een dienst, tot het ter beschikking stellen van gegevens, tot het aangaan van een schuld of tot het teniet doen van een inschuld als bedoeld in artikel 326 lid 1 Sr.
Het antwoord op de vraag of in een concreet geval het slachtoffer door een oplichtingsmiddel dat door de verdachte is gebezigd, is bewogen tot de in artikel 326 lid 1 Sr bedoelde handeling, is in sterke mate afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In meer algemene zin kunnen tot die omstandigheden behoren enerzijds de mate waarin de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid het beoogde slachtoffer aanleiding had moeten geven die onjuiste voorstelling van zaken te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen, en anderzijds de persoonlijkheid van het slachtoffer, waarbij onder meer de leeftijd en de verstandelijke vermogens van het slachtoffer een rol kunnen spelen. Oplichting in de zin van artikel 326 lid 1 Sr is echter niet aan de orde wanneer het slachtoffer - gelet op alle omstandigheden van het geval, waaronder de eigen gedragingen en kennis van zaken - de in een bepaalde gedraging van de verdachte besloten liggende onjuiste voorstelling van zaken had moeten doorzien. (Vgl. HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2892.) Dit komt met andere woorden hierop neer dat oplichting in de zin van artikel 326 lid 1 Sr niet aan de orde is, wanneer een middel is gebruikt dat in het algemeen niet is geëigend een ander te bedriegen en het tevens dermate evident is dat sprake is van een onjuiste voorstelling van zaken dat moet worden aangenomen dat de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid die ander aanleiding had moeten geven die onjuiste voorstelling van zaken te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen (vgl. de wetsgeschiedenis, zoals weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 51).
2.5
Het hof heeft onder meer het volgende vastgesteld. De aangeefster heeft gereageerd op een advertentie van de verdachte die inhield dat zij ‘vandaag nog’ duizend euro kon verdienen. Zij is vervolgens samen met hem achtereenvolgens naar vier winkels gegaan, waar zij in totaal vijf telefoonabonnementen heeft afgesloten en vijf bijbehorende ‘gratis’ telefoons heeft ontvangen. De verdachte had de aangeefster vooraf uitgelegd hoe het in zijn werk zou gaan met de telefoons en haar voorgehouden dat zijn zwager vanwege diens functie “op een hoofdkantoor dat samenwerkt met alle providers” abonnementen uit het systeem kon halen, zodat er niks op haar naam zou blijven staan. Bij een vijfde winkel heeft de aangeefster een Macbook op afbetaling gekocht, waarvoor zij van de verdachte nog 700 euro extra zou krijgen. De verdachte zei vervolgens tegen de aangeefster dat hij dat geldbedrag nog moest halen, maar is niet meer teruggekomen en de aangeefster heeft geen geld gekregen.
2.6
Het hof heeft kennelijk geoordeeld dat in het onderhavige geval geen sprake was van een situatie zoals bedoeld in 2.4.2, waarin het beoogde slachtoffer gelet op de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid de onjuiste voorstelling van zaken had moeten doorzien. Dat oordeel is niet zonder meer begrijpelijk in het licht van wat het hof heeft vastgesteld over de aard van de in de bewezenverklaring bedoelde mededelingen en de context waarin deze zijn gedaan, waaruit onder meer naar voren komt dat de aangeefster ermee bekend was dat alle handelingen van de verdachte erop waren gericht apparatuur uit winkels te verkrijgen zonder daarvoor (volledig) te betalen en dat de verdachte haar had toegezegd dat haar naam uit de systemen van de providers zou worden verwijderd ondanks de verstrekking van gratis telefoons en de afsluiting van telefoonabonnementen. Gelet hierop is de bewezenverklaring van de onder 6 tenlastegelegde oplichting onvoldoende gemotiveerd.
2.7
Het cassatiemiddel klaagt daarover terecht. De Hoge Raad zal om doelmatigheidsredenen de verdachte ter zake van dit feit vrijspreken. Daardoor wordt de aard en ernst van hetgeen in de bestreden uitspraak overigens ten laste van de verdachte is bewezenverklaard - weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 1 - niet aangetast, zodat vernietiging ter zake van de oplegging van de in het arrest vermelde gevangenisstraf van 16 maanden met aftrek op deze grond achterwege kan blijven.
3. Beoordeling van de overige cassatiemiddelen
De beoordeling door de Hoge Raad van de overige cassatiemiddelen heeft als uitkomst dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van de uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.1
Het hof heeft de verdachte de verplichting opgelegd, kort gezegd, om aan de Staat ten behoeve van het in het arrest genoemde slachtoffer [slachtoffer 1] het in het arrest vermelde bedrag te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen 61 dagen hechtenis.
4.2
De Hoge Raad zal de uitspraak van het hof ambtshalve vernietigen voor zover daarbij vervangende hechtenis is toegepast, overeenkomstig hetgeen is beslist in HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:914.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de navolgende onder (i) en (ii) weergegeven beslissingen;
(i) vernietigt de uitspraak van het hof ten aanzien van de beslissingen ter zake van het onder 6 ten laste gelegde, daaronder begrepen de beslissing tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [betrokkene 5] en de beslissing tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve [betrokkene 5];
- spreekt de verdachte vrij van het onder 6 tenlastegelegde;
- verklaart de benadeelde partij [betrokkene 5] niet-ontvankelijk in haar vordering tot schadevergoeding;
(ii) vernietigt de uitspraak van het hof voor zover aan de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het in het arrest genoemde slachtoffer [slachtoffer 1] vervangende hechtenis van 61 (eenenzestig) dagen is verbonden;
- bepaalt dat met toepassing van artikel 6:4:20 van het Wetboek van Strafvordering gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1];
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma, E.S.G.N.A.I. van de Griend, A.L.J. van Strien en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 juni 2020.
Conclusie 11‑02‑2020
Inhoudsindicatie
Medeplegen afpersing, meermalen gepleegd (art. 317.1 en 317.3 jo. 312.2.2 Sr) en oplichting door jonge vrouw door samenweefsel van verdichtsels te bewegen tot aangaan van schulden in de vorm van telefoonabonnementen en afbetalingsregeling voor MacBook (art. 326.1 Sr). 1. Bewijsklacht oplichting. Had aangeefster onjuiste voorstelling van zaken moeten doorzien? 2. Omzetting vervangende hechtenis in gijzeling bij schadevergoedingsmaatregel, art. 36f Sr. Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2016:2892 m.b.t. vereiste dat iemand door oplichtingsmiddel wordt 'bewogen' tot in art. 326.1 Sr bedoelde handelingen. Oplichting in de zin van art. 326.1 Sr is niet aan de orde is, wanneer middel is gebruikt dat in het algemeen niet is geëigend ander te bedriegen en het tevens dermate evident is dat sprake is van onjuiste voorstelling van zaken dat moet worden aangenomen dat i.h.a. in maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid die ander aanleiding had moeten geven die onjuiste voorstelling van zaken te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen (vgl. wetsgeschiedenis). Hof heeft vastgesteld dat aangeefster heeft gereageerd op advertentie van verdachte die inhield dat zij ‘vandaag nog’ 1.000 euro kon verdienen. Zij is vervolgens samen met hem achtereenvolgens naar 4 winkels gegaan, waar zij in totaal 5 telefoonabonnementen heeft afgesloten en 5 bijbehorende ‘gratis’ telefoons heeft ontvangen. Verdachte had aangeefster vooraf uitgelegd hoe het in zijn werk zou gaan met telefoons en haar voorgehouden dat zijn zwager vanwege diens functie “op hoofdkantoor dat samenwerkt met alle providers” abonnementen uit systeem kon halen, zodat er niks op haar naam zou blijven staan. Bij vijfde winkel heeft aangeefster Macbook op afbetaling gekocht, waarvoor zij van verdachte nog 700 euro extra zou krijgen. Verdachte zei vervolgens tegen aangeefster dat hij dat geldbedrag nog moest halen maar is niet meer teruggekomen en aangeefster heeft geen geld gekregen. Hof heeft kennelijk geoordeeld dat geen sprake was van situatie zoals hiervoor bedoeld, waarin beoogd slachtoffer gelet op i.h.a. in maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid onjuiste voorstelling van zaken had moeten doorzien. Dat oordeel is niet z.m. begrijpelijk in het licht van wat hof heeft vastgesteld over aard van in bewezenverklaring bedoelde mededelingen en context waarin deze zijn gedaan, waaruit o.m. naar voren komt dat aangeefster ermee bekend was dat alle handelingen van verdachte erop waren gericht apparatuur uit winkels te verkrijgen zonder daarvoor (volledig) te betalen en dat verdachte haar had toegezegd dat haar naam uit systemen van providers zou worden verwijderd ondanks verstrekking van gratis telefoons en afsluiting van telefoonabonnementen. Gelet hierop is bewezenverklaring van oplichting onvoldoende gemotiveerd. HR zal om doelmatigheidsredenen verdachte t.z.v. dit feit vrijspreken. Daardoor wordt aard en ernst van hetgeen in bestreden uitspraak overigens ten laste van verdachte is bewezenverklaard niet aangetast, zodat vernietiging t.z.v. oplegging van in arrest vermelde gevangenisstraf van 26 maanden op deze grond achterwege kan blijven. Ad 2. HR ambtshalve: Hof heeft verdachte verplichting opgelegd om aan Staat ten behoeve van in arrest genoemd slachtoffer in arrest vermeld bedrag te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door in arrest genoemd aantal dagen hechtenis. HR zal ’s hofs uitspraak ambtshalve vernietigen v.zv. daarbij vervangende hechtenis is toegepast overeenkomstig hetgeen is beslist in ECLI:NL:HR:2020:914. HR bepaalt dat met toepassing van art. 6:4:20 Sv gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 18/01059
Zitting 11 februari 2020
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,
hierna: de verdachte.
1. De verdachte is bij arrest van 23 februari 2018 door het gerechtshof Amsterdam wegens het onder 1 primair, 3, 4 primair en 5 primair bewezenverklaarde telkens “medeplegen van afpersing” en het onder 6 bewezenverklaarde “oplichting”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 26 maanden, met aftrek. Daarnaast heeft het hof beslissingen genomen over inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, een en ander zoals in het bestreden arrest vermeld. Verder heeft het hof de vorderingen van twee benadeelde partijen (gedeeltelijk) toegewezen tot de in het arrest genoemde bedragen en aan de verdachte voor diezelfde bedragen schadevergoedingsmaatregelen opgelegd. Tot slot heeft het hof de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling toegewezen en gelast dat de gedeelten van twee eerder opgelegde vrijheidsstraffen die als gevolg van de toepassing van de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling niet ten uitvoer zijn gelegd, alsnog geheel worden ondergaan.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. I.A. van Straalen, advocaat te 's-Gravenhage, heeft zeven middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het gaat om het volgende. De verdachte wordt vervolgd voor het afpersen/oplichten van jonge vrouwen door samen met ene [betrokkene 1] hen te bewegen om (op afbetaling) mobiele telefoons aan te schaffen en op hun eigen naam telefoonabonnementen af te sluiten, en om (op afbetaling) een MacBook Pro aan te schaffen. De verdachte en/of zijn mededader namen de telefoons en/of laptop successievelijk in. De zaak kreeg landelijke aandacht door een uitzending van het tv-programma Tros Opgelicht van 29 maart 2016, waarin de handelwijze van de verdachte en [betrokkene 1] aan de kaak werd gesteld.
4. Alle zeven middelen behelzen motiveringsklachten over de bewijsvoering, waarin veel herhaling valt te bespeuren. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“1 primair:
hij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2015 tot en met 8 oktober 2015, in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van meerdere mobiele telefoons en een laptop, toebehorende aan [slachtoffer 1] , en tot het aangaan van meerdere schulden, te weten het afsluiten van telefoonabonnementen en het treffen van een afbetalingsregeling voor de aanschaf van een MacBook Pro Retina laptop,
welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte, en/of diens mededader
tegen die [slachtoffer 1] heeft/hebben gezegd "Ik weet precies waar je woont. Ik weet alles over je vrienden. Als je met meewerkt kom ik naar je toe en doe ik je vrienden wat aan"
en tegen die [slachtoffer 1] heeft/hebben gezegd "Je komt nu naar Amsterdam en gaat abonnementen afsluiten voor mij. Ik ken mensen en ik weet waar je woont. Als je niet meewerkt blijf ik je opbellen En als je niet meewerkt pak ik je vrienden"
en tegen die [slachtoffer 1] heeft/hebben gezegd "Je moet vier abonnementen afsluiten anders laat ik je niet gaan"
en met die [slachtoffer 1] is/zijn meegelopen naar een Vodafone winkel en aldaar buiten op die [slachtoffer 1] heeft/hebben gewacht;
en aldus een voor die [slachtoffer 1] bedreigende situatie heeft/hebben geschapen;
3:
hij op 21 oktober 2015, te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een mobiele telefoon en een laptop, toebehorende aan [slachtoffer 2] en tot het aangaan van meerdere schulden, te weten het afsluiten van telefoonabonnementen en het treffen van een lening voor de aanschaf van een MacBook Pro Retina 13 laptop,
welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte, en/of diens mededader
heeft/hebben gezegd: "Ik heb een mes en ook nog geweren. U doet wat ik zeg en ik ben tot veel in staat"
en tegen die [slachtoffer 2] heeft/hebben gezegd "Je moet geen spelletjes met mij spelen. Je moet meewerken met mij. Ik heb een geweer waarmee ik je ook wat kan aandoen in de winkel Ik ben niet alleen er zijn meer mensen met wie ik samenwerk"
en tegen die [slachtoffer 2] heeft/hebben gezegd "Je ziet wel niemand ontkomt mij"
en tegen die [slachtoffer 2] heeft/hebben gezegd "Mensen komen nooit meer van ons af”
althans woorden van gelijke dreigende strekking en aldus een voor die [slachtoffer 2] bedreigende situatie heeft/hebben geschapen;
4 primair:
hij op 22 oktober 2015 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 3] heeft gedwongen tot de afgifte van een of meerdere mobiele telefoons en een laptop toebehorende aan [slachtoffer 3] , en tot het aangaan van een of meerdere schulden, te weten het afsluiten van telefoonabonnementen, en het treffen van een afbetalingsregeling voor de aanschaf van een MacBook Pro laptop
welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte, en/of diens mededader,
tegen die [slachtoffer 3] heeft/hebben gezegd dat zij telefoonabonnementen moest afsluiten en tegen die [slachtoffer 3] heeft/hebben gezegd dat hij/zij wist(en) wie haar vriend was en waar zij ( [slachtoffer 3] ) en haar ouders woonden
en tegen die [slachtoffer 3] heeft/hebben gezegd dat als zij niet zou meewerken hij een mannetje naar haar ouders zou sturen
en die [slachtoffer 3] heeft/hebben gezegd "Als je het niet doet dan weet ik je te vinden"
en aldus een voor die [slachtoffer 3] bedreigende situatie heeft/hebben geschapen;
5 primair:
hij op 26 oktober 2015 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 4] heeft gedwongen tot de afgifte van meerdere mobiele telefoons, toebehorende aan [slachtoffer 4] , en tot het aangaan van meerdere schulden, te weten het afsluiten van meerdere telefoonabonnementen,
welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij verdachte en/of diens mededader
tegen die [slachtoffer 4] heeft/hebben gezegd dat zij telefoonabonnementen moest afsluiten
en tegen die [slachtoffer 4] heeft/hebben gezegd "Maar meisje vertel dit tegen niemand want de consequentie hiervan dat wil jij niet weten. Je familie zou dit ook niet willen weten, want we weten waar je woont en weten datje ouders een eigen bedrijf hebben en waar dat is dus schatje maak geen grapjes met ons en werk gewoon mee"
en tegen die [slachtoffer 4] heeft/hebben gezegd "Maak geen grapjes meid want ik weet waar je familie woont en dan zullen ze het wel voelen"
en buiten een KPN winkel op die [slachtoffer 4] heeft/hebben gewacht
en die [slachtoffer 4] heel doordringend heeft/hebben aangekeken en tegen die [slachtoffer 4] heeft/hebben gezegd "Meisje geen grapjes, je weet wat we net gezegd hebben"
althans telkens woorden van gelijke dreigende aard/strekking, en aldus een voor die [slachtoffer 4] bedreigende situatie heeft/hebben geschapen”
5. De bewezenverklaring steunt op 35 bewijsmiddelen, weergegeven in het bestreden arrest op de pagina’s 13 tot en met 44. Gemakshalve verwijs ik daarnaar.
6. In respons op bewijsverweren heeft het hof in het bestreden arrest bovendien de volgende bewijsmotivering opgenomen (p. 10-13):
“Bespreking van verweren
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep integrale vrijspraak bepleit en heeft daartoe het volgende aangevoerd.
a) De verklaringen met betrekking tot de afpersingen zijn ongeloofwaardig en onbetrouwbaar en dienen van het bewijs te worden uitgesloten. De aangeefsters hebben immers een motief om in strijd met de waarheid te verklaren dat zij onder dwang hebben gehandeld; alleen op die manier komen zij mogelijk nog onder de door hen afgesloten contracten uit.
b) Ten aanzien van [slachtoffer 1] (feit 1 primair)
De stelling dat [slachtoffer 1] bedreigd zou zijn, blijkt enkel uit haar verklaring en de modus operandi is niet identificerend. Bovendien verschilt de wijze waarop met [slachtoffer 1] contact is gelegd aanzienlijk van de verklaringen van de overige aangeefsters. De betrokkenheid van de verdachte kan dus (ook) niet door middel van schakelbewijs worden aangetoond en er is geen ander bewijs waaruit blijkt dat [slachtoffer 1] is afgeperst.
Daarnaast heeft [slachtoffer 1] verklaard alleen contact te hebben gehad met de medeverdachte en niet met iemand anders. De Rechtbank heeft de betrokkenheid van de verdachte bij dit feit geconstrueerd aan de hand van telefoonnummers. Er is echter geen (dwingend) bewijs dat de verdachte (op enig moment) de gebruiker is geweest van het nummer eindigend op * [001] . Geconcludeerd wordt dat de verdachte de gebruiker is van het nummer eindigend op * [001] , één van de telefoonnummers behorend bij de abonnementen die [slachtoffer 1] heeft afgesloten. Het nummer * [001] is in een telefoon geplaatst waaraan eerder het telefoonnummer was gekoppeld waarmee [slachtoffer 1] , volgens de Rechtbank “door (..) één van de daders van de oplichting” op 8 oktober 2015 is gebeld. Deze overweging is feitelijk onjuist nu [slachtoffer 1] slechts over één dader heeft verklaard, het is een en dezelfde persoon die zij telefonisch spreekt en die zij ontmoet.
Indien wordt aangenomen dat het telefoonnummer * [001] wel bij de verdachte in gebruik is geweest, is die enkele conclusie niet dragend voor de aanname dat hij voordien de betreffende telefoon met dat eerdere nummer in gebruik had, met name niet nu [slachtoffer 1] verklaart slechts met één persoon, te weten de medeverdachte contact te hebben gehad.
Uit het onderzoek is verder gebleken dat met een nummer dat toebehoort aan [betrokkene 2] is gebeld met het nummer van [slachtoffer 1] . [betrokkene 2] is daar niet over gehoord. Van belang hierbij is echter, net als met betrekking tot alle andere nummers die contact hebben gehad met het nummer van [slachtoffer 1] , dat [slachtoffer 1] verklaart dat het steeds ‘ [betrokkene 3] ” was. Op basis van de verklaring van [slachtoffer 1] is er geen enkele aanleiding om te veronderstellen dat zij nog door een ander is gebeld, en dus ook niet dat de verdachte haar heeft gebeld.
De conclusie behoort dan te zijn dat “ [betrokkene 3] ” kennelijk eerder die telefoon in gebruik heeft gehad. Dat is in ieder geval meer aannemelijk dan het scenario dat de verdachte de gebruiker was van dat eerdere nummer, nu dat scenario slechts speculatief van aard is en niet door enig bewijs wordt gestaafd.
Daarbij kan - indien het voorgaande wordt gepasseerd - het voeren van enkele telefonische contacten niet dragend zijn voor het aannemen van medeplegen, te meer niet nu de inhoud van de betreffende gesprekken ongewis is. Andere scenario’s, bijvoorbeeld waarbij de gebruiker van dat nummer de verdachte belt op het nummer van [betrokkene 2] , zijn evenmin uit te sluiten.
c) Ten aanzien van [slachtoffer 2] (feit 3)
[slachtoffer 2] heeft steeds contact gehad met één persoon en heeft de medeverdachte herkend. Bij gebreke aan het dwingende bewijs dat de verdachte de gebruiker is van de * [001] , dient tot vrijspraak te worden gekomen van het medeplegen.
d) Ten aanzien van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] (feit 4 primair en 5 primair)
[betrokkene 4] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] hebben de verdachte niet herkend als één van de daders. De auto van [betrokkene 2] wordt gezien maar [betrokkene 2] is daar niet naar bevraagd en het aannemen dat de verdachte toen en daar gebruik maakte van die auto is speculatief van aard nu dat nergens uit blijkt. Indien ook niet gekomen wordt tot het bewijs dat de verdachte de gebruiker - met uitsluiting van anderen - was van het telefoonnummer eindigend op * [001] , ontbreekt ook hier het bewijs van zijn betrokkenheid.
e) Ten aanzien van [betrokkene 5] (feit 6)
[betrokkene 5] stelt dat haar gezegd is dat er iemand was die, na het verkrijgen van de mobiele telefoons en de laptops, haar naam uit de systemen van de providers zou verwijderen. Zij wist derhalve dat zij een bijdrage zou leveren aan de oplichting van de providers en dat zij derhalve een strafbaar feit pleegde. Onder die omstandigheden kan men niet betogen dat de gedane mededeling zodanig vertrouwenwekkend was dat men daarop zou kunnen vertrouwen, zeker niet indien men daarbij de in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid betrekt. Zij verklaart voorts nergens dat zij door die voorstelling van zaken bewogen is tot het afsluiten van abonnementen. Haar is voorgehouden dat zij geld hiervoor zou krijgen en zij heeft ook daadwerkelijk geld, te weten € 500, hiervoor gekregen. Dat er nog van een bedrag van € 700 werd gesproken moge zo zijn, maar [betrokkene 5] heeft het bedrag gekregen dat was afgesproken. Dit betekent dat het samenweefsel van verdichtsels alleen bestaat uit de mededeling dat de abonnementen uit het systeem zouden worden verwijderd. Een enkele mededeling die in strijd met de waarheid is, levert geen samenweefsel van verdichtsels op.
Het hof verwerpt de verweren en overweegt daartoe als volgt.
Ad a) In hetgeen de raadsman heeft aangevoerd en ook overigens ziet het hof geen aanleiding om de verklaringen van de aangeefsters van het bewijs uit te sluiten. Het hof acht de verklaringen van de aangeefsters betrouwbaar en geloofwaardig. In dit verband is van belang dat de verklaringen passen in het beeld dat naar voren komt uit de uitzending van Avrotros Opgelicht/Tros Opgelicht waarin de verdachte en de medeverdachte [betrokkene 1] te zien zijn tijdens hun praktijken, die overeenkomen met hetgeen de aangeefsters is overkomen. Verder ondersteunen de verklaringen van aangeefsters elkaar onderling. Dat [slachtoffer 2] aanvankelijk niet volledig naar waarheid verklaard heeft, maakt dat niet anders. Het handelen van de verdachte en de medeverdachte vormen een identificerende modus operandi, waarbij kwetsbare vrouwen het doelwit worden van het handelen van de daders en (met uitzondering van [betrokkene 5] ) ermee bedreigd worden dat als zij niet meewerken hun vrienden en/of familie iets aangedaan zal worden.
Ad b) Anders dan de raadsman is het hof van oordeel, zoals reeds overwogen, dat wel degelijk sprake is van een identificerende modus operandi, zodat de verklaring van [slachtoffer 1] dat zij bedreigd is, ondersteuning vindt in de verklaringen van [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] ten aanzien van de bedreigingen.
Ten aanzien van hetgeen overigens is aangevoerd geldt het volgende.
De aangeefster [slachtoffer 1] heeft [betrokkene 1] herkend in de uitzending van tv-programma Tros Opgelicht. Uit het dossier blijkt dat [betrokkene 1] de medeverdachte [betrokkene 1] is.
De verdachte kan met de afpersing in verband worden gebracht door middel van telefoonnummer [001] (hierna: * [001] ). Dit telefoonnummer hoort bij een van de abonnementen die de aangeefster [slachtoffer 1] op 8 oktober 2015 heeft moeten afsluiten. Dit nummer is vanaf 8 oktober 2015 om 21.11 uur gebruikt in een toestel waarmee aangeefster [slachtoffer 1] op 8 oktober 2015 een aantal keren was gebeld door één van de daders van de afpersing. Dit telefoonnummer * [001] blijkt voorts meerdere malen uit te peilen nabij het woonadres van de verdachte aan de [a-straat] te [plaats] . Op 14, 22 en 24 oktober 2015 heeft dit telefoonnummer contact gehad met telefoonnummer [002] dat op naam staat van [betrokkene 2] , de vriendin van de verdachte. Dat [betrokkene 2] zijn vriendin is, heeft de verdachte ook niet ontkend. Voorts peilt dit telefoonnummer op 26 oktober 2015 in De Meern uit. Op die dag zijn [slachtoffer 4] en [betrokkene 4] door de twee daders in een witte Peugeot met kenteken [kenteken] opgehaald. Die auto staat op naam staat van [betrokkene 2] , de vriendin van de verdachte. Daarnaast kan de verdachte in verband worden gebracht met de afpersing door middel van telefoonnummer [003] . Dit is het telefoonnummer dat ‘ [betrokkene 3] ’ tijdens het uitgaan aan [slachtoffer 1] heeft gegeven, en is hetzelfde telefoonnummer waarmee de aangeefster [betrokkene 5] contact heeft gehad. [betrokkene 5] heeft de dader van de oplichting als de [verdachte] van Tros Opgelicht herkend. Die [verdachte] blijkt [verdachte] te zijn.
Het hof is, gelet op dit alles, van oordeel dat [slachtoffer 1] telefonisch contact heeft gehad met [verdachte] en [betrokkene 1] heeft ontmoet. De verdachte heeft zich aldus schuldig gemaakt aan het medeplegen van afpersing.
Ad c) [slachtoffer 2] heeft contact gehad met telefoonnummer * [001] . Het hof is, zoals reeds overwogen, van oordeel dat de verdachte kan worden aangemerkt als de gebruiker van telefoonnummer * [001] . Dat [slachtoffer 2] de medeverdachte heeft herkend doet hier niet aan af. Zij heeft kennelijk telefonisch contact gehad met de verdachte en de medeverdachte ontmoet. Het hof is van oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van afpersing.
Ad d) [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] hadden contact met een dader die het telefoonnummer * [001] gebruikte. De verdachte kan als gebruiker van dat telefoonnummer worden aangemerkt. [slachtoffer 4] en [betrokkene 4] zijn op 26 oktober 2015 in De Meern door de daders opgehaald in een witte Peugeot met kenteken [kenteken] , die op naam staat van [betrokkene 2] , de vriendin van de verdachte. Het telefoonnummer [001] peilde toen uit in De Meern. Het hof leidt hieruit af dat de verdachte één van de daders is. Dat [betrokkene 4] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] de verdachte niet hebben herkend en [betrokkene 2] niet is bevraagd over wie haar auto gebruikte, doet daar niet aan af.
Zowel [slachtoffer 3] als [slachtoffer 4] zijn via [betrokkene 4] in contact gekomen met de daders. Het hof gaat, gelet op hun verklaringen, ervan uit dat dezelfde daders betrokken zijn geweest bij de afpersingen van zowel [slachtoffer 3] als [slachtoffer 4] .
[slachtoffer 4] heeft bij het kijken van de uitzending van ‘avros tros opgelicht’ [betrokkene 1] herkend. Uit het dossier blijkt dat [betrokkene 1] de medeverdachte [betrokkene 1] is.
Gelet op het voorafgaande is het hof van oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van afpersing van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] .
Ad e) De aangeefster [betrokkene 5] had contact met ene “ [betrokkene 6] ”. Haar is voorgehouden dat een zwager van “ [betrokkene 6] ” als leidinggevende op een hoofdkantoor werkte dat met alle providers samenwerkte en dat hij, vanwege zijn functie, abonnementen uit het systeem zou kunnen halen. Aldus zou zij een abonnement af kunnen sluiten waarbij je een gratis telefoon krijgt. Vervolgens zou het abonnement uit het systeem worden verwijderd zodat er niets op haar naam zou blijven staan. Voorts is [betrokkene 5] voorgehouden dat zij € 700 extra zou krijgen voor het kopen op afbetaling van een Macbook. Dit geld heeft zij echter niet gekregen. Er is aldus sprake geweest van een samenweefsel van verdichtsels en niet van een enkele onjuiste mededeling zoals door de raadsman gesteld. [betrokkene 5] heeft verklaard dat zij op 19 september (het hof begrijpt: 2015) met “ [betrokkene 6] ” had afgesproken bij de Jumbo aan de [b-straat 1] te Haarlem. De politie heeft de camerabeelden gericht op de in/-uitgang van de Jumbo bekeken en heeft geconcludeerd dat NN 1, wat betreft uiterlijke kenmerken grote overeenkomsten met de verdachte vertoont. Voorts heeft de politie contact opgenomen met [betrokkene 5] en gevraagd of zij de uitzending van et tv-programma Tros Opgelicht van 29 maart 2016 heeft gezien, hetgeen het geval bleek te zijn. [betrokkene 5] gaf aan één van de jongens op de beelden te herkennen als zijnde de persoon die haar telefoonabonnementen had laten afsluiten op 19 september 2015. Zij heeft verklaard kort samengevat:
[...] Ik herken die ene jongen, die [verdachte] . Dat is de jongen die mij ook telefoonabonnementen heeft laten afsluiten. Ik weet het 99% zeker. Hij heeft exact dezelfde stem en hetzelfde uiterlijk. [...]”. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de oplichting van [betrokkene 5].”
7. Het eerste middel klaagt dat het hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft gebruikgemaakt van schakelbewijs voor de bewezenverklaring van de feiten 1 primair, 3, 4 primair en 5 primair.
8. Volgens de steller van het middel berust elk van de voornoemde bewezenverklaringen op een schakelbewijsconstructie, zonder toepassing waarvan de aangiftes alleen staan. Wat betreft de bedreiging met geweld ondersteunt geen enkel ander bewijsmiddel dat onderdeel van de tenlastelegging, aldus de klacht.
9. De toelichting op het middel maakt onder verwijzing naar jurisprudentie van de Hoge Raad en een conclusie van mijn ambtgenoot Hofstee een principiële kwestie van het gebruik van schakelbewijs in de bewijsvoering en wijst op de beperkingen die aan deze bewijsconstructie zouden kleven. Daarover eerst het volgende.
10. ‘ ‘Schakelbewijs’ is de naam voor een categorie van bewijsconstructies die berusten op het vergelijken van onderscheidende kenmerken van een delict met die van een of meer andere delicten. Bijvoorbeeld vindt een vergelijking plaats van de modus operandi van de delicten, dat wil zeggen: de wijze waarop het delict is uitgevoerd.1.Het resultaat van zo’n vergelijking kan zijn dat er op dit punt opvallende gelijkenissen tussen bepaalde delicten worden waargenomen. De vraag rijst dan of dat toevallig is, of dat er een verband is tussen deze delicten doordat zij zijn begaan door dezelfde dader(groep). Wanneer de variatie in een bepaald gedragspatroon tussen verschillende personen (de interindividuele variatie) voldoende groot is, en de variatie in dat gedragspatroon van één persoon (de intra-individuele variatie) voldoende klein is, kan een bepaald gedragspatroon onderscheidend zijn voor een individu ten opzichte van andere individuen.2.Indien de aangevers van verschillende delicten in hun beschrijving van de toedracht van die delicten (onafhankelijk van elkaar) overeenkomstige melding maken van een dergelijk kenmerkend gedragspatroon, kunnen de bedoelde gelijkenissen in een bepaalde mate beter worden verklaard wanneer wordt aangenomen dat deze delicten door een en hetzelfde individu zijn begaan dan wanneer wordt aangenomen dat zij door verschillende individuen zijn begaan en de gelijkenissen (dus) louter op toeval berusten. Indien bovendien op bepaalde feitelijke gronden mag worden aangenomen dat het eerstbedoelde ene individu de verdachte betreft, mag de rechter die verhoogde kans ten bezware van de verdachte in aanmerking nemen bij de bewijsvoering voor de desbetreffende delicten. Waar het bij schakelbewijs met name om gaat is dat de rechter in dat geval bewijsmateriaal voor een van die delicten ook mag gebruiken als indirect bewijs voor bepaalde bestanddelen van de andere delicten. Dat heet ‘schakelen’.
11. Hiervoor werd een onderscheidend ‘gedragspatroon’ bij het begaan van twee of meer delicten (een kenmerkende modus operandi) tot voorbeeld genomen. Dit gedragsaspect is voor het gebruik van schakelbewijs evenwel inwisselbaar voor iedere specifieke omstandigheid waarvan de constatering bij twee of meer verschillende delicten invloed heeft op de kans dat die delicten door hetzelfde individu zijn begaan. Schakelen komt dus mogelijk voor toepassing in aanmerking wanneer bij de vergelijking van delicten specifieke, onderscheidende overeenkomsten worden waargenomen, terwijl significante verschillen ontbreken, ten aanzien van de plaats en/of het tijdstip van de delicten (bijvoorbeeld twee inbraken kort na elkaar in buurpanden), het object van het delict, en het instrument van het delict, maar ook bij overeenkomstig bewijsmateriaal ten aanzien van bijvoorbeeld handschrift, taalgebruik, locatiegegevens van een mobiel toestel, enzovoort.3.
12. Het voorgaande spreekt meer voor zich ingeval de signalementen van de dader die door de aangevers van verschillende delicten zijn opgegeven over en weer corresponderen en voldoende kenmerkend zijn voor één individu, of indien forensisch-technische (of andere) sporen die bij het onderzoek naar verschillende delicten zijn veiliggesteld onderling corresponderen en voldoende kenmerkend zijn voor één individu. Te denken valt aan het (fictieve) geval waarin in een korte periode op diverse locaties in het land ’s nachts inbraken in Apple-stores worden gepleegd, en iedere keer wordt op het tijdstip van de inbraak in de omgeving van de PD dezelfde mobiele telefoon gepeild, niet toebehorend aan een veiligheidsmanager van Apple. Illustratief kan ook het geval zijn waarin het slachtoffer van verschillende delicten telkens dezelfde persoon betreft. Een vrouw wordt bijvoorbeeld door een (vooralsnog) onbekende man lastiggevallen over de telefoon, terwijl in diezelfde periode haar werkgever door een onbekende man wordt benaderd met lasterlijke informatie over haar. Of het geval waarin in een betrekkelijk korte periode tweemaal wordt ingebroken in dezelfde woning, vermoedelijk om de spullen die na de eerste inbraak ter vervanging van de buit zijn aangeschaft ook weer weg te nemen, geen ongebruikelijk fenomeen onder criminelen.
13. Verwarrend is in zoverre wel de overweging van de Hoge Raad in HR 12 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3118, NJ 2018/84, over schakelbewijs, te weten: “Daarbij is ten minste vereist dat de wijze waarop de onderscheidene feiten zijn begaan op essentiële punten overeenkomt.” Naar mijn inzicht heeft de Hoge Raad hiermee echter niet tot uitdrukking willen brengen dat schakelen van bewijsmateriaal uitsluitend mogelijk is bij gelijkenissen in ‘de wijze waarop de onderscheidene feiten zijn begaan’ (de modus operandi), maar wel dat in dát geval de modus operandi ten minste ‘op essentiële punten overeenkomt’. Duidelijker is HR 15 november 2011, ECLI:NL:PHR:2011:BQ8600, NJ 2012/279. Daarin betrok de Hoge Raad bij de beoordeling van de begrijpelijkheid van de bewijsvoering niet alleen de modus operandi, maar tevens de overeenkomsten in het signalement en de woonplaats van de dader, en de (overeenstemmende) inhoud van hetgeen de dader aan twee verschillende slachtoffers had meegedeeld.4.In HR 1 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1455, NJ 2019/467, rov. 3.3.2, accordeerde de Hoge Raad het oordeel van het hof dat voor het bewijs redengevend is de overeenkomsten tussen de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan, hetgeen een ruimer begrip is dan alleen de wijze waarop de feiten zijn begaan. Terzijde laat de Hoge Raad in die uitspraak – m.i. terecht – weten dat schakelbewijs ook van betekenis kan zijn voor de vraag of er überhaupt delicten zijn begaan.5.
14. Ik zie in deze jurisprudentie bevestiging van mijn hierboven ingenomen standpunt over de toepassing van schakelbewijs. De kernvraag daarbij is dus steeds of bij de vergelijking van verschillende delicten specifieke, kenmerkende overeenkomsten worden waargenomen die – ook met inachtneming van de waargenomen verschillen – in voldoende mate beter worden verklaard wanneer wordt aangenomen dat deze delicten door hetzelfde individu zijn begaan dan wanneer wordt aangenomen dat zij door verschillende individuen zijn begaan en de waargenomen overeenkomsten louter op toeval berusten. Zo ja, dan mag de feitenrechter dat gegeven betrekken in zijn bewijsoordelen over de desbetreffende delicten, en bewijsmateriaal voor het ene delict voor zover relevant als circumstantial evidence gebruiken voor de bewijsvoering van een ander delict. Dat betreft geen rechtsvraag, maar de toepassing van probabilistische logica in de bewijsvoering, die zich in cassatie leent voor toetsing op haar begrijpelijkheid. In beginsel kan bij de beantwoording van deze vraag elke vorm van betrouwbare informatie over delicten (‘elke omstandigheid’) in aanmerking worden genomen.
15. Terug naar de klachten van het eerste middel. Voor zover zij het voorgaande miskennen, falen zij.
16. Als ik het goed begrijp klaagt het middel bovendien over het ontbreken van voldoende kenmerkende gelijkenissen op het punt van de bedreiging met geweld.
17. Het hof heeft de handelwijze “waarbij kwetsbare vrouwen het doelwit worden van het handelen van de daders en (met uitzondering van [betrokkene 5] ) ermee bedreigd worden dat als zij niet meewerken hun vrienden en/of familie iets aangedaan zal worden” ‘identificerend’ geacht. Aldus geformuleerd hebben de desbetreffende delicten kenmerken gemeenschappelijk die m.i. kunnen bijdragen aan het oordeel dat deze delicten door dezelfde dader(s) zijn begaan. Daarvoor hoeven die gemeenschappelijke kenmerken niet uniek te zijn. Slechts is vereist dat de bewijsvoering in haar geheel beschouwd in voldoende mate uitsluit dat anderen dan de verdachte en de [betrokkene 1] de tenlastegelegde misdrijven hebben begaan.
18. Ik voeg daaraan toe dat het hof kennelijk ook op andere gronden bewijsmiddelen heeft geschakeld. Dat zijn de door het hof waargenomen overeenkomsten in de persoon van de medeverdachte ( [betrokkene 1] ), het gebruik van voorwerpen (een auto of een mobiel toestel (* [002] )6.) op naam van de vriendin van de verdachte, of het bellen met een door een dader gebruikt toestel náár een telefoonnummer van de vriendin van de verdachte, etc. Niet steeds hoeven de overeenkomende kenmerken aan alle delicten gemeenschappelijk te zijn. ’s Hofs kennelijke oordeel dat het bewijs van de bedreigingen over en weer steun vindt in de verklaringen van de onderscheidene aangeefsters is daarmee niet onbegrijpelijk.
19. Het middel faalt.
20. Het tweede middel klaagt over de bewezenverklaring van het feit onder 1 primair, waarvan [slachtoffer 1] de aangeefster is.
21. Het middel klaagt onder 2.5 dat noch uit de bewijsmiddelen, noch anderszins uit de bewijsconstructie kan volgen dat het telefoonnummer * [001] zou zijn gebruikt in een telefoontoestel waarmee aangeefster [slachtoffer 1] op 8 oktober 2015 een aantal malen zou zijn gebeld.
22. Het hof heeft overwogen, ik herhaal voor het leesgemak:
“De verdachte kan met de afpersing in verband worden gebracht door middel van telefoonnummer [001] (hierna: * [001] ). Dit telefoonnummer hoort bij een van de abonnementen die de aangeefster [slachtoffer 1] op 8 oktober 2015 heeft moeten afsluiten. Dit nummer is vanaf 8 oktober 2015 om 21.11 uur gebruikt in een toestel waarmee aangeefster [slachtoffer 1] op 8 oktober 2015 een aantal keren was gebeld door één van de daders van de afpersing. Dit telefoonnummer * [001] blijkt voorts meerdere malen uit te peilen nabij het woonadres van de verdachte aan de [a-straat] te [plaats] . Op 14, 22 en 24 oktober 2015 heeft dit telefoonnummer contact gehad met telefoonnummer [002] dat op naam staat van [betrokkene 2] , de vriendin van de verdachte. Dat [betrokkene 2] zijn vriendin is, heeft de verdachte ook niet ontkend. Voorts peilt dit telefoonnummer op 26 oktober 2015 in De Meern uit. Op die dag zijn [slachtoffer 4] en [betrokkene 4] door de twee daders in een witte Peugeot met kenteken [kenteken] opgehaald. Die auto staat op naam staat van [betrokkene 2] , de vriendin van de verdachte.”
23. De steller van het middel heeft hier een punt. Het hof heeft overwogen dat het telefoonnummer * [001] “vanaf 8 oktober 2015 om 21.11 uur [is] gebruikt in een toestel waarmee aangeefster [slachtoffer 1] op 8 oktober 2015 een aantal keren was gebeld door één van de daders van de afpersing.” Een voldoende nauwkeurige verwijzing naar het bewijsmiddel dat blijk geeft van deze omstandigheid ontbreekt echter in het bestreden arrest en in de bewijsmiddelencatalogus.
24. Tot cassatie hoeft dit verzuim echter niet te leiden. Uit de gegevens op de bladzijden 2.050 en 2.051 van het proces-verbaal ‘algemeen dossier [...] ’ kan worden opgemaakt dat met behulp van een mobiel telefoontoestel met het telefoonnummer * [004] op 8 oktober 2015 acht keer is gebeld naar *2161, het telefoonnummer van aangeefster [slachtoffer 1] . Tevens heeft [slachtoffer 1] meermalen gebeld naar * [004] . Het toestel waarmee dit telefoonnummer * [004] is gebruikt heeft IMEI-nummer [005] . Vanaf 21.41 uur in de avond van 8 oktober 2015 is het telefoonnummer * [001] in gebruik in het toestel met het genoemde IMEI-nummer.
25. Kortom, de overweging van het hof vindt (vrijwel)7.volledig steun in de genoemde bladzijden van het politiedossier. Met het oog op het bepaalde in artikel 301 lid 4 Sv wijs ik erop dat de advocaat-generaal ter terechtzitting van het hof van 9 februari 2018 voor de wijze waarop telefoonnummer * [001] aan de verdachte kan worden gelinkt heeft verwezen naar het schriftelijk requisitoir in eerste aanleg. Op bladzijde 4 van dat requisitoir zijn de hiervoor genoemde gegevens eveneens (iets korter) weergegeven.
26. Onder 2.6 klaagt het middel over de ontoereikende motivering van het telefonisch contact tussen de verdachte in persoon en [slachtoffer 1] .
27. Deze klacht berust op een verkeerde lezing van het bestreden arrest. Het hof heeft niet geoordeeld dat [slachtoffer 1] via de telefoon heeft gesproken met de verdachte, alleen dat de verdachte met dit nummer in verband kan worden gebracht. Daaruit maak ik op dat het hof inderdaad van oordeel is dat (ook) de verdachte van een mobiel toestel met dit nummer heeft gebruikgemaakt, maar dat niet met voldoende zekerheid mag worden aangenomen dat de verdachte ook degene was die daadwerkelijk telefonisch contact had met de aangeefster [slachtoffer 1] .
28. Onder de randnummers 2.7 tot en met 2.12 klaagt de steller van het middel puntsgewijs over ’s hofs waardering van het bewijsmateriaal, maar verliest daarbij uit het oog dat niet is vereist dat ieder onderdeel van de bewijsconstructie sluitend is; het gaat in alle gevallen om een beschouwing van de bewijsconstructie in z’n geheel met inachtneming van de samenhang tussen bewijsmiddelen. Daarbij maakt de steller van het middel bovendien – onder meer – geen melding van de herkenning van de verdachte door aangeefster [betrokkene 5] (bewijsmiddel 27, feit 6), en de herkenning van de verdachte op de camerabeelden van de Jumbo (bewijsmiddel 28, met betrekking tot feit 6), en evenmin van de herkenning van de verdachte op de beelden van de uitzending van Tros Opgelicht van 29 maart 2016 (bewijsmiddel 34), waarop hij te zien is in samenwerking met [betrokkene 1] die dan weer wordt herkend door [slachtoffer 1] , [slachtoffer 4] en (“niet voor de volle 100%”) [slachtoffer 2] (bewijsmiddel 33), terwijl het voertuig waarvan [slachtoffer 4] en haar vriend (bewijsmiddelen 12 en 13) melding maken (kentekennummer 55JFN2) is gesteld op naam van de vriendin van de verdachte (bewijsmiddel 14) en door de verdachte meermalen is gebruikt (bewijsmiddel 32).
29. Onder de randnummers 2.13 tot en met 2.16 klaagt de steller van het middel over het bewijs van het medeplegen, op de grond dat over de bijdrage van de verdachte niets valt af te leiden uit de bewijsmiddelen. Weliswaar kan uit de aangifte volgen dat de man met wie [slachtoffer 1] van doen had in contact stond met iemand anders, maar niet wie die andere persoon was en wat zijn bijdrage aan het delict is geweest.
30. Naar mijn inzicht heeft het hof uit de bewijsmiddelen kunnen afleiden dat de verdachte in alle bewezenverklaarde gevallen een – intellectuele en/of materiële – bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan de verwezenlijking van een gezamenlijk (misdadig) doel. In het bijzonder was de verdachte volgens de vaststellingen van het hof telkens aanwezig bij de uitvoering van de delicten en/of was hij bij de uitvoering van het delict telefonisch in overleg met [betrokkene 1] . Er is geen reden om aan te nemen dat dit anders was in het geval van het onder 1 bewezenverklaarde. De omstandigheden zijn dus symptomatisch voor een voldoende gewichtige betrokkenheid van de verdachte. Het hof mocht er – ook – in dit verband bovendien op wijzen dat de “verdachte heeft nagelaten een aannemelijke verklaring te geven voor de hiervoor weergegeven omstandigheden.”8.
31. Het middel kan niet slagen.
32. Onder verwijzing naar de unus testis-regel van artikel 342 lid 2 Sv klaagt het derde middel over het gebrek aan wettig bewijs voor de onder 1 primair bewezenverklaarde afpersing van een laptop.
33. In de toelichting op het middel wordt benadrukt dat het bewijs van de afpersing van de laptop alleen berust op de aangifte van [slachtoffer 1] en dat geen enkel ander bewijsmiddel de afpersing van de laptop ondersteunt.
34. Ik volg de steller van het middel hierin niet. De regel van artikel 342 lid 2 Sv wordt nageleefd indien een alleenstaande getuigenverklaring in voldoende mate steun vindt in schakelbewijs.9.Dat geval doet zich hier voor. Het feit onder 1 primair heeft gemeenschappelijk met de feiten die zijn bewezenverklaard onder 3, 4 primair en 6 dat de daders telkens van hun jonge vrouwelijke slachtoffers verlangden dat zij in vervolg op de aanschaf van mobiele telefoons en het afsluiten van drie, vier of vijf telefoonabonnementen ook nog bij de Mediamarkt op krediet een laptop zouden kopen. Telkens moesten de slachtoffers de aldus door hen verkregen mobiele telefoons en laptop afgeven. Daarbij hadden de daders een duidelijke voorkeur voor producten van Apple; de laptop betrof telkens een MacBook Pro. Het oordeel van het hof dat de aangifte van afpersing (feit 1) voldoende steun vindt in de aangiftes van de onder 3, 4 primair en 6 bewezenverklaarde feiten, acht ik dus niet onbegrijpelijk.
35. Het middel deelt het lot van de twee voorgaande middelen.
36. Onder verwijzing naar de unus testis-regel klaagt het vierde middel over het gebrek aan wettig bewijs voor de onder 3 bewezenverklaarde afpersing.
37. Het middel faalt op mutatis mutandis dezelfde gronden als het vorige middel.
38. Het vijfde middel klaagt over de tekortkomingen in de bewijsmotivering van de bewezenverklaring van het feit onder 3.
39. De toelichting op het middel is mutatis mutandis vrijwel identiek aan die op het tweede middel. Dat geldt ook voor mijn standpunt. Het middel faalt op dezelfde gronden als waarop het tweede middel faalt.
40. Het zesde middel klaagt over de bewezenverklaring van het medeplegen van de feiten 4 primair en 5 primair (betreffende de aangeefsters [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] ).
41. Ook in de toelichting op dit middel brengt de steller ervan (mutatis mutandis) argumenten naar voren die hierboven onder het tweede middel reeds zijn besproken, en op gelijke gronden niet opgaan. Wat betreft de tegenstrijdigheid die de steller van het middel bespeurt in de verklaring van [betrokkene 4] (bewijsmiddel 7), over de door haar genoemde man 1, man 2 en man 3, merk ik op dat deze verklaring ook een andere uitleg toelaat, namelijk een aanwijzing voor de betrokkenheid van nog een derde persoon, die de bewijsvoering tegen de verdachte op zichzelf nog niet onbegrijpelijk maakt.
42. Het middel faalt.
43. Het zevende middel klaagt over (de motivering van) de bewezenverklaring van het feit onder 6, de oplichting waarvan [betrokkene 5] aangifte heeft gedaan.
44. Allereerst klaagt het middel onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 342 lid 2 Sv over het gebrek aan ondersteunend bewijsmateriaal voor de alleenstaande getuigenverklaring van [betrokkene 5] .
45. Deze klacht faalt op de gronden die zijn genoemd bij de bespreking van het derde middel. Dat het delict onder 6 is gekwalificeerd als ‘oplichting’, terwijl de overige delicten door het hof zijn bestempeld als gevallen van afpersing, doet daaraan niet af. Ook onder die omstandigheden kan de modus operandi kenmerkende gelijkenissen vertonen die meebrengen dat bewijsmateriaal dat rechtstreeks betrekking heeft op andere delicten de bewijsvoering van de oplichting ondersteunt.
46. Ten slotte klaagt het middel over het bewijs van het bestanddeel ‘samenweefsel van verdichtsels’ dat de aangeefster heeft bewogen tot het aangaan van schulden bestaande uit het afsluiten van telefoonabonnementen en het treffen van een afbetalingsregeling voor een Macbook Pro 15 inch.
47. Voor zover relevant heeft het hof overwogen (ik herhaal):
“De aangeefster [betrokkene 5] had contact met ene “ [betrokkene 6] ”. Haar is voorgehouden dat een zwager van “ [betrokkene 6] ” als leidinggevende op een hoofdkantoor werkte dat met alle providers samenwerkte en dat hij, vanwege zijn functie, abonnementen uit het systeem zou kunnen halen. Aldus zou zij een abonnement af kunnen sluiten waarbij je een gratis telefoon krijgt. Vervolgens zou het abonnement uit het systeem worden verwijderd zodat er niets op haar naam zou blijven staan. Voorts is [betrokkene 5] voorgehouden dat zij € 700 extra zou krijgen voor het kopen op afbetaling van een Macbook. Dit geld heeft zij echter niet gekregen. Er is aldus sprake geweest van een samenweefsel van verdichtsels en niet van een enkele onjuiste mededeling zoals door de raadsman gesteld.”
48. Voor de betekenis van het delictsbestanddeel ‘samenweefsel van verdichtsels’ grijp ik terug op een vervlogen verleden.10.Dit bestanddeel werd door de minister van Justitie, H.J. Smidt, in zijn Oorspronkelijk Regerings-Ontwerp voor een Wetboek van Strafregt toegelicht met de mededeling
“dat hier niet ligtgeloovigheid en onnoozelheid worden in bescherming genomen, maar dat de aaneenschakeling en het onderlinge verband der verdichte feiten en omstandigheden den bedrogene door de kleur der waarheid of waarschijnlijkheid op het dwaalspoor moeten gebragt hebben.”
49. In het verslag van de commissie van rapporteurs van de Tweede Kamer werden bezwaren geuit tegen dit bestanddeel. Het zou te ver zou gaan
“een zamenweefsel van verdichtsels als middel van opligting te erkennen. Tegen onwaarheid alleen moet geen bescherming worden verleend; (…) het publiek behoort daar tegen op zijn hoede te zijn.”
50. Minister Modderman was een ander oordeel toegedaan. Ik citeer uit het Regeringsantwoord:
“Met opzet is gekozen het woord samenweefsel, niet te verwarren met opeenstapeling. Het is niet voldoende dat de eene leugen wordt gestapeld op de andere, maar de eene leugen moet door de andere op zoodanige wijze waarschijnlijk werden gemaakt dat de nadenkende mensch zich daartegen evenmin kan wapenen als tegen andere middelen geschikt om de onwaarheid waarschijnlijk te maken. Zoodanig listig samenweefsel van allerlei onware beweringen is inderdaad in het maatschappelijk verkeer hoogst gevaarlijk.”
51. Ofschoon de commissie van rapporteurs een amendement indiende dat er onder meer toe strekte de woorden “hetzij door een samenweefsel van verdichtsels” te doen vervallen uit het (inmiddels) Gewijzigd Ontwerp hield minister Modderman bij de beraadslagingen in de Tweede Kamer voet bij stuk. Ik citeer hem uit de beraadslagingen:
“(…) dit belet niet dat ik zonder inconsequentie in art. 326 naast listige kunstgrepen daarenboven behoefte heb aan de bijvoeging “zamenweefsel van verdichtsels.”
En waarom? Wij zijn het, geloof ik, allen eens dat een eenvoudige leugen voor het misdrijf van art. 326 niet voldoende mag zijn. Volgens eene oude spreuk komt het regt niet te hulp aan dwazen, maar alleen aan hen, die misleid worden door leugens gekleed in zoodanig omhulsel dat ook de burger van gewone voorzigtigheid de dupe kan worden. De vraag is nu maar, waarin dergelijk omkleedsel kan bestaan? Alleen in een bijkomend feit? Zoo ja, dan ware de uitdrukking “listige kunstgrepen” voldoende. Maar de ervaring heeft maar al te zeer geleerd dat, ook zonder bijkomend feit, de eene leugen met den andere op zóó listige wijze kan worden zamengeweven, dat zij elkander wederkeerig een bedriegelijken schijn van waarheid geven. Zou men nu aan die zamenweving (niet te verwarren met opeenstapeling) den naam van “listige kunstgreep” willen geven? Daartegen zou geen bezwaar bestaan indien de uitdrukking listige kunstgrepen splinternieuw was, zoodat wij haar vrijelijk zouden kunnen interpreteren.
Nu echter die uitdrukking veelal in vrij engen zin pleegde te worden opgevat, nu eischt de voorzigtigheid om van “zamenweefsel" afzonderlijk en uitdrukkelijk melding te maken.
Hoevele opligters zijn niet, wegens de beperkte redactie van art. 405 Code Pénal, door de mazen van het net der justitie heengekropen! Ik meen der Kamer de verzwakking der voorgestelde beteugeling van “opligting” ten stelligste te moeten ontraden.”
52. Het lid van de commissie van rapporteurs De Savornin Lohman verdedigde het amendement tevergeefs. Blijkens uitlatingen van de kamerleden Van der Kaay en Van Nispen tot Sevenaer beschikte Minister Modderman over meer overtuigingskracht. Van der Kaay sloot zich aan bij Modderman en drukte dat uit in bewoordingen die in het huidige tijdsgewricht niet veel (meer) in de Tweede Kamer zullen worden gehoord:
“En nu geloof ik, dat, wanneer in de wet staat: een samenweefsel van leugens, en er wordt eene dergelijke interpretatie naast gegeven, geen regter zich zal vergissen in de beteekenis van die uitdrukking, en durf ik met volle vertrouwen het oordeel aan hem overlaten.”
53. Van Nispen tot Sevenaer liet zich als volgt uit:
“De eene uitdrukking, manoeuvres frauduleuses — listige kunstgrepen — onderstelt altijd eene daad, de andere, samenweefsel van verdichtsels, onderstelt alleen woorden, leugens, maar die door een onderlingen band verbonden zijn, zóó listig aaneengekoppeld en tot onderlingen steun gebezigd, dat zij een mensch van gewone verstandelijke ontwikkeling bedriegen kunnen. Of men nu het bedrog pleegt met behulp van woorden alleen, of ook van daden, doet tot het resultaat niets af; ook met woorden alleen is dit te bereiken. Ik voor mij wil ook niet elke eenvoudige leugen als een strafbaar zamenweefsel beschouwd hebben.
Dit laatste is geheel wat anders, en wanneer dit bestaat, kan ook een mensch van gewone verstandelijke ontwikkeling gemakkelijk bedrogen worden; daarom moet zoodanig verband gebragt zijn tusschen verschillende verhalen en beweringen en omstandigheden, dat dit alles één net vormt, waarin 's menschen gewone voorzigtigheid zich laat vangen.
In het voorbeeld, door den heer van der Hoeven aangehaald, kon welligt nog worden gedacht aan manoeuvres frauduleuses; maar men kan zich andere gevallen voorstellen, waarin geen daad hoegenaamd voorkomt, en alleen de zamenwerking van listig bijgebragte beweringen en verzekeringen de prudentie verschalkt. Omdat door zulk zamenweefsel eene goede intelligentie kan worden in de war gebragt en bedrogen, ben ik voor het behoud der woorden: “samenweefsel van verdichtsels.” ”
54. Het amendement van de commissie van rapporteurs dat strekte tot het doen vervallen van (onder meer) de woorden ‘samenweefsel van verdichtsels’ werd vervolgens met 40 stemmen tegen 10 verworpen. Ook in de Eerste Kamer hield Moddermans Gewijzigd Ontwerp stand.
55. Terug naar het heden. In HR 15 november 2011, ECLI:NL:PHR:2011:BQ8600, NJ 2012/279, overwoog de Hoge Raad:
“Voor het antwoord op de vraag of uit door een verdachte gebezigde leugenachtige mededelingen kan worden afgeleid dat het slachtoffer door een samenweefsel van verdichtsels werd bewogen tot afgifte van een goed, tot het verlenen van een dienst, tot het ter beschikking stellen van gegevens, tot het aangaan van een schuld of tot het teniet doen van een inschuld als bedoeld in art. 326 Sr, komt het aan op alle omstandigheden van het geval. Tot die omstandigheden behoren de vertrouwenwekkende aard, het aantal en de indringendheid van de (geheel of gedeeltelijk) onware mededelingen in hun onderlinge samenhang, de mate waarin de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid degene tot wie de mededelingen zijn gericht aanleiding had moeten geven de onwaarheid te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen en de persoonlijkheid van het slachtoffer.”
56. Over het bestanddeel ‘samenweefsel van verdichtsels’ heeft de Hoge Raad bij arrest van 20 december 2016 overwogen:
“Zo gaat het bij het gebruik van een samenweefsel van verdichtsels in de kern om gesproken en/of geschreven uitingen die bij die ander een op meer dan een enkele leugenachtige mededeling gebaseerde onjuiste voorstelling van zaken in het leven kunnen roepen. Een voorbeeld daarvan was aan de orde in het arrest waarin de verdachte investeerders in strijd met de waarheid voorhield dat de geïnvesteerde bedragen zouden worden terugbetaald met een jaarlijkse rente van 18%, terwijl hij noch de intentie had noch in staat was om de afspraken na te komen en hij door hem ondertekende "promissory notes" afgaf teneinde te doen voorkomen dat de door hem gemaakte afspraken waren gegarandeerd. Uit dit voorbeeld blijkt dat van 'meer dan een enkele leugenachtige mededeling' niet slechts sprake kan zijn indien meerdere duidelijk van elkaar te scheiden leugens kunnen worden aangewezen, maar ook indien sprake is van een leugenachtige mededeling van voldoende gewicht, in combinatie met andere aan de verdachte toe te rekenen omstandigheden die tot misleiding van het beoogde slachtoffer kunnen leiden, zoals het misbruik van een tussen de verdachte en het beoogde slachtoffer bestaande vertrouwensrelatie.”11.
57. Uit het voorgaande leid ik voor zover relevant af dat ook een leugenachtige mededeling van voldoende gewicht kan worden aangemerkt als een samenweefsel van verdichtsels, en dat het wat betreft het gewicht van die leugen aankomt op “de vertrouwenwekkende aard, het aantal en de indringendheid van de (geheel of gedeeltelijk) onware mededelingen in hun onderlinge samenhang, de mate waarin de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid degene tot wie de mededelingen zijn gericht aanleiding had moeten geven de onwaarheid te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen en de persoonlijkheid van het slachtoffer.” Daarbij zijn tevens van belang “andere aan de verdachte toe te rekenen omstandigheden die tot misleiding van het beoogde slachtoffer kunnen leiden, zoals het misbruik van een tussen de verdachte en het beoogde slachtoffer bestaande vertrouwensrelatie.”
58. Wat betreft de in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid, wijs ik erop dat de leugen van zodanig gewicht dient te zijn dat ook “de nadenkende mensch” zich daartegen niet kan wapenen. Dat is mogelijk weer anders indien de persoonlijkheid van het slachtoffer of de kwetsbare positie waarin hij of zij verkeert tot een verhoogde mate van bescherming dient te leiden, met name indien de verdachte van een en ander op de hoogte was en van die omstandigheid misbruik heeft gemaakt.
59. In dit licht bezien acht ik de bewijsoverwegingen van het hof echter niet toereikend. De aangeefster [betrokkene 5] had gereageerd op een advertentie op internet van ene [betrokkene 6] , en zij werd vervolgens in een mailbericht van deze [betrokkene 6] voorgehouden “dat een zwager van “ [betrokkene 6] ” als leidinggevende op een hoofdkantoor werkte dat met alle providers samenwerkte en dat hij, vanwege zijn functie, abonnementen uit het systeem zou kunnen halen. Aldus zou zij een abonnement af kunnen sluiten waarbij je een gratis telefoon krijgt.” Het komt mij voor dat dergelijke mededelingen bij de ‘nadenkende mens’ tot argwaan aanleiding hadden moeten geven. Voor niks gaat (alleen) de zon op. Als het te mooi is om waar te zijn, is het dat meestal ook. Dat [betrokkene 5] vanwege haar persoonlijkheid of vanwege een vertrouwensrelatie met de (mede)verdachte rechtens een verhoogde graad van bescherming toekomt, is door het hof niet vastgesteld.
60. In zoverre slaagt het middel.
61. Het zevende middel slaagt. De overige middelen falen en kunnen worden afgedaan met een aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering.
62. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
63. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ten aanzien van de onder 6 tenlastegelegde oplichting en de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan, en met verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 11‑02‑2020
Zie ook mijn conclusie voorafgaand aan HR 15 november 2011, ECLI:NL:PHR:2011:BQ8600, NJ 2012/279.
Spiegelbeeldig is het geval waarin de kans dat twee misdrijven door hetzelfde individu zijn begaan juist kleiner wordt vanwege bepaalde kenmerken van de respectieve delicten, zoals het gegeven dat twee delicten omstreeks hetzelfde tijdstip zijn gepleegd, maar de pleegplaatsen ervan ver uiteen liggen. Het ene delict levert de dader zodoende een alibi voor het andere.
Ik citeer uit HR 15 november 2011, ECLI:NL:PHR:2011:BQ8600, NJ 2012/279: “Dat oordeel geeft niet blijk van miskenning van art. 342, tweede lid, Sv. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk. Daarbij wordt in het bijzonder in aanmerking genomen dat, naar het Hof - niet onbegrijpelijk - heeft vastgesteld, de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep een (grotendeels) bekennende verklaring heeft afgelegd ten aanzien van de feiten 1, 2, 3 en 6, de gehanteerde modus operandi in het geval van [slachtoffer 1] in essentie dezelfde is als de modus operandi in de overige gevallen, de door [slachtoffer 1] gegeven informatie over de verdachte grotendeels gelijkluidend is aan hetgeen de verdachte aan [slachtoffer 2] heeft verklaard, het door [slachtoffer 1] opgegeven signalement van de verdachte op een aantal (essentiële) onderdelen overeenkomt met het signalement van de verdachte, en de onderhavige feiten in de woonplaats van de verdachte zijn begaan. De bewezenverklaringen zijn dan ook toereikend gemotiveerd.”
Denk bijvoorbeeld aan het (fictieve) geval waarin in een periode van een jaar afzonderlijk zes verschillende jonge vrouwen die geen bekenden zijn van elkaar om medisch onduidelijke redenen het leven verliezen, en telkens wordt op de rechterhand van de overledene celmateriaal veiliggesteld met hetzelfde DNA-profiel van een en dezelfde onbekende man. Deze omstandigheid verhoogt de kans dat één onbekende man de hand gehad heeft in het (alsdan: niet-natuurlijke) overlijden van deze vrouwen.
Ik volg in deze conclusie de gewoonte van het hof om van mobiele telefoonnummers alleen de laatste vier cijfers te vermelden, voorafgegaan door een *.
Alleen het tijdstip in de avond van 8 oktober 2015 waarop * [001] actief gebruikt werd in het toestel met het genoemde IMEI-nummer stemt niet geheel overeen (hof: 21.11 uur, pvb: 21.41 uur), maar dat lijkt mij geen relevant verschil.
Zie HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1315, NJ 2016/413, en HR 18 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:967, NJ 2019/264.
Zie HR 26 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP9336, en HR 15 november 2011, ECLI:NL:PHR:2011:BQ8600, NJ 2012/279. Over precies dit onderwerp ging mijn conclusie voorafgaande aan de als tweede genoemde uitspraak. Zie overigens ook HR 21 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2955, NJ 2018/309, en HR 12 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3118, NJ 2018/84.
Voor een belangrijk deel ontleend aan mijn conclusie voor HR 15 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ8600.
HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2889, NJ 2017/157. Zie van diezelfde dag ook ECLI:NL:HR:2016:2892. De Hoge Raad verwijst in dit verband ook naar: HR 6 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF6599, NJ 2003/509, en HR 3 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:200, NJ 2015/147. Meest recent is HR 3 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1878.
Beroepschrift 20‑08‑2018
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Griffienummer: S18/01059
SCHRIFTUUR HOUDENDE MIDDELEN VAN CASSATIE
Van: mr. I. van Straalen
Dossiernummer: D2018178
Inzake: De heer [verzoeker],
geboren op [geboortedatum]-1988, woonachtig [adres] te ([postcode]) [woonplaats], verzoeker tot cassatie van het door het Gerechtshof te Amsterdam op 23 februari 2018 onder nummer 23-002885-16 gewezen arrest.
Middel I
(gebruik schakelbewijs ontoereikend gemotiveerd, leidend tot ontoereikend gemotiveerde bewezenverklaring van de feiten 1 primair, 3, 4 primair en 5 primair)
1.
Het recht is geschonden en/of naleving is verzuimd van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormvoorschriften. Met name zijn geschonden de artikelen 317 Sr en 342, 350, 359 en 415 Sv doordat het hof, gebruikmakend van schakelbewijs, tot een bewezenverklaring is gekomen van de feiten 1 primair, 3, 4 primair, en 5 primair, terwijl het gebruik van dat schakelbewijs ontoereikend is gemotiveerd en de bewezenverklaring van elk van de feiten zonder het bezigen van dat schakelbewijs telkens onvoldoende met redenen is omkleed.
2. Toelichting
2.1
Ten laste van verzoeker heeft het Hof bewezen verklaard (kort gezegd) dat hij zich in een viertal gevallen schuldig zou hebben gemaakt aan het medeplegen van afpersing, door met bedreiging van geweld het slachtoffer tot afgifte te dwingen van telefoons en/of een laptop en/of tot het afsluiten van telefoonabonnementen en/of tot het aangaan van een lening voor de aankoop van een laptop.
2.2
Dat steunt voor wat betreft de bedreiging met geweld per bewezenverklaard feit steeds uitsluitend op de tot bewijs gebezigde aangiften1., die op dat onderdeel door geen enkel ander bewijsmiddel direct worden ondersteund.
2.3
Het hof heeft de bewezenverklaring van afpersing telkens, mede op grond van gevoerde verweren, als volgt gemotiveerd:2.
‘De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep integrale vrijspraak bepleit en heeft daartoe het volgende aangevoerd.
- a)
De verklaringen met betrekking tot de afpersingen zijn ongeloofwaardig en onbetrouwbaar en dienen van het bewijs te worden uitgesloten. De aangeefsters hebben immers een motief om in strijd met de waarheid te verklaren dat zij onder dwang hebben gehandeld; alleen op die manier komen zij mogelijk nog onder de door hen afgesloten contracten uit.
- b)
Ten aanzien van [slachtoffer 1] (feit 1 primair)
De stelling dat [slachtoffer 1] bedreigd zou zijn, blijkt enkel uit haar verklaring en de modus operandi is niet identificerend. Bovendien verschilt de wijze waarop met [slachtoffer 1] contact is gelegd aanzienlijk van de verklaringen van de overige aangeefsters. De betrokkenheid van de verdachte kan dus (ook) niet door middel van schakelbewijs worden aangetoond en er is geen ander bewijs waaruit blijkt dat [slachtoffer 1] is afgeperst. (…)
Het hof verwerpt de verweren en overweegt daartoe als volgt.
- Ad a)
In hetgeen de raadsman heeft aangevoerd en ook overigens ziet het hof geen aanleiding om de verklaringen van aangeefsters van het bewijs uit te sluiten. Het hof acht de verklaringen van de aangeefsters betrouwbaar en geloofwaardig. In dit verband is van belang dat de verklaringen passen in het beeld dat naar voren komt uit de uitzending van Avrotros Opgelicht/Tros Opgelicht waarin de verdachte en de medeverdachte [betrokkene 1] te zien zijn tijdens hun praktijken, die overeenkomen met hetgeen de aangeefsters is overkomen. Verder ondersteunen de verklaringen van aangeefsters elkaar onderling. Dat [slachtoffer 2] aanvankelijk niet volledig naar waarheid verklaard heeft, maakt dat niet anders. Het handelen van de verdachte en de medeverdachte vormen een identificerende modus operandi, waarbij kwetsbare vrouwen het doelwit worden van het handelen van de daders en (met uitzondering van [betrokkene 5]) ermee bedreigd worden dat als zij niet meewerken hun vrienden en/of familie iets aangedaan wordt.
- Ad b)
Anders dan de raadsman is het hof van oordeel, zoals reeds overwogen, dat wel degelijk sprake is van een identificerende modus operandi, zodat de verklaring van [slachtoffer 1] dat zij bedreigd is, ondersteuning vindt in de verklaringen van [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] ten aanzien van de bedreigingen.
(…)’
2.4
De raadsman heeft bij pleidooi (de pleitnota uit de eerste aanleg is als bijlage gehecht aan de pleitnota in hoger beroep en de inhoud daarvan is door het hof uitdrukkelijk beschouwd als voorgehouden3.) gewezen op de geldende maatstaf voor het gebruik van schakelbewijs.4. In voor dit onderwerp relevant opzicht heeft de raadsman overigens nog er op gewezen:
- (i)
Dat de aangeefsters er alle een belang bij hadden om te verklaren dat zij zouden zijn bedreigd, en dus motief hadden om onwaarheid te spreken, omdat uit de verklaringen ook bleek dat zij beseften mee te werken aan oplichting van providers en alleen onder de afgesloten abonnementen uit zouden kunnen komen indien zij verklaarden onder bedreiging hiertoe te zijn overgegaan;5.
- (ii)
Dat de modus operandi zoals volgend uit het dossier blijkens het dossier ook was toegepast nadat de verdachten in het onderhavige onderzoek waren aangehouden, zodat de m.o. niet identificerend was;6.
- (iii)
Dat er geen steunbewijs voorhanden was voor de aangifte van afpersing door [slachtoffer 1];7.
- (iv)
Dat, hoewel de aangeefsters [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] verklaren te zijn bedreigd, zulks niet wordt bevestigd door getuige [betrokkene 4], die bij beide aangeefsters aanwezig was ten tijde van de gedragingen, terwijl de bedreiging ook anderszins niet wordt ondersteund door steunbewijs en er bovendien contra-indicaties zijn;8.
- (v)
Dat de aangeefsters [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] en de getuige [betrokkene 4] (die zelf ook aangifte deed) voor het doen van aangifte onderling contact met elkaar hebben gehad;9.
- (vi)
Dat uit de verslaglegging in het dossier omtrent de actie van Tros Opgelicht, aangaande gedragingen van verzoeker en zijn medeverdachte, niets blijkt van dreiging of bedreiging van de undercover ‘slachtoffers’ die — evenals de aangeefsters — zijn aangezet tot het afsluiten van abonnementen;10.
- (vii)
Dat aangeefster [slachtoffer 2] in haar eerste aangifte aantoonbaar heeft gelogen en bovendien verklaarde over een volstrekt andere modus operandi met betrekking tot de bedreigingen, terwijl ook haar verklaring geen enkele ondersteuning krijgt in ander bewijsmateriaal;11.
- (viii)
Dat aangeefster [betrokkene 5] in tegenstelling tot de andere aangeefsters niet heeft verklaard dat zij is afgeperst c.q. dat er dwang tegen haar zou zijn gebruikt;12.
2.5
De A-G mr Hofstee verwoordde de rechtens te accepteren toepassing van schakelbewijs, onder verwijzing naar de jurisprudentie van Uw Raad, als volgt:13.
‘Het kan in de bewijsconstructie worden toegepast wanneer de respectieve feitelijke gang van zaken die aan de feiten A en B ten grondslag ligt op essentiële punten zulke belangrijke overeenkomsten met elkaar vertoont, dat ook zonder dat ten aanzien van een bepaald tenlastegelegd onderdeel van feit B (het te bewijzen feit) afzonderlijk bewijs aanwezig is, het bewijs daarvoor redengevend kan worden afgeleid uit de hoge mate van overeenkomst met het andere feit A (het bewezen feit). (…) (D)e bewijskracht van het materiaal is gelegen in de gelijksoortige modus operandi die het zeer waarschijnlijk maakt dat het te bewijzen feit B zich op dezelfde wijze heeft voltrokken als het reeds bewezen feit A.’
2.6
In casu berust elk van de bewezenverklaarde feiten 1 primair, 3, 4 primair en 5 primair op een schakelbewijsconstructie, zonder welke ten aanzien van de bewezenverklaarde afpersing telkens slechts de op zichzelf staande aangifte redengevend is. Uw Raad heeft in de zaak waarin de hiervoor geciteerde conclusie van A-G mr Hofstee werd genomen, overwogen dat het voor de toelaatbaarheid van het gebruiken van een schakelbewijsconstructie niet vereist is dat ten minste één van de bewezenverklaarde feiten ook zonder het bezigen van schakelbewijs bewijsbaar is. Wel is tenminste vereist dat de wijze waarop de onderscheidene feiten zijn begaan op essentiële punten overeenkomt.14. De A-G heeft in zijn conclusie voor die zaak een gelijkluidend standpunt ingenomen, waarbij hij het oordeel leek toegedaan dat in zulke gevallen het gebezigde schakelbewijs van zwaarwegender bewijskracht dient te zijn naarmate het schakelbewijs een bepalender functie is toebedeeld in de bewijsconstructie.15.
2.7
Verzoeker meent dat de toepassing van schakelbewijs in deze zaak ontoereikend is gemotiveerd in het licht van de omstandigheden van dit geval. De enige kenmerkende gelijkenis die uit de bewijsconstructie naar voren komt is dat alle aangeefsters telefoonabonnementen (zouden) hebben afgesloten en/of een laptop op krediet hebben aangeschaft, waarna zij de telefoons en laptops (zouden) hebben overhandigd aan een derde. Uit de pleitnota van de raadsman volgt — onweersproken door het hof — dat daarbij steeds zou zijn gezegd dat een familielid in staat zou zijn de abonnementen uit het systeem te verwijderen.16. In zoverre kan van een kenmerkende gelijkenis worden gesproken. Daaruit volgt evenwel niet dat de aangeefsters zouden zijn afgeperst.
2.8
Ten aanzien van de voor bewezenverklaring van afpersing vereiste dreiging met of toepassing van geweld blijkt uit de bewijsconstructie in onvoldoende mate van een kenmerkende gelijkenis of overeenkomst op essentiële punten tussen de verschillende feiten.
Aangeefster [betrokkene 5], die ook tot het aangaan van abonnementen is overgegaan, verklaarde immers niet dat zij daarbij bedreigd zou zijn (feit 6).
De aard van de gestelde bedreiging jegens aangeefster [slachtoffer 2] (feit 3) is voorts van een volstrekt andere orde dan die waarover de andere aangeefsters spreken, terwijl [slachtoffer 2] verklaarde dat haar bedreiger ook die specifieke vorm van bedreiging zou aanraden aan personen die hij telefonisch zou aansturen. Dat vindt geen steun in de aangiften van [slachtoffer 1], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4].
Ook de aangiften van [slachtoffer 1], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] onderling verschillen opvallend van elkaar, nu [slachtoffer 1] reeds voorafgaand aan de ontmoeting telefonisch zou zijn bedreigd, terwijl [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] pas zouden zijn bedreigd na de feitelijke ontmoeting.
De wijze waarop de verschillende aangeefsters (zouden) zijn benaderd vertoont voorts evenzeer opvallende verschillen: [slachtoffer 1] in het uitgaansleven, [slachtoffer 2] via een advertentie op een seks-site en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] via een vriendin.
2.9
De aard van de bedreigingen is bovendien niet zodanig typerend of specifiek gelijkluidend, dat daaraan een zwaarwegender bewijskracht kan worden toegedicht. Ook de bewijskracht van het schakelbewijs is niet derhalve van toereikend niveau.
[slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] hebben bovendien voorafgaand aan het doen van aangifte allebei in elk geval contact gehad met de getuige [betrokkene 4], zodat hun verklaringen niet als onafhankelijk van elkaar tot stand gekomen kunnen worden beschouwd en derhalve in dat opzicht eveneens bewijskracht missen.
De getuige [betrokkene 4] was blijkens haar tot bewijs gebezigde verklaring17. in gezelschap van zowel [slachtoffer 3] als [slachtoffer 4] toen de feiten plaatsvonden, maar zij bevestigt op geen enkele wijze dat deze aangeefsters tijdens of voorafgaand daaraan zouden zijn bedreigd. Ook dat doet afbreuk aan de bewijskracht van de aangiften van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4].
2.10
Opvallend is voorts dat juist díe door het hof gebezigde aangifte, waarin niet wordt verklaard dat er gedreigd zou zijn met geweld, wel steun vindt in de stukken. De verdediging wees bij pleidooi — onweersproken door het hof en mitsdien thans vaststaand — op het feit dat uit de uitzending van Tros Opgelicht (die deel uitmaakt van de bewijsconstructie) is gebleken dat van bedreiging jegens de undercover-reporters die de aangeversrol op zich namen, geen enkele sprake is.18. De contra-indicatie tegen de juistheid van de op zichzelf staande verklaringen wordt derhalve bevestigd door ander, onafhankelijk materiaal.
In dit verband is voorts relevant dat de als getuige door het hof gebezigde [betrokkene 4] aanwezig was bij de feiten 4 ([slachtoffer 3]) en 5 ([slachtoffer 4]) en in haar tot bewijs gebezigde verklaring niet bevestigd dat er zou zijn gedreigd jegens haar vriendinnen. Waar er derhalve wel een getuige aanwezig was bij twee van de vier feiten, heeft die getuige geen steunbewijs kunnen leveren van de gestelde dreiging met geweld.
2.11
Ten slotte is het door de verdediging geduide motief voor aangeefsters om onwaarheid te spreken relevant: indien zij niet zouden zijn gedwongen, kunnen zij niet onder de contracten uit, hetgeen hen een belang geeft om in strijd met de waarheid te verklaren te zijn gedwongen.
2.12
Onder die omstandigheden is niet aan het criterium voor het gebruikmaken van schakelbewijs voldaan. Er is geen, althans onvoldoende, sprake van ‘belangrijke overeenkomsten op essentiële punten’ en er is daarnaast sprake van belangrijke verschillen. De verklaringen missen om voormelde redenen voorts voldoende bewijskracht. Uit de verklaring van een andere aangeefster en van een onderzoeksprogramma van de televisie blijkt zelfs van een geheel andere modus operandi waarbij aantoonbaar geen dreiging werd toegepast. En er is een motief te duiden waarom aangeefsters onwaarheid zouden kunnen spreken.
2.13
In casu kon mitsdien niet zonder meer in de bewijsconstructie gebruik worden gemaakt van schakelbewijs teneinde in deze vier gevallen afpersing bewezen te achten, temeer nu in geen van die vier gevallen het beschikbare bewijsmateriaal dat rechtstreeks op de onderscheidene feiten betrekking heeft een bewezenverklaring toelaat. Het als schakelbewijs gebezigde materiaal vertoont in onvoldoende mate overeenkomsten op essentiële onderdelen en mist bovendien de bewijskracht om in afwezigheid van direct bewijsmateriaal de doorslag te geven in een bewijsconstructie.
2.14
Deze tekortkomingen worden niet hersteld door de motivering die het hof heeft gegeven aan deze toepassing van de methode van schakelbewijs. De overweging dat de verklaringen van de aangeefsters passen in het beeld dat naar voren komt uit de uitzending van Tros Opgelicht gaat juist op het in casu essentiële punt van de gestelde bedreigingen niet op. De enkele overweging dat de aangeefsters hebben verklaard te zijn bedreigd, verwijst enkel naar die steeds op zichzelf staande verklaringen en maakt geen gewag van bijzondere specifieke of typerende feiten, en in de betreffende overweging wordt al een uitzondering gemaakt voor één van de aangeefsters. Voorts wordt door het hof geen aandacht besteed aan de door de raadsman aangehaalde contra-indicaties.
2.15
Nu slechts het gebruikmaken van de methode van schakelbewijs steun verleent aan de afzonderlijke, steeds op zichzelf staande aangiften ter zake van de feiten 1 primair, 3, 4 primair en 5 primair, die overigens op zichzelf steeds niet naar de eis der wet met redenen zijn omkleed, lijdt het ontoereikend gemotiveerde gebruik van schakelbewijs tot de vaststelling dat al die feiten voor zich onvoldoende met redenen zijn omkleed. 's Hofs arrest kan daarom voor wat betreft de bewezenverklaring van de feiten 1 primair, 3, 4 primair en 5 primair niet in stand blijven.
Middel II
(bewezenverklaring medeplegen feit 1 kan niet uit bewijsmiddelen volgen en/althans is niet naar de eis der wet met redenen omkleed)
1.
Het recht is geschonden en/of naleving is verzuimd van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormvoorschriften. Met name zijn geschonden de artikelen 317 Sr en 350, 359 en 415 Sv, doordat het bewijs van het medeplegen van afpersing van [slachtoffer 1] door verzoeker niet kan volgen uit de bewijsmiddelen en hetgeen het hof in zijn bewijsoverwegingen heeft vastgesteld en/of ontoereikend is gemotiveerd, zodat de bewezenverklaring in zoverre niet naar de eis der wet met redenen in omkleed.
2. Toelichting
2.1
Ten laste van verzoeker heeft het Hof onder feit 1 bewezen verklaard dat hij zich schuldig zou hebben gemaakt aan het medeplegen van afpersing van [slachtoffer 1] tot het afgeven van aan haar toebehorende telefoons en een laptop, en tot het afsluiten van telefoonabonnementen en het treffen van een afbetalingsregeling voor de aanschaf van een laptop, door bedreiging met geweld.
2.2
Deze bewezenverklaring steunt op de bewijsmiddelen 1, 2, 3, 14, 25, 26, 29, 30, 31, 32, 33 en 34, opgenomen in het arrest van het Hof.19.
2.3
De bewezenverklaring van het medeplegen is voorts, naar aanleiding van door de raadsman gevoerde verweren, door het hof als volgt gemotiveerd:20.
‘De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep integrale vrijspraak bepleit en heeft daartoe het volgende aangevoerd.
(…)
b) Ten aanzien van [slachtoffer 1] (feit 1 primair)
De stelling dat [slachtoffer 1] bedreigd zou zijn, blijkt enkel uit haar verklaring en de modus operandi is niet identificerend. Bovendien verschilt de wijze waarop met [slachtoffer 1] contact is gelegd aanzienlijk van de verklaringen van de overige aangeefsters. De betrokkenheid van de verdachte kan dus (ook) niet door middel van schakelbewijs worden aangetoond en er is geen ander bewijs waaruit blijkt dat [slachtoffer 1] is afgeperst.
Daarnaast heeft [slachtoffer 1] verklaard alleen contact te hebben gehad met de medeverdachte en niet met iemand anders. De Rechtbank heeft de betrokkenheid van de verdachte bij dit feit geconstateerd aan de hand van telefoonnummers. Er is echter geen (dwingend) bewijs dat de verdachte (op enig moment) de gebruiker is geweest van het nummer eindigend op [001]. Geconcludeerd wordt dat de verdachte de gebruiker is van het nummer eindigend op [001], één van de telefoonnummers behorend bij de abonnementen die [slachtoffer 1] heeft afgesloten. Het nummer [001] is in een telefoon geplaatst waaraan eerder het telefoonnummer was gekoppeld waarmee [slachtoffer 1], volgens de Rechtbank ‘door (…) één van de daders van de oplichting’ op 8 oktober 2015 is gebeld. Deze overweging is feitelijk onjuist nu [slachtoffer 1] slechts over één dader heeft verklaard: het is een en dezelfde persoon die zij telefonisch spreekt en die zij ontmoet. Indien wordt aangenomen dat het telefoonnummer [001] wel bij de verdachte in gebruik is geweest, is die enkele conclusie niet dragend voor de aanname dat hij voordien de betreffende telefoon met dat eerdere nummer in gebruik had, met name niet nu [slachtoffer 1] verklaart slechts met één persoon, te weten de medeverdachte contact te hebben gehad. Uit het onderzoek is verder gebleken dat met een nummer dat toebehoort aan mevrouw [betrokkene 2] is gebeld met het nummer van [slachtoffer 1]. [betrokkene 2] is daar niet over gehoord. Van belang hierbij is echter, net als met betrekking tot alle andere nummers die contact hebben gehad met het nummer van [slachtoffer 1], dat [slachtoffer 1] verklaart dat het steeds [betrokkene 3] was. Op basis van die verklaring van [slachtoffer 1] is er geen enkele aanleiding om te veronderstellen dat zij nog door een ander is gebeld, en dus ook niet dat verdachte haar heeft gebeld. De conclusie behoort dan te zijn dat ‘[betrokkene 3]’ kennelijk eerder die telefoon in gebruik heeft gehad. Dat is in ieder geval meer aannemelijk dan het scenario dat de verdachte de gebruiker was van dat eerdere nummer, nu dat scenario slechts speculatief van aard is en niet door enig bewijs wordt gestaafd. Daarbij kan — indien het voorgaande wordt gepasseerd — het voeren van enkele telefonische contacten niet dragend zijn voor het aannemen van medeplegen, te meer niet nu de inhoud van de betreffende gesprekken ongewis is. Andere scenario's, bijvoorbeeld waarbij de gebruiker van dat nummer de verdachte belt op het nummer van [betrokkene 2], zijn evenmin uit te sluiten.
(…)
Het Hof verwerpt de verweren en overweegt daartoe als volgt.
(…) Het handelen van de verdachte en de medeverdachte vormen een identificerende modus operandi, waarbij kwetsbare vrouwen het doelwit worden van het handelen van de daders en (met uitzondering van [betrokkene 5]) ermee bedreigd worden dat als zij niet meewerken hun vrienden en/of familie iets aangedaan zal worden.
- Ad b)
Anders dan de raadsman is het hof van oordeel, zoals reeds overwogen, dat wel degelijk sprake is van een identificerende modus operandi, zodat de verklaring van [slachtoffer 1] dat zij bedreigd is, ondersteuning vindt in de verklaringen van [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] ten aanzien van de bedreigingen.
Ten aanzien van hetgeen overigens is aangevoerd geldt het volgende.
De aangeefster [slachtoffer 1] heeft [betrokkene 1] herkend in de uitzending van tv-programma Tros Opgelicht. Uit het dossier blijkt dat [betrokkene 1] de medeverdachte [betrokkene 1] is.
De verdachte kan met de afpersing in verband worden gebracht door middel van telefoonnummer [001] (hierna [001]). Dit telefoonnummer hoort bij een van de abonnementen die de aangeefster [slachtoffer 1] op 8 oktober 2015 heeft moeten afsluiten. Dit nummer is vanaf 8 oktober 2015 om 21.11 uur gebruikt in een toestel waarmee aangeefster [slachtoffer 1] op 8 oktober 2015 een aantal keren was gebeld door één van de daders van de afpersing. Dit telefoonnummer [001] blijkt voorts meerdere malen uit te peilen nabij het woonadres van de verdachte aan de [a-straat te a-plaats]. Op 14, 22 en 24 oktober 2015 heeft dit telefoonnummer contact gehad met telefoonnummer [002] dat op naam staat van [betrokkene 2], de vriendin van de verdachte. Dat [betrokkene 2] zijn vriendin is, heeft de verdachte ook niet ontkend. Voorts peilt dit nummer op 26 oktober 2015 in De Meern uit. Op die dag zijn [slachtoffer 4] en [betrokkene 4] door de twee daders in een witte Peugeot met kenteken [AA-00-BB] opgehaald. Die auto staat op naam van [betrokkene 2], de vriendin van de verdachte. Daarnaast kan de verdachte in verband worden gebracht met de afpersing door middel van telefoonnummer [003]. Dit is het telefoonnummer dat [betrokkene 3] tijdens het uitgaan aan [slachtoffer 1] heeft gegeven, en is hetzelfde telefoonnummer waarmee de aangeefster [betrokkene 5] contact heeft gehad. [betrokkene 5] heeft de dader van de oplichting als de [verzoeker] van Tros Opgelicht herkend. Die [verzoeker] blijkt [verzoeker] te zijn. Het hof is, gelet op dit alles, van oordeel dat [slachtoffer 1] telefonisch contact heeft gehad met [verzoeker] en [betrokkene 1] heeft ontmoet. De verdachte heeft zich aldus schuldig gemaakt aan het medeplegen van afpersing.’
2.4
De motivering van de vaststelling dat verzoeker de gebruiker zou zijn van het nummer [001], en dat hij (daarom) tevens de persoon zou zijn die met aangeefster [slachtoffer 1] heeft gebeld, alsmede de bewezenverklaring van het medeplegen van afpersing op die enkele grond, zijn naar het oordeel van verzoeker niet naar de eis der wet met redenen omkleed.
Onvoldoende nauwkeurige duiding wettig bewijsmiddel
2.5
Verzoeker wijst er in de eerste plaats op dat noch uit de bewijsmiddelen, noch anderszins uit de bewijsconstructie kan volgen dat het telefoonnummer [001] zou zijn gebruikt in een telefoontoestel waarmee aangeefster [slachtoffer 1] op 8 oktober 2015 een aantal malen zou zijn gebeld.
Het hof heeft in zijn bewijsoverweging ter zake van deze vaststelling niet verwezen naar enig bewijsmiddel c.q. de bewijsmiddelen waaruit het dit feit heeft afgeleid. Aldus heeft het hof ten aanzien van dit — de bewezenverklaring mede dragende — feit niet met voldoende mate van nauwkeurigheid het wettig bewijsmiddel aangegeven waaraan het deze vaststelling ontleende.21. De bewezenverklaring is in zoverre dan ook in elk geval niet naar de eis der wet met redenen omkleed.
Ontoereikende motivering telefonisch contact verzoeker met aangeefster
2.6
Bovendien, zo meent verzoeker, heeft het hof ontoereikend gemotiveerd dat hij degene zou zijn geweest die in telefonisch contact zou hebben gestaan met de aangeefster.
Uit bewijsmiddel 1 blijkt immers zonder meer dat de aangeefster heeft verklaard dat zij zowel telefonisch als in persoon slechts met één persoon contact heeft gehad. Uit bewijsmiddel 3322. blijkt dat zij in die persoon de medeverdachte [betrokkene 1] herkende en dat zij deze herkenning baseerde op ‘zijn stem, manier van praten en aan zijn uiterlijk’. Aangeefster heeft de persoon die haar zou hebben afgeperst derhalve niet alleen op basis van uiterlijk, maar juist ook op basis van stemgeluid en de manier van praten herkend. Tegen die achtergrond is de andersluidende conclusie van het hof, dat aangeefster de medeverdachte heeft ontmoet maar aan de telefoon met een ander namelijk verzoeker zou hebben gesproken, op grond van het navolgende ontoereikend gemotiveerd.
2.7
Voorop staat in elk geval dat deze conclusie van het hof in tegenspraak is met de inhoud van bewijsmiddel 1, zodat de bewijsconstructie in dit opzicht innerlijk tegenstrijdig is gemotiveerd en reeds om die reden niet in stand kan blijven.
De betreffende bewijsconstructie houdt voorts slechts een niet sluitende redenering van het hof in. Het hof heeft vastgesteld dat:
- (i)
Een door aangeefster in de middag aangeschaft telefoonnummer [001] diezelfde avond in een telefoontoestel is gebruikt, waarmee aangeefster eerder die middag zou zijn gebeld;23.
- (ii)
Dat door aangeefster aangeschafte nummer meerdere malen zou zijn uitgepeild in de nabijheid van het woonadres van verzoeker;24.
- (iii)
Dit nummer drie maal — voor het eerst 6 dagen na 8 oktober 2015 — zou hebben gebeld naar een telefoon op naam van de vriendin van verzoeker;
- (iv)
Dit telefoonnummer 18 dagen na 8 oktober 2015 zou zijn uitgepeild in een locatie waar een andere aangeefster ([slachtoffer 4], feit 5) in een auto die op naam staat van de vriendin van verzoeker, door twee daders zou zijn opgehaald;
- (v)
Verzoeker in verband kon worden gebracht met een ander telefoonnummer (*4299), dat door de medeverdachte tijdens het uitgaan aan aangeefster [slachtoffer 1] zou zijn verstrekt als zijnde het nummer van die medeverdachte (verzoeker zou dat nummer hebben gebruikt in contacten met de aangeefster van feit 6 op een eerdere datum);
Het oordeel van het hof dat [slachtoffer 1], anders dan zij zelf in haar voor het bewijs gebezigde verklaring verklaarde, telefonisch contact zou hebben gehad met een ander dan degene die zij had ontmoet en die haar vergezelde, en dat dit verzoeker zou zijn geweest, steunt op deze feiten en omstandigheden.
2.8
Uit de vaststellingen dat het nummer [001] ‘meerdere malen’ bleek uit te peilen ‘nabij’ het woonadres van verzoeker, en dat daarmee op 14, 22 en 24 oktober 2015 is gebeld met een telefoon die aan de vriendin van verzoeker wordt toegeschreven (en tussen 14–24 oktober nog een aantal malen vergeefs contact is gezocht25.), valt reeds niet zonder meer af te leiden dat het verzoeker was die toen de gebruiker van die telefoon zou zijn geweest. Uit bewijsmiddel 3226. blijkt dat immers ook met de telefoon die aan de medeverdachte wordt toegeschreven driemaal (op 5, 18 en 23 oktober) contact is gelegd met de telefoon op naam van die [betrokkene 2]. Het enkele bellen naar dat nummer is zonder nadere motivering, die ontbreekt, in elk geval onvoldoende om aan te nemen dat verzoeker de gebruiker van dat nummer zou zijn.
De vaststelling van het hof dat het betreffende nummer ‘meerdere malen’ zou zijn uitgepeild nabij het woonadres van verzoeker, is op geen enkele wijze nader gespecificeerd of uitgewerkt. Uit bewijsmiddel 3127. volgt dat het nummer [001] een aantal malen de zendmast aan de [b-straat 01] of de [c-straat 01] peilde, te weten:
- •
op 21 oktober 2015 op meerdere tijdstippen in de periode van 15.09 uur tot 16.19 uur, en in de periode van 18.07 uur tot 20.58 uur;
- •
op twee tijdstippen in de middag (14.24 uur en 14.48 uur) van 22 oktober 2015;
- •
op drie tijdstippen (14.05 uur, 16.31 uur en 20.31 uur) op 26 oktober;
- •
om 10.49 uur op 27 oktober;
Op 21 oktober 2015 zou het nummer [001] blijkens bewijsmiddel 31 ook in de periode van 14.30 tot 14.5128. steeds de zendmasten [b-straat 01] en [c-straat 01] hebben gepeild, doch uit bewijsmiddel 3229. blijkt dat het nummer op 21 oktober 2015 om 14.41 uur een zendmast aan de [d-straat te b-plaats] peilde. Ook in dat opzicht lijkt de bewijsconstructie derhalve tegenstrijdig te zijn gemotiveerd.
Zelfs indien wordt aangenomen dat van de zendmasten [b-straat 01] en [c-straat 01] gezegd kan worden dat van algemene bekendheid is dat deze zich in de nabijheid van het woonadres van verzoeker bevinden, kan de beperkte frequentie waarmee deze zendmasten in een korte periode werden gepeild niet zonder meer de vaststelling dragen dat de gebruiker van dat nummer daar in de buurt woonachtig zou moeten zijn. Slechts op één enkele datum (21/10/15) is er sprake van een wat langduriger periode waarin het nummer aldaar zou hebben gepeild (doch niet op tijdstippen die direct op ‘bewonersaanwezigheid’ duiden), voor het overige betreft het incidentele peilingen. De conclusie dat verzoeker dus de gebruiker van dit nummer was, kan derhalve niet gedragen worden door deze gegevens.
2.9
Overigens bevat bewijsmiddel 31 enkele bevindingen als:30.‘[001] peilt [b-straat, a-plaats]’ en ‘Tijdens genoemde contacten op deze data peilt [001] voornamelijk middels zendmasten aan de [b-straat] en [c-straat], daarnaast in [b-plaats]’ en ‘totale periode van contact is 14.10.15 t/m 26.10.15. [001] peilt veelal middels zendmasten aan de [c-straat] en [b-straat]’ en ‘de andere locaties zijn die van zendmasten aan de [b-straat] en [c-plaats]’.
Deze bevindingen zijn te onbepaald om als ondersteuning te kunnen dienen voor de vaststelling dat het nummer [001] meerdere malen in de nabijheid van de woning van verzoeker uitpeilden. Niet bekend (noch van algemene bekendheid) is hoeveel zendmasten zich er aan die beide straten bevinden, en waar zij zich in die straten bevinden. Van deze bevindingen kan derhalve niet zonder meer, welk meerdere ontbreekt, worden aangenomen dat het locaties ‘in de nabijheid’ van het woonadres van verzoeker betreft.
Voorts worden er ook andere peilzenders genoemd, en zijn de termen ‘veelal’ en ‘voornamelijk’ niet nader uitgewerkt. Dat deze bevindingen de vaststelling steunen dat verzoeker de gebruiker van dit nummer zou zijn, is derhalve evenmin begrijpelijk.
Ook in onderlinge samenhang beschouwd kan uit voormelde feiten en omstandigheden niet worden afgeleid dat verzoeker in de periode van 14–26 oktober de gebruiker van nummer [001] zou zijn geweest. Reeds in zoverre is het oordeel van het hof ontoereikend gemotiveerd.
2.10
Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, is voorts niet begrijpelijk waarom en op grond waarvan uit de vaststelling dat dit nummer in de periode 14–26 oktober 2015 bij verzoeker in gebruik zou zijn geweest, de conclusie volgt dat het toestel waarop dit nummer op 8 oktober in gebruik werd genomen, ook op die 8e oktober bij verzoeker in gebruik zou zijn geweest én dat hij ook degene zou zijn geweest die aangeefster daarmee zou hebben gebeld. Die gevolgtrekking wordt door geen enkel bewijsmiddel ondersteund en door het hof niet verder toegelicht. Juist deze vaststelling is bovendien innerlijk tegenstrijdig aan de inhoud van bewijsmiddel 1, waaruit volgt dat aangeefster [slachtoffer 1] verklaarde met slechts één persoon in wie zij de medeverdachte herkende, contact te hebben gehad. Juist op het onderdeel van de motivering waarmee het hof afwijkt van de inhoud van de tot bewijs gebezigde verklaring van aangeefster, bevat die motivering geen nadere toelichting.
2.11
Dat verzoeker in verband gebracht kan worden met het gebruik van het telefoonnummer [003] op of voor 19 september 201531., rechtvaardigt evenmin zonder meer de conclusie dat hij dat nummer in een andere periode ten aanzien van een andere aangeefster ook zou hebben gebruikt. Dat behoeft te meer nadere motivering — die echter ontbreekt — nu uit de bewijsmiddelen volgt dat dit telefoonnummer (in de periode voor en) op 8 oktober 2015 bij een ander, namelijk de medeverdachte, in gebruik was, zoals ook volgt uit de aangifte van [slachtoffer 1].
2.12
's Hofs overwegingen — ook die hiervoor onder (v) genoemd — sluiten allerminst uit dat een andere persoon het nummer [001] en het nummer [003] in gebruik had, of dat meerdere personen op verschillende tijdstippen van die nummers gebruik maakten, of dat telefoons werden uitgeleend aan anderen voor langere tijd of voor kortstondig gebruik. De overwegingen van het hof houden dan ook een ontoereikende motivering in van de conclusie dat verzoeker op 8 oktober (en daarvoor?) telefonisch contact zou hebben onderhouden met aangeefster [slachtoffer 1], welke conclusie bovendien in strijd is met de tot bewijs gebezigde aangifte en herkenning door de aangeefster. Ook om die reden is de bewezenverklaring van het medeplegen ontoereikend gemotiveerd.
Ontoereikende motivering medeplegen
2.13
Ten slotte voert verzoeker aan dat uit het arrest van het hof niet kan volgen dat het aandeel in het delict, dat het hof toeschrijft aan verzoeker als gebruiker van de telefoonnummers [001] en [003], een bewezenverklaring voor het medeplegen van afpersing kan dragen. Uit de bewijsconstructie blijkt niet — althans onvoldoende — dat aangeefster op 8 oktober 2015 telefonisch contact zou hebben gehad met een ander persoon dan de persoon die zij heeft ontmoet, die een aandeel zou hebben gehad dat aan de vereisten voor medeplegen van afpersing voldoet. In elk geval blijkt onvoldoende met welk telefoonnummer aangeefster op welk moment contact had, en wat er toen door de beller zou zijn gezegd.
2.14
Aangeefster beschrijft in haar aangifte een traject vanaf een ontmoeting in het uitgaansleven waarbij telefoonnummers zijn uitgewisseld. Eerst volgden WhatsApp-berichten, toen zou zij meerdere dagen wel 8 keer per dag zijn gebeld, en ‘op een gegeven moment’ nam zij op en werd zij bedreigd en tot medewerken gepusht. Daarna volgden meer telefoontjes, waarbij de toon steeds dreigender werd, hij zou willen dat zij abonnementen ging afsluiten en dat zij naar Amsterdam zou komen. De aangifte houdt vervolgens in dat zij ‘uiteindelijk’ besloot om naar Amsterdam te gaan, hetgeen op 8 oktober was. Uit de bewijsconstructie kan niet worden afgeleid dat één of meer van de tot dat moment plaatsgehad hebben telefooncontacten zou zijn gevoerd met het toestel, waarin later het door deze aangeefster aangeschafte nummer [001] in gebruik werd genomen. Ook blijkt niet zonder meer dat deze contacten alle met het nummer [003] plaatshadden.
2.15
Omtrent telefonische contacten op 8 oktober — ook ten aanzien hiervan laat de bewijsconstructie in het midden welke afkomstig zouden zijn geweest van het door het hof bedoelde toestel, en welke van andere toestellen — blijkt uit de aangifte niet dat zij tijdens die telefonische contacten werd bedreigd, of instructies kreeg voor het afsluiten van nieuwe abonnementen. De tot het bewijs gebezigde aangifte houdt in dat verband slechts in: ‘Toen ik de winkel uitkwam heb ik hem opgebeld. Hij belde mij steeds met allemaal andere rare nummers of met een onbekend nummer. Ik kreeg hem op een gegeven moment te pakken en toen kwam hij naar mij toe. Hij heeft gezegd dat ik naar een andere winkel verderop moest komen.’ Overigens blijkt uit de aangifte wel dat de door haar herkende medeverdachte telefonisch contact zou hebben gehad met een ander, maar uit de bewijsconstructie blijkt niet wie dat was en van welke telefoon die persoon gebruik maakte. Evenmin blijkt wat daarbij besproken zou zijn.
2.16
Uw Raad heeft in het arrest van 2 december 201432. overwogen dat voor medeplegen een voldoende nauwe en bewuste samenwerking is vereist, waarbij het aandeel van de medepleger van voldoende gewicht moet zijn. Het hof heeft geoordeeld dat verzoeker, als gebruiker van de nummers [001] en [003] de afpersing van aangeefster zou hebben medegepleegd. Nu evenwel uit de bewijsconstructie niet kan volgen welke gesprekken aangeefster heeft gevoerd met welke telefoonnummers, kan de rol van de gebruiker van de nummers [001] en [003] onvoldoende worden vastgesteld. Uit de bewijsmiddelen blijkt niet rechtstreeks welke vorm de samenwerking tussen de medeverdachte en de gebruiker van die twee genoemde nummers zou hebben aangenomen en tot hoever deze samenwerking is gegaan. Nu evenmin kan blijken of die gebruiker zelfstandig delictsbestanddelen heeft vervuld dan wel feitelijke handelingen van voldoende gewicht heeft verricht, kan het bewezenverklaarde medeplegen niet uit de bewijsconstructie volgen.
2.17
Ook om die reden kan 's hofs arrest in zoverre geen stand houden.
Middel III
(onvoldoende bewijs feit 1: afpersing tot afgifte en aankoop MacBook)
1.
Het recht is geschonden en/of naleving is verzuimd van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormvoorschriften. Met name zijn geschonden de artikelen 317 Sr en de artikelen 342, 350, 359 en 415 Sv doordat het hof de bewezenverklaring dat [slachtoffer 1] door bedreiging met geweld is gedwongen tot de afgifte van een laptop en tot het treffen van een afbetalingsregeling voor de aanschaf van een Macbook Pro Retina laptop heeft doen steunen op uitsluitend de aangifte, die ten aanzien van dit feit door geen enkel ander bewijsmiddel wordt ondersteund.
2. Toelichting
2.1
Ten laste van verzoeker heeft het Hof onder feit 1 bewezen verklaard dat hij zich schuldig zou hebben gemaakt aan het medeplegen van afpersing van [slachtoffer 1] tot de afgifte van telefoons en een laptop en tot het afsluiten van telefoonabonnementen en het treffen van een afbetalingsregeling voor de aanschaf van een laptop, door bedreiging met geweld.
2.2
Behoudens de aangifte van [slachtoffer 1] zijn tot het bewijs gebezigd de bewijsmiddelen 2, 3, 14, 25, 26, 29, 30, 31, 32, 33 en 34.
2.3
Bewijsmiddel 1 betreft de aangifte van [slachtoffer 1].
Bewijsmiddelen 2 en 3 betreffen een tweetal kopieën van niet ondertekende contracten (met respectievelijk T-Mobile en Vodafone), betreffende een abonnement waaraan een l-phone 6 is gekoppeld.
De overige bewijsmiddelen betreffen onderzoek naar telefoonnummers, herkenning van de dader en (observaties naar aanleiding van) het programma Tros Opgelicht.
Geen van de bewijsmiddelen ondersteunt de aangifte voor zover deze de aanschaf op afbetaling van een laptop betreft, en de afgifte van die laptop aan een derde.
2.4
's Hofs arrest steunt derhalve in zoverre in strijd met het bepaalde in art. 342 lid 2 Sv op de verklaring van slechts één getuige. 's Hofs arrest kan mitsdien in zoverre niet in stand blijven.
Middel IV
(onvoldoende bewijs feit 3: afsluiten abonnementen, aangaan lening en afgifte telefoons en laptop)
1.
Het recht is geschonden en/of naleving is verzuimd van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormvoorschriften. Met name zijn geschonden de artikelen 317 Sr en de artikelen 342, 350, 359 en 415 Sv doordat het hof de bewezenverklaring dat [slachtoffer 2] door bedreiging met geweld is gedwongen tot de afgifte van een mobiele telefoon en een laptop en tot het afsluiten van telefoonabonnementen en tot het treffen van een afbetalingsregeling voor de aanschaf van een Macbook Pro Retina laptop heeft doen steunen op uitsluitend de aangifte, die in zoverre door geen enkel ander bewijsmiddel wordt ondersteund.
2. Toelichting
2.1
Ten laste van verzoeker heeft het Hof onder feit 3 bewezen verklaard dat hij zich schuldig zou hebben gemaakt aan het medeplegen van afpersing van [slachtoffer 2] tot de afgifte van een telefoon en een laptop en tot het afsluiten van telefoonabonnementen en tot het treffen van een afbetalingsregeling voor de aanschaf van een laptop, door bedreiging met geweld.
2.2
Deze bewezenverklaring steunt op de bewijsmiddelen 4, 5, 14, 25, 29, 31, 32 en 33.
2.3
Bewijsmiddelen 4 en 5 betreffen aangiften van [slachtoffer 2].
De overige bewijsmiddelen betreffen onderzoek naar telefoonnummers, herkenning van de dader en (observaties naar aanleiding van) het programma Tros Opgelicht.
Geen van de bewijsmiddelen ondersteunt de aangiften voor zover deze het afsluiten van telefoonabonnementen, het aangaan van een lening voor de aankoop van een laptop betreft, en de afgifte van telefoons en/of die laptop aan een derde.
2.4
De bewezenverklaring van feit 3 primair steunt derhalve in strijd met het bepaalde in art. 342 lid 2 Sv op de verklaring van slechts één getuige. 's Hofs arrest kan mitsdien in zoverre niet in stand blijven.
Middel V
(bewezenverklaring medeplegen feit 3 kan niet uit bewijsmiddelen volgen c.q. is ontoereikend gemotiveerd)
1.
Het recht is geschonden en/of naleving is verzuimd van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormvoorschriften. Met name zijn geschonden de artikelen 317 Sr en 350, 359 en 415 Sv, doordat het bewijs van het medeplegen van afpersing van [slachtoffer 2] door verzoeker niet kan volgen uit de bewijsmiddelen en hetgeen het hof in zijn bewijsoverwegingen heeft vastgesteld, zodat de bewezenverklaring in zoverre niet naar de eis der wet met redenen is omkleed.
2. Toelichting
2.1
Ten laste van verzoeker heeft het Hof onder feit 3 bewezen verklaard dat hij zich schuldig zou hebben gemaakt aan het medeplegen van afpersing van [slachtoffer 2] tot het afgeven van aan haar toebehorende telefoons en een laptop, en tot het afsluiten van telefoonabonnementen en het treffen van een lening voor de aanschaf van een laptop, door bedreiging met geweld.
2.2
Deze bewezenverklaring steunt op de bewijsmiddelen 4, 5, 14, 25, 29, 31, 32 en 33.
2.3
De bewezenverklaring van het medeplegen is voorts, naar aanleiding van door de raadsman gevoerde verweren, door het hof als volgt gemotiveerd:33.
‘De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep integrale vrijspraak bepleit en heeft daartoe het volgende aangevoerd.
(…)
c) Ten aanzien van [slachtoffer 2]
[slachtoffer 2] heeft steeds contact gehad met één persoon en heeft de medeverdachte herkend. Bij gebreke aan het dwingende bewijs dat de verdachte de gebruiker is van de [001], dient tot vrijspraak te worden gekomen van het medeplegen.
(…)
Het Hof verwerpt de verweren en overweegt daartoe als volgt.
(…) Het handelen van de verdachte en de medeverdachte vormen een identificerende modus operandi, waarbij kwetsbare vrouwen het doelwit worden van het handelen van de daders en (met uitzondering van [betrokkene 5]) ermee bedreigd worden dat als zij niet meewerken hun vrienden en/of familie iets aangedaan zal worden.
(…)
- Ad b)
(…). De verdachte kan met de afpersing in verband worden gebracht door middel van telefoonnummer [001] (hierna [001]). Dit telefoonnummer hoort bij een van de abonnementen die de aangeefster [slachtoffer 1] op 8 oktober 2015 heeft moeten afsluiten. Dit nummer is vanaf 8 oktober 2015 om 21.11 uur gebruikt in een toestel waarmee aangeefster [slachtoffer 1] op 8 oktober 2015 een aantal keren was gebeld door één van de daders van de afpersing. Dit telefoonnummer [001] blijkt voorts meerdere malen uit te peilen nabij het woonadres van de verdachte aan de [a-straat te a-plaats]. Op 14, 22 en 24 oktober 2015 heeft dit telefoonnummer contact gehad met telefoonnummer [002] dat op naam staat van [betrokkene 2], de vriendin van de verdachte. Dat [betrokkene 2] zijn vriendin is, heeft de verdachte ook niet ontkend. Voorts peilt dit nummer op 26 oktober 2015 in De Meern uit. Op die dag zijn [slachtoffer 4] en [betrokkene 4] door de twee daders in een witte Peugeot met kenteken [AA-00-BB] opgehaald. Die auto staat op naam van [betrokkene 2], de vriendin van de verdachte. (…)
- Ad c)
[slachtoffer 2] heeft contact gehad met telefoonnummer [001]. Het hof is, zoals reeds overwogen, van oordeel dat de verdachte kan worden aangemerkt als de gebruiker van telefoonnummer [001]. Dat [slachtoffer 2] de medeverdachte heeft herkend doet hier niet aan af. Zij heeft kennelijk telefonisch contact gehad met de verdachte en de medeverdachte ontmoet. Het hof is van oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van afpersing.’
2.4
De motivering van de vaststelling dat verzoeker de gebruiker zou zijn van het nummer [001], en dat hij (daarom) tevens de persoon zou zijn die met aangeefster [slachtoffer 2] heeft gebeld, alsmede de bewezenverklaring van het medeplegen van afpersing op die enkele grond, zijn naar het oordeel van verzoeker niet naar de eis der wet met redenen omkleed.
Onvoldoende nauwkeurige duiding wettig bewijsmiddel
2.5
Verzoeker wijst ook in dit verband in de eerste plaats er op dat noch uit de bewijsmiddelen, noch anderszins uit het arrest kan volgen dat het telefoonnummer [001] zou zijn gebruikt in een telefoontoestel waarmee aangeefster [slachtoffer 1] op 8 oktober 2015 een aantal malen zou zijn gebeld.
Het hof heeft in zijn bewijsoverweging niet verwezen naar enig bewijsmiddel c.q. de bewijsmiddelen waaruit het dit feit heeft afgeleid. Aldus heeft het hof ten aanzien van dit — de bewezenverklaring mede dragende — feit niet met voldoende mate van nauwkeurigheid het wettig bewijsmiddel aangegeven waaraan het deze vaststelling ontleende.34. De bewezenverklaring is in zoverre dan ook reeds niet naar de eis der wet met redenen omkleed.
Ontoereikende motivering telefonisch contact verzoeker met aangeefster
2.6
Verzoeker meent ook in dit verband voorts dat het hof ontoereikend heeft gemotiveerd dat hij de gebruiker zou zijn van het nummer [001] en daarmee dat hij als medepleger contact zou hebben gehad met aangeefster [slachtoffer 2].
Uit bewijsmiddel 4 en 5 volgt dat de aangeefster heeft verklaard dat zij zowel telefonisch als in persoon met één persoon contact heeft gehad, in wie zij blijkens bewijsmiddel 33 de medeverdachte herkende. De andersluidende conclusie van het hof dat aangeefster de medeverdachte heeft ontmoet, maar verzoeker aan de telefoon zou hebben gesproken, is ontoereikend gemotiveerd.
2.7
Voorop staat in elk geval dat deze conclusie van het hof in tegenspraak is met de inhoud van bewijsmiddel 1, zodat de bewijsconstructie in dit opzicht innerlijk tegenstrijdig is gemotiveerd en reeds om die reden niet in stand kan blijven.
De betreffende bewijsconstructie houdt voorts slechts een niet sluitende redenering van het hof in. Het hof heeft vastgesteld dat:
- (i)
Een door aangeefster [slachtoffer 1] in de middag van 8 oktober 2015 aangeschaft telefoonnummer [001] diezelfde avond in een telefoontoestel is gebruikt, waarmee [slachtoffer 1] eerder die middag zou zijn gebeld;35.
- (ii)
Dat door [slachtoffer 1] aangeschafte nummer meerdere malen zou zijn uitgepeild in de nabijheid van het woonadres van verzoeker;36.
- (iii)
Dit nummer drie maal — op 14, 22 en 24 oktober 2015 — zou hebben gebeld naar een telefoon op naam van de vriendin van verzoeker;
- (iv)
Dit telefoonnummer op 26 oktober 2015 zou zijn uitgepeild in een locatie waar een andere aangeefster ([slachtoffer 4], feit 5) in een auto die op naam staat van de vriendin van verzoeker, door twee daders zou zijn opgehaald;
Het oordeel van het hof dat [slachtoffer 2], anders dan zij zelf in haar voor het bewijs gebezigde aangiften verklaarde, telefonisch contact zou hebben gehad met een ander dan degene die zij had ontmoet en die haar vergezelde, en dat dit verzoeker zou zijn geweest, steunt op deze feiten en omstandigheden.
2.8
Uit de vaststellingen dat het nummer [001] ‘meerdere malen’ bleek uit te peilen ‘nabij’ het woonadres van verzoeker, en dat daarmee op 14, 22 en 24 oktober 2015 is gebeld met een telefoon die aan de vriendin van verzoeker wordt toegeschreven (en tussen 14–24 oktober nog een aantal malen vergeefs contact is gezocht37.), valt reeds niet zonder meer af te leiden dat het verzoeker was die toen de gebruiker van die telefoon zou zijn geweest. Uit bewijsmiddel 3238. blijkt dat immers ook met de telefoon die aan de medeverdachte wordt toegeschreven driemaal (op 5, 18 en 23 oktober) contact is gelegd met de telefoon op naam van die [betrokkene 2]. Het enkele bellen naar dat nummer is zonder nadere motivering, die ontbreekt, in elk geval onvoldoende om aan te nemen dat verzoeker de gebruiker van dat nummer zou zijn.
De vaststelling van het hof dat het betreffende nummer ‘meerdere malen’ zou zijn uitgepeild nabij het woonadres van verzoeker, is op geen enkele wijze nader gespecificeerd of uitgewerkt. Uit bewijsmiddel 3139. volgt dat het nummer [001] een aantal malen de zendmast aan de [b-straat 01] of de [c-straat 01] peilde, te weten:
- •
op 21 oktober 2015 op meerdere tijdstippen in de periode van 15.09 uur tot 16.19 uur, en in de periode van 18.07 uur tot 20.58 uur;
- •
op twee tijdstippen in de middag (14.24 uur en 14.48 uur) van 22 oktober 2015;
- •
op drie tijdstippen (14.05 uur, 16.31 uur en 20.31 uur) op 26 oktober;
- •
om 10.49 uur op 27 oktober;
Op 21 oktober 2015 zou het nummer [001] blijkens bewijsmiddel 31 ook in de periode van 14.30 tot 14.5140. steeds de zendmasten [b-straat 01] en [c-straat 01] hebben gepeild, doch uit bewijsmiddel 3241. blijkt dat het nummer op 21 oktober 2015 om 14.41 uur een zendmast aan de [d-straat te b-plaats] peilde. Ook in dat opzicht lijkt de bewijsconstructie derhalve tegenstrijdig te zijn gemotiveerd.
Zelfs indien wordt aangenomen dat van de zendmasten [b-straat 01] en [c-straat 01] gezegd kan worden dat van algemene bekendheid is dat deze zich in de nabijheid van het woonadres van verzoeker bevinden, kan de beperkte frequentie waarmee deze zendmasten in een korte periode werden gepeild niet zonder meer de vaststelling dragen dat de gebruiker van dat nummer daar in de buurt woonachtig zou moeten zijn. Slechts op één enkele datum (21/10/15) is er sprake van een wat langduriger periode waarin het nummer aldaar zou hebben gepeild (doch niet op tijdstippen die direct op ‘bewonersaanwezigheid’ duiden), voor het overige betreft het incidentele peilingen. De conclusie dat verzoeker dus de gebruiker van dit nummer was, kan derhalve niet gedragen worden door deze gegevens.
2.9
Overigens bevat bewijsmiddel 31 enkele bevindingen als:42.‘[001] peilt [b-straat, a-plaats]’ en ‘Tijdens genoemde contacten op deze data peilt [001] voornamelijk middels zendmasten aan de [b-straat] en [c-straat], daarnaast in [b-plaats]’ en ‘totale periode van contact is 14.10.15 t/m 26.10.15. [001] peilt veelal middels zendmasten aan de [c-straat] en [b-straat]’ en ‘de andere locaties zijn die van zendmasten aan de [b-straat] en [c-plaats]’.
Deze bevindingen zijn te onbepaald om als ondersteuning te kunnen dienen voor de vaststelling dat het nummer [001] meerdere malen in de nabijheid van de woning van verzoeker uitpeilden. Niet bekend (noch van algemene bekendheid) is hoeveel zendmasten zich er aan die beide straten bevinden, en waar zij zich in die straten bevinden. Van deze bevindingen kan derhalve niet zonder meer, welk meerdere ontbreekt, worden aangenomen dat het locaties ‘in de nabijheid’ van het woonadres van verzoeker betreft.
Voorts worden er ook andere peilzenders genoemd, en zijn de termen ‘veelal’ en ‘voornamelijk’ niet nader uitgewerkt. Dat deze bevindingen de vaststelling steunen dat verzoeker de gebruiker van dit nummer zou zijn, is derhalve evenmin begrijpelijk.
Ook in onderlinge samenhang beschouwd kan uit voormelde feiten en omstandigheden niet worden afgeleid dat verzoeker in de periode van 14–26 oktober de gebruiker van nummer [001] zou zijn geweest. Reeds in zoverre is het oordeel van het hof ontoereikend gemotiveerd.
2.10
Uit de bewijsconstructie blijkt voorts in het geheel niet hoe de reeds aanvechtbare gevolgtrekking dat het nummer bij verzoeker in gebruik zou zijn geweest op 14, 22, 24 en/of 26 oktober (en eventueel op andere, niet nader gespecificeerde data), voert tot de conclusie dat het ook verzoeker was die het nummer op 20 en 21 oktober in gebruik had en dat hij degene was die daadwerkelijk de aangeefster heeft gebeld.
2.11
's Hofs overwegingen sluiten allerminst uit dat een andere persoon het nummer [001] in gebruik had, of dat meerdere personen op verschillende tijdstippen van die nummers gebruik maakten, of dat telefoons werden uitgeleend aan anderen voor langere tijd of voor kortstondig gebruik. De overwegingen van het hof houden in elk geval een ontoereikende motivering in van de conclusie dat verzoeker op 20 en 21 oktober telefonisch contact zou hebben onderhouden met aangeefster [slachtoffer 2], welke conclusie bovendien innerlijk tegenstrijdig is aan de tot bewijs gebezigde aangiften in combinatie met de herkenning door de aangeefster. Ook om die reden is de bewezenverklaring van het medeplegen ontoereikend gemotiveerd.
Ontoereikende motivering medeplegen
2.12
Ten slotte Voert verzoeker aan dat uit het arrest van het hof niet kan volgen dat het aandeel in het delict, dat het hof toeschrijft aan verzoeker, een bewezenverklaring voor het medeplegen van afpersing kan dragen. Uit de bewijsconstructie blijkt niet — althans onvoldoende — dat aangeefster op 20 en/of 21 oktober 2015 telefonisch contact zou hebben gehad met een ander persoon dan de persoon die zij lijfelijk heeft ontmoet, en dat die een aandeel zou hebben gehad dat aan de vereisten voor medeplegen van afpersing voldoet.
2.13
Aangeefster beschrijft in haar aangifte die is opgenomen als bewijsmiddel 4 een lijfelijke ontmoeting met een man, en telefonische contacten tussen de man die bij haar was en een ander of anderen. In de aangifte die is opgenomen als bewijsmiddel 5 maakt aangeefster geen onderscheid tussen de mededelingen die haar in persoon werden gedaan en de mededelingen die haar per telefoon zouden zijn gedaan.
2.14
Uit bewijsmiddel 31 volgt dat het telefoonnummer [001] op 20 oktober geen inhoudelijk contact heeft gehad met de telefoon van aangeefster, en op 21 oktober tussen 14.30 en 14.51 uur ‘diverse malen’, ‘tussen 0 en 49 seconden’ contact hebben, en eventueel om 15.34 uur.43. Ook zijn er enkele mislukte pogingen tot contact.
Omtrent deze telefonische contacten blijkt uit de aangifte niet dat zij tijdens die telefonische contacten zou zijn bedreigd; of instructies zou hebben gekregen voor het afsluiten van nieuwe abonnementen.
2.15
Uw Raad heeft in het arrest van 2 december 201444. overwogen dat voor medeplegen een voldoende nauwe en bewuste samenwerking is vereist, waarbij het aandeel van de medepleger van voldoende gewicht moet zijn. 's Hofs oordeel dat verzoeker door het hebben van telefonisch contact met aangeefster een zodanige rol zou hebben vervuld dat hij als medepleger kan worden aangemerkt, volgt niet uit de bewijsmiddelen en evenmin uit de nadere bewijsoverwegingen. Daarin is immers niets bepaald omtrent de uitlatingen die jegens aangeefster zouden zijn gedaan per telefoon, zodat niet kan worden vastgesteld dat deze het niveau bereiken dat vereist is om van medeplegen te spreken. Uit de bewijsmiddelen blijkt niet rechtstreeks welke vorm de samenwerking tussen de medeverdachte en de gebruiker van die twee genoemde nummers zou hebben aangenomen en tot hoever deze samenwerking is gegaan. Nu evenmin kan blijken of die gebruiker zelfstandig delictsbestanddelen heeft vervuld dan wel feitelijke handelingen van voldoende gewicht heeft verricht, kan het bewezenverklaarde medeplegen niet uit de bewijsconstructie volgen.
Middel VI
(Medeplegen door verzoeker van feit 4 primair en feit 5 primair kan niet uit bewijsmiddelen volgen, althans is niet naar de eis der wet met redenen omkleed)
1.
Het recht is geschonden en/of naleving is verzuimd van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormvoorschriften. Met name zijn geschonden de artikelen 317 Sr en 350, 359 en 415 Sv, doordat het bewijs van het medeplegen van afpersing van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] door verzoeker niet kan volgen uit de bewijsmiddelen en hetgeen het hof in zijn bewijsoverwegingen heeft vastgesteld, zodat de bewezenverklaring in zoverre niet naar de eis der wet met redenen is omkleed.
Toelichting:
2.1
Ten laste van verzoeker heeft het Hof onder feit 4 primair en 5 primair bewezen verklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van afpersing van respectievelijk [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] tot het afgeven van aan hen toebehorende telefoons (voor wat betreft [slachtoffer 3] tevens een laptop), en tot het afsluiten van telefoonabonnementen (voor wat betreft [slachtoffer 3] tevens het treffen van een afbetalingsregeling voor de aanschaf van een laptop), door bedreiging met geweld.
2.2
Deze bewezenverklaringen steunen op de bewijsmiddelen 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 21, 22, 23, 24, 25, 29, 31, 32 en 33.
2.3
De bewezenverklaring van het medeplegen is voorts, naar aanleiding van door de raadsman gevoerde verweren, door het hof als volgt gemotiveerd:45.
‘De raadsman heeft tenterechtzitting in hoger beroep integrale vrijspraak bepleit en heeft daartoe het volgende aangevoerd.
(…)
d) Ten aanzien van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4]
[betrokkene 4], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] hebben de verdachte niet herkend als één van de daders. De auto van [betrokkene 2] wordt gezien maar [betrokkene 2] is daar niet naar bevraagd en het aannemen dat de verdachte toen en daar gebruik maakte van die auto is speculatief van aard nu dat nergens uit blijkt. Indien ook niet gekomen wordt tot het bewijs dat de verdachte de gebruiker — met uitsluiting van anderen — was van het telefoonnummer eindigend op [001], ontbreekt ook hier het bewijs van zijn betrokkenheid.
(…)
Het hof verwerpt de verweren en overweegt daartoe als volgt.
(…)
De verdachte kan met de afpersing in verband worden gebracht door middel van telefoonnummer [001] (hierna [001]). Dit telefoonnummer hoort bij een van de abonnementen die de aangeefster [slachtoffer 1] op 8 oktober 2015 heeft moeten afsluiten. Dit nummer is vanaf 8 oktober 2015 om 21.11 uur gebruikt in een toestel waarmee aangeefster [slachtoffer 1] op 8 oktober 2015 een aantal keren was gebeld door één van de daders van de afpersing. Dit telefoonnummer [001] blijkt voorts meerdere malen uit te peilen nabij het woonadres van de verdachte aan de [a-straat te a-plaats]. Op 14, 22 en 24 oktober 2015 heeft dit telefoonnummer contact gehad met telefoonnummer [002] dat op naam staat van [betrokkene 2], de vriendin van de verdachte. Dat [betrokkene 2] zijn vriendin is, heeft de verdachte ook niet ontkend. Voorts peilt dit nummer op 26 oktober 2015 in De Meern uit. Op die dag zijn [slachtoffer 4] en [betrokkene 4] door de twee daders in een witte Peugeot met kenteken [AA-00-BB] opgehaald. Die auto staat op naam van [betrokkene 2], de vriendin van de verdachte.
(…)
- Ad d)
[slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] hadden contact met een dader die het telefoonnummer [001] gebruikte. De verdachte kan als gebruiker van dat telefoonnummer worden aangemerkt. [slachtoffer 4] en [betrokkene 4] zijn op 26 oktober 2015 in De Meern door de daders opgehaald in een witte Peugeot met kenteken [AA-00-BB], die op naam staat van [betrokkene 2], de vriendin van verdachte. Het telefoonnummer [001] peilde toen uit in De Meern. Het hof leidt hieruit af dat de verdachte één van de daders is. Dat [betrokkene 4], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] de verdachte niet hebben herkend en [betrokkene 2] niet is bevraagd over wie haar auto gebruikte, doet daar niet aan af. Zowel [slachtoffer 3] als [slachtoffer 4] zijn via [betrokkene 4] in contact gekomen met de daders. Het hof gaat, gelet op hun verklaringen, ervan uit dat dezelfde daders betrokken zijn geweest bij de afpersingen van zowel [slachtoffer 3] als [slachtoffer 4].
[slachtoffer 4] heeft bij het kijken van de uitzending van ‘avro tros opgelicht’ [betrokkene 1] herkend. Uit het dossier blijkt dat [betrokkene 1] de medeverdachte [betrokkene 1] is.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van afpersing van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4].’
Onvoldoende nauwkeurige duiding wettig bewijsmiddel
2.4
Verzoeker wijst er in de eerste plaats op dat noch uit de bewijsmiddelen, noch anderszins uit het arrest kan volgen dat het telefoonnummer [001] zou zijn gebruikt in een telefoontoestel waarmee aangeefster [slachtoffer 1] op 8 oktober 2015 een aantal malen zou zijn gebeld.
Het hof heeft in zijn bewijsoverweging ter zake van deze vaststelling niet verwezen naar enig bewijsmiddel c.q. de bewijsmiddelen waaruit het deze feiten en omstandigheden heeft afgeleid. Aldus heeft het hof ten aanzien van dit — de bewezenverklaring mede dragende — feit niet met voldoende mate van nauwkeurigheid het wettig bewijsmiddel aangegeven waaraan het deze vaststelling ontleende.46. De bewezenverklaring is in zoverre dan ook niet naar de eis der wet met redenen omkleed.
Ontoereikende motivering telefonisch contact verzoeker met aangeefster
2.5
In aanvulling daarop meent verzoeker dat het hof ontoereikend heeft gemotiveerd dat hij degene zou zijn geweest die gebruik maakte van telefoonnummer [001] en dus in telefonisch contact zou hebben gestaan met de aangeefster.
2.6
De bewijsconstructie dienaangaande houdt een niet sluitende gedachtegang van het hof in. Het hof heeft vastgesteld dat:
- (i)
Een door aangeefster [slachtoffer 1] in de middag van 8 oktober 2015 aangeschaft telefoonnummer [001] diezelfde avond in een telefoontoestel is gebruikt, waarmee [slachtoffer 1] eerder die middag zou zijn gebeld;47.
- (ii)
Dat door [slachtoffer 1] aangeschafte nummer meerdere malen zou zijn uitgepeild in de nabijheid van het woonadres van verzoeker;48.
- (iii)
Dit nummer drie maal — op 14, 22 en 24 oktober 2015 — zou hebben gebeld naar een telefoon op naam van de vriendin van verzoeker;
- (iv)
Dit telefoonnummer op 26 oktober 2015 zou zijn uitgepeild in een locatie waar een andere aangeefster ([slachtoffer 4], feit 5) in een auto die op naam staat van de vriendin van verzoeker, door twee daders zou zijn opgehaald;
Ook het oordeel van het hof dat [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] telefonisch contact zouden hebben gehad met verzoeker steunt op deze feiten en omstandigheden. In dat verband voert verzoeker derhalve, voor zover relevant, hetzelfde dan als in eerder geformuleerde klachten tegen deze vaststelling.
2.7
Uit de vaststellingen dat het nummer [001] ‘meerdere malen’ bleek uit te peilen ‘nabij’ het woonadres van verzoeker, en dat daarmee op 14, 22 en 24 oktober 2015 is gebeld met een telefoon die aan de vriendin van verzoeker wordt toegeschreven (en tussen 14–24 oktober nog een aantal malen vergeefs contact is gezocht49.), valt niet zonder meer af te leiden dat het verzoeker was die toen de gebruiker van die telefoon zou zijn geweest. Uit bewijsmiddel 3250. blijkt dat immers ook met de telefoon die aan de medeverdachte wordt toegeschreven driemaal (op 5, 18 en 23 oktober) contact is gelegd met de telefoon op naam van die [betrokkene 2]. De vaststelling van het hof dat het betreffende nummer ‘meerdere malen’ zou zijn uitgepeild nabij het woonadres van verzoeker, is niet nader gespecificeerd of uitgewerkt. Uit bewijsmiddel 31 volgt dat het nummer [001] een aantal malen de zendmast aan de [b-straat 01] of de [c-straat 01] peilde, te weten:
- •
op 21 oktober 2015 op meerdere tijdstippen in de periode van 15.09 uur tot 16.19 uur, en in de periode van 18.07 uur tot 20.58 uur;
- •
op twee tijdstippen in de middag (14.24 uur en 14.48 uur) van 22 oktober 2015;
- •
op drie tijdstippen (14.05 uur, 16.31 uur en 20.31 uur) op 26 oktober;
- •
om 10.49 uur op 27 oktober;
Op 21 oktober 2015 zou het nummer [001] blijkens bewijsmiddel 31 ook in de periode van 14.30 tot 14.5151. steeds de zendmasten [b-straat 01] en [c-straat 01] hebben gepeild, doch uit bewijsmiddel 3252. blijkt dat het nummer op 21 oktober 2015 om 14.41 uur een zendmast aan de [d-straat te b-plaats] peilde.
Zelfs indien van de zendmasten [b-straat 01] en [c-straat 01] gezegd kan worden dat van algemene bekendheid zou zijn dat deze zich in de nabijheid van het woonadres van verzoeker bevinden, kan de beperkte frequentie waarmee in deze korte periode deze zendmasten werden gepeild niet zonder meer de vaststelling dragen dat de gebruiker van dat nummer daar in de buurt woonachtig zou moeten zijn. Slechts op één enkele datum (21/10/15) is er sprake van een iets langduriger periode waarin het nummer aldaar zou hebben gepeild (doch niet direct op tijdstippen die op ‘bewonersaanwezigheid’ duiden), voor het overige betreft het sporadische peilingen. De conclusie dat verzoeker dus de gebruiker van dit telefoonnummer was, kan niet gedragen worden door deze gegevens.
2.8
Overigens bevat bewijsmiddel 31 bevindingen als:53.‘[001] peilt [b-straat, a-plaats]’ en ‘Tijdens genoemde contacten op deze data peilt [001] voornamelijk middels zendmasten aan de [b-straat] en [c-straat], daarnaast in [b-plaats]’ en ‘totale periode van contact is 14.10.15 t/m 26.10.15. [001] peilt veelal middels zendmasten aan de [c-straat] en [b-straat]’ en ‘de andere locaties zijn die van zendmasten aan de [b-straat] en [c-plaats]’.
Deze bevindingen zijn te onbepaald om als ondersteuning te kunnen dienen voor de vaststelling dat het nummer [001] meerdere malen in de nabijheid van de woning van verzoeker uitpeilden. Niet bekend (noch van algemene bekendheid) is hoeveel zendmasten zich er aan die beide straten bevinden, en waar zij zich in die straten bevinden. Van deze bevindingen kan derhalve niet zonder meer, welk meerdere ontbreekt, worden aangenomen dat het locaties ‘in de nabijheid’ van het woonadres van verzoeker betreft.
Voorts worden er ook andere peilzenders genoemd, en zijn de termen ‘veelal’ en ‘voornamelijk’ niet nader uitgewerkt. Dat deze bevindingen de vaststelling steunen dat verzoeker de gebruiker van dit nummer zou zijn, is derhalve evenmin begrijpelijk.
Ook in onderlinge samenhang beschouwd kan uit voormelde feiten en omstandigheden niet worden afgeleid dat verzoeker in de periode van 14–26 oktober de gebruiker van nummer [001] zou zijn geweest. In zoverre is het oordeel van het hof ontoereikend gemotiveerd.
2.9
's Hofs overwegingen sluiten allerminst uit dat een andere persoon het nummer [001] in gebruik had, of dat meerdere personen op verschillende tijdstippen van die nummers gebruik maakten, of dat telefoons werden uitgeleend aan anderen voor langere tijd of voor kortstondig gebruik. De overwegingen van het hof houden dan ook een ontoereikende motivering in van de conclusie dat verzoeker (…) telefonisch contact zou hebben onderhouden met [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4]. Ook om die reden is de bewezenverklaring van het medeplegen ontoereikend gemotiveerd.
Innerlijk tegenstrijdige bewijsvoering
2.10
Voorts meent verzoeker dat de bewezenverklaring van feit 4 primair en feit 5 primair innerlijk tegenstrijdig is gemotiveerd op grond van het navolgende.
Enerzijds overwoog het hof dat het er, gelet op hun verklaringen, van uit gaat dat [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] zijn afgeperst door dezelfde daders. In dat verband overwoog het hof nog dat beiden in contact zijn gekomen met de daders via [betrokkene 4]. De verklaringen van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] bevatten op zichzelf overigens geen aanknopingspunten die de vaststelling dat beiden op verschillende data met dezelfde daders te maken hadden, kunnen ondersteunen.
Anderzijds heeft het hof ook de verklaring van [betrokkene 4] tot bewijs gebezigd, als bewijsmiddel 7.54. In die tot bewijs gebezigde verklaring spreekt [betrokkene 4] van ‘man 2’ en ‘man 3’ als personen die aanwezig waren bij de feiten waarvan [slachtoffer 3] aangifte deed, terwijl zij de mannen waarbij zij 4 dagen later met [slachtoffer 4] in de auto stapte omschrijft als ‘man 1’ en ‘man 2’. Daaruit volgt dat er kennelijk sprake is van drie verschillende mannen, die in verschillende samenstelling van 2 bij deze twee feiten betrokken zijn geweest.
De overweging van het hof dat bij beide feiten dezelfde twee daders betrokken waren vindt dus weerlegging in het door het hof gebezigde bewijsmiddel 7. Nu de bewijsvoering in zoverre innerlijk tegenstrijdig is te achten kan deze voor wat betreft beide feiten reeds daarom niet in stand blijven. Voor zover Uw Raad meent dat dit euvel slechts de bewezenverklaring van één van beide feiten zou aantasten kan de bewezenverklaring in elk geval in zoverre niet in stand blijven.
Ontoereikende motivering feit 5 primair
2.11
De betrokkenheid van verzoeker bij feit 5 primair berust op de in onderlinge samenhang beziene vaststellingen dat verzoeker de gebruiker zou zijn van telefoonnummer [001], dat dit nummer op 26 oktober 2015 uitpeilde in De Meern waar aangeefster [slachtoffer 4] en getuige [betrokkene 4] werden opgehaald, en dat dit ophalen geschiedde met een auto die op naam staat van de vriendin van verzoeker.
Het gegeven dat op 26 oktober 2015 aangeefster [slachtoffer 4] is opgehaald in een auto die op naam staat van de vriendin van verzoeker, kan niet zonder meer bijdragen aan de (hiervoor aangevallen) vaststelling dat verzoeker de gebruiker zou zijn van telefoonnummer [001], noch kan het de vaststelling dragen dat verzoeker toen en daar ook in de auto aanwezig zou zijn geweest.
2.12
Voorop staat dat de verdediging er bij pleidooi op heeft gewezen dat naar de gebruiker van de auto nimmer onderzoek is gedaan en dat verzoeker in elk geval niet is herkend door aangeefster [slachtoffer 4]. Door het hof is daaromtrent slechts overwogen dat zulks ‘niet afdeed’ aan de vaststellingen door het hof.
Nu uit de bewijsmiddelen evenwel volgt dat de medeverdachte ook telefonisch contact had met een telefoonnummer dat op naam stond van de vriendin van verzoeker, terwijl die medeverdachte wel is herkend door aangeefster [slachtoffer 4], sluiten de bewijsmiddelen niet uit dat een ander dan verzoeker de auto van de vriendin heeft gebruikt.
Nu evenmin (zonder meer) toereikend is gemotiveerd dat verzoeker de gebruiker zou zijn van nummer [001], kunnen beide (niet zonder meer redengevende) feiten elkaar niet in versterkende zin ondersteunen. Aangezien uit het feit dat de auto op naam van zijn vriendin in De Meern is geweest niet zonder meer kan worden afgeleid dat verzoeker deze in gebruik had, draagt dit gegeven niet bij aan de conclusie dat hij de gebruiker zou zijn van nummer [001].
Andersom geldt evenzeer dat nu niet toereikend is gemotiveerd dat verzoeker de gebruiker van nummer [001] zou zijn, het feit dat dit nummer is gepeild in De Meern niet bijdraagt aan de conclusie dat verzoeker die auto in gebruik zou hebben.
2.13
Om voormelde redenen, des nodig in onderlinge samenhang bezien, kan 's hofs arrest voor wat betreft de bewezenverklaring en veroordeling voor de feiten 4 primair en 5 primair niet in stand blijven.
Middel VII
(bewezenverklaring oplichting feit 6 ontoereikend gemotiveerd)
1.
Het recht is geschonden en/of naleving is verzuimd van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormvoorschriften. Met name zijn geschonden de artikelen 326 Sr en 342, 350, 359 en 415 Sv, doordat het hof de bewezenverklaring dat aangeefster is bewogen tot het aangaan van schulden in de vorm van telefoonabonnementen en een lening voor een Macbook, heeft doen steunen op de verklaring van uitsluitend aangeefster, en voorts doordat het bewezenverklaarde aanwenden van een samenweefsel van verdichtsels niet naar de eis der wet met redenen is omkleed.
2. Toelichting
2.1
Ten laste van verzoeker heeft het Hof bewezen verklaard dat hij door een samenweefsel van verdichtsels aangeefster heeft bewogen tot het aangaan van schulden bestaande uit het afsluiten van telefoonabonnementen en het treffen van een afbetalingsregeling voor een Macbook, door aangeefster in strijd met de waarheid te zeggen dat de zwager van een medeverdachte bij een hoofdkantoor dat samenwerkte met alle providers werkte en dat deze bestaande abonnementen uit het systeem kon verwijderen, en dat zij een geldbedrag zou krijgen, waardoor aangeefster zou zijn bewogen tot het aangaan van een schuld.
2.2
Deze bewezenverklaring steunt op de bewijsmiddelen 26 (aangifte), 27 (pv van herkenning door aangeefster) en 28 (pv herkenning verbalisant op basis van camerabeelden).
2.3
De bewezenverklaring van het medeplegen is voorts, naar aanleiding van door de raadsman gevoerde verweren, door het hof als volgt gemotiveerd:55.
‘De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep integrale vrijspraak bepleit en heeft daartoe het volgende aangevoerd.
(…)
e) Ten aanzien van [betrokkene 5] (feit 6)
[betrokkene 5] stelt dat haar gezegd is dat er iemand was die, na het verkrijgen van de mobiele telefoons en de laptops, haar naam uit de systemen van de providers zou verwijderen. Zij wist derhalve dat zij een bijdrage zou leveren aan de oplichting van de providers en dat zij derhalve een strafbaar feit pleegde. Onder die omstandigheden kan men niet betogen dat de gedane mededeling zodanig vertrouwenwekkend was dat men daarop zou kunnen vertrouwen, zeker niet indien men daarbij de in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid betrekt. Zij verklaart voorts nergens dat zij door die voorstelling van zaken bewogen is tot het afsluiten van abonnementen. Haar is voorgehouden dat zij geld hiervoor zou krijgen en zij heeft ook daadwerkelijk geld, te weten € 500, hiervoor gekregen. Dat er nog van een bedrag van € 700 werd gesproken moge zo zijn, maar [betrokkene 5] heeft het bedrag gekregen dat was afgesproken. Dit betekent dat het samenweefsel van verdichtsels alleen bestaat uit de mededeling dat de abonnementen uit het systeem zouden worden verwijderd. Een enkele mededeling die in strijd met de waarheid is, levert geen samenweefsel van verdichtsels op.
Het Hof verwerpt deze verweren en overweegt daartoe als volgt.
(…)
- Ad e)
De aangeefster [betrokkene 5] had contact met ene [betrokkene 6]. Haar is voorgehouden dat een zwager van [betrokkene 6] als leidinggevende op een hoofdkantoor werkte dat met alle providers samenwerkte en dat hij, vanwege zijn functie, abonnementen uit het systeem zou kunnen halen. Aldus zou zij een abonnement af kunnen sluiten waarbij je een gratis telefoon krijgt. Vervolgens zou het abonnement uit het systeem worden verwijderd zodat er niets op haar naam zou blijven staan. Voorts is [betrokkene 5] voorgehouden dat zij € 700 extra zou krijgen voor het kopen op afbetaling van een Macbook. Dit geld heeft zij echter niet gekregen. Er is aldus sprake geweest van een samenweefsel van verdichtsels en niet van een enkele onjuiste mededeling zoals door de raadsman gesteld. (…)’
Unus testis
2.4
Geen van de bewijsmiddelen ondersteunt de aangifte voor zover deze het afsluiten van telefoonabonnementen en het aangaan van een lening voor de aankoop van een laptop betreft. Slechts de tot het bewijs gebezigde aangifte van aangeefster maakt melding van het afsluiten van deze contracten en lening.
2.5
De bewezenverklaring van feit 6 steunt derhalve in strijd met het bepaalde in art. 342 lid 2 Sv op de verklaring van slechts één getuige. 's Hofs arrest kan mitsdien reeds daarom niet in stand blijven.
Ontoereikende motivering samenweefsel van verdichtsels
2.6
Bij een samenweefsel van verdichtsels gaat het volgens de rechtspraak van Uw Raad in de kern om gesproken en/of geschreven uitingen die bij een ander een op meer dan een enkele leugenachtigheid mededeling gebaseerde onjuiste voorstelling van zaken in het leven kunnen roepen. Van ‘meer dan een enkele leugenachtige mededeling’ kan sprake zijn indien meerdere duidelijk van elkaar te onderscheiden leugens kunnen worden aangewezen, maar ook indien sprake is van een leugenachtige mededeling van voldoende gewicht, in combinatie met andere aan de verdachte toe te rekenen omstandigheden die tot misleiding van het slachtoffer kunnen leiden, zoals misbruik van een bestaande vertrouwensrelatie.56. Daarbij komt het aan op alle omstandigheden van het geval, waartoe behoren de vertrouwenwekkende aard, het aantal en de indringendheid van de (geheel of gedeeltelijk) onware mededelingen in hun onderlinge samenhang, de mate waarin de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid degene tot wie de mededelingen zijn gericht aanleiding had moeten geven de onwaarheid te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedreigen en de persoonlijkheid van het slachtoffer.57.
2.7
Uit de aangifte volgt dat aangeefster heeft gereageerd op een advertentie op internet van ‘[betrokkene 6]’ uit ‘[d-plaats]’ die luidde:58.‘Vandaag nog 1000 euro. Hey zit jij een beetje krap bij kas en kan je 1000 euro goed gebruiken liever vandaag dan morgen stuur me dan een berichtje groetjes [betrokkene 6].’ Daarop heeft zij gereageerd en is haar per mail gezegd dat deze [betrokkene 6] een zwager had die als leidinggevende werkte op een hoofdkantoor dat samenwerkt met alle providers. Deze zwager zou vanwege zijn functie abonnementen uit het systeem kunnen halen. Zo zou aangeefster een abonnement kunnen afsluiten waarbij zij een gratis telefoon kreeg, waarna het abonnement uit het systeem zou worden gehaald en dus niet meer op haar naam zou staan. Zij zou daarvoor betaald worden. Op dat voorstel is aangeefster ingegaan en is een ontmoeting afgesproken.
2.8
Dat is niet aan te merken als een leugenachtige mededeling van voldoende gewicht of van zodanig bijzonder vertrouwenwekkende aard, dat — in combinatie met een betalingstoezegging — gesproken kan worden van een samenweefsel van verdichtsels. Vanwege het dubieuze karakter van het voorstel (het houdt immers een strafbaar feit in) en de wijze waarop het contact tot stand kwam (via het anonieme internet in een zoektocht naar een manier ‘om geld te verdienen’ , en een aldus aangetroffen vage advertentie59.) kan evenmin worden gesproken van een bijzondere vertrouwensrelatie waarvan misbruik zou zijn gemaakt. Uit de bewijsvoering ter zake van feit 6 kan derhalve niet worden afgeleid dat de aangeefster door een samenweefsel van verdichtsels zou zijn bewogen tot het afsluiten van telefoonabonnementen en het aangaan van een lening voor de aanschaf van een Macbook.
2.9
Ten aanzien van het voorstel om een Macbook op afbetaling te kopen komt daar bovendien bij dat uit de bewijsmiddelen volgt dat dit werd voorgesteld na het afsluiten van het laatst aangegane telefoonabonnement.60. Het kopen van een item bij Mediamarkt op afbetaling kan op geen enkele wijze onder de vlag worden gebracht van de mededeling ‘dat een zwager die werkzaam was op een hoofdkantoor dat samenwerkte met providers, vanwege zijn functie abonnementen uit een systeem kon halen’. Dat kan aangeefster hier ook niet hebben gedacht en derhalve kan niet blijken dat zij op grond daarvan zou zijn bewogen tot het aangaan van die schuld. De tot bewijs gebezigde aangifte houdt voorts in dat bij dat verzoek gezegd zou zijn ‘dat het anders zou gaan dan bij de telefoonwinkels’. De enige — niet nagekomen — belofte was dat aangeefster € 700,- zou krijgen. Dat kan niet tot het oordeel leiden dat van een samenweefsel van verdichtsels sprake is, dat dan ook in zoverre niet uit de bewijsmiddelen is af te leiden.
2.10
Op grond van het voorgaande, des nodig in onderlinge samenhang bezien, meent verzoeker dat de bewezenverklaring van feit 6 niet naar de eis der wet met redenen is omkleed, zodat het arrest in zoverre niet in stand kan blijven.
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mr. I. van Straalen, advocaat te Den Haag, die verklaart dat verzoeker hem daartoe bepaaldelijk heeft gevolmachtigd.
Den Haag, 20 augustus 2018
I. van Straalen
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 20‑08‑2018
Respectievelijk bewijsmiddel 1 (feit 1 primair), bewijsmiddel 4 en 5 (feit 3), bewijsmiddel 6 (feit 4 primair) en bewijsmiddel 11 (feit 5 primair);
Arrest p. 10–12;
P-v zitting d.d. 9 februari 2018, p. 4, aansluitend op de aanhef van de pleitnota in hoger beroep;
Pleitnota eerste aanleg, p. 2, pleitnota hoger beroep p. 1;
Pleitnota eerste aanleg, p. 1;
Pleitnota eerste aanleg, p. 2;
Pleitnota eerste aanleg, p. 2;
Pleitnota eerste aanleg, pp. 6, 7
Pleitnota eerste aanleg, p. 8;
Pleitnota eerste aanleg, p. 8;
Pleitnota eerste aanleg p. 9;
Pleitnota hoger beroep p. 2;
ECLI:NL:PHR:2017:1126, onder 9;
ECLI:NL:PHR:2017:1126 onder 15;
Pleitnota d.d. 9 februari 2018, p. 2;
Bewijsmiddel 7, arrest p. 18;
Pleitnota 29 juni 2016, p. 8;
Arrest pp. 13–15, 23, 25–27, 28–44;
Arrest p. 10–12;
HR 24 juni 2003, NJ 2004, 165; analoog tevens HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0424;
Arrest p. 39;
Zonder daartoe naar het bewijsmiddel te verwijzen waaraan het deze vaststelling ontleende, zie klacht onder 2.4 hiervoor;
Zonder daartoe naar het bewijsmiddel te verwijzen waaraan het deze vaststelling ontleende, zie klacht onder 2.4 hiervoor
Bewijsmiddel 31, p> 36;
Arrest p. 38;
Arrest pp. 30–36;
Bewijsmiddel 31, arrest p. 34;
Arrest p. 37;
AlIe arrest p. 35;
Feit 6, bewijsmiddel 26, arrest p. 26;
Arrest p. 10–12;
HR 24 juni 2003, NJ 2004, 165; analoog tevens HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0424;
Zonder daartoe naar het bewijsmiddel te verwijzen waaraan het deze vaststelling ontleende, zie klacht onder 2.4 hiervoor;
Zonder daartoe naar het bewijsmiddel te verwijzen waaraan het deze vaststelling ontleende, zie klacht onder 2.4 hiervoor
Bewijsmiddel 31, p. 36;
Arrest p. 38;
Arrest pp. 30–36;
Bewijsmiddel 31, arrest p. 34;
Arrest p. 37;
Alle arrest p. 35;
Arrest p. 34, 35;
Arrest p. 10–12;
HR 24 juni 2003, NJ 2004, 165; analoog tevens HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0424;
Zonder daartoe naar het bewijsmiddel te verwijzen waaraan het deze vaststelling ontleende, zie klacht onder 2.4 hiervoor;
Zonder daartoe naar het bewijsmiddel te verwijzen waaraan het deze vaststelling ontleende, zie klacht onder 2.4 hiervoor
Be wijsmiddel 31, p. 36;
Arrest p. 38;
Bewijsmiddel 31, arrest p. 34;
Arrest p. 37;
Alle arrest p. 35;
Arrest p. 18;
Arrest p. 10–12;
HR 20 december 2016), ECLI:NL:HR:2016:2889;
HR 15 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ8600;
Bewijsmiddel 26, arrest p. 26;
Kennelijk op de site ‘sexjobs.nl’, zie pleitnota eerste aanleg p. 5;
Bewijsmiddel 26, arrest p. 26 onderaan;