Cessie
Einde inhoudsopgave
Cessie (O&R nr. 70) 2012/IX.3.3.5:IX.3.3.5 Conclusie
Cessie (O&R nr. 70) 2012/IX.3.3.5
IX.3.3.5 Conclusie
Documentgegevens:
mr. M.H.E. Rongen, datum 01-10-2011
- Datum
01-10-2011
- Auteur
mr. M.H.E. Rongen
- JCDI
JCDI:ADS356433:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
876. Conclusie. De belangrijkste bevinding waartoe het voorgaande met betrekking tot het positieve recht leidt, is dat het arrest WUH/Emmerig q.q. mogelijk een beperktere reikwijdte heeft dan vaak wordt aangenomen. Het automatisme waarmee veelal wordt aangenomen dat wat voor huurvorderingen geldt, ook geldt voor vorderingen uit andersoortige duurovereenkomsten, is misplaatst. Van geval tot geval moet aan de hand van de aard van de overeenkomst, die in geval van een benoemde overeenkomst mede wordt bepaald door de daarvoor getroffen wettelijke regeling, en de partijbedoeling worden beoordeeld of er sprake is van een bestaande of toekomstige vordering. Wat betreft de huurovereenkomst is het verdedigbaar dat de nieuwe wettelijke regeling van titel 7.4 BW ervan uitgaat dat de huurvordering een bestaande vordering tot periodieke betalingen is.
Voorts is het gelet op het arrest Tiethoff q.q./NMB verdedigbaar dat de regel van het WUH-arrest, voor zover daaraan wel een ruimere strekking toekomt, enkel ziet op vorderingen die de tegenprestatie betreffen voor prestaties die in geval van faillissement van de schuldeiser door de curator gehonoreerd moeten worden (zoals het verschaffen van huurgenot).