Verbondenheid in het belastingrecht
Einde inhoudsopgave
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/3.7:3.7 Faillissementsrecht
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/3.7
3.7 Faillissementsrecht
Documentgegevens:
Dr. R.N.F. Zuidgeest, datum 20-11-2008
- Datum
20-11-2008
- Auteur
Dr. R.N.F. Zuidgeest
- JCDI
JCDI:ADS602962:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Fiscaal ondernemingsrecht (V)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het faillissementsrecht omvat het geheel van regels op grond waarvan het vermogen van een debiteur onder beslag komt te liggen. Door het faillissement wordt de debiteur beschikkingsonbevoegd over zijn vermogen; in zijn plaats wordt een curator bevoegd om hierover te beschikken.
Van Achterberg (1989) beschrijft concernrechtelijke aspecten van de Faillissementswet. Zo kent art. 43 lid 1 onder 6° Fw een weerlegbaar vermoeden dat er wetenschap van benadeling van schuldeisers aanwezig was in gevallen waarin een debiteur rechtshandelingen heeft verricht met of ten opzichte van een ‘groepsmaatschappij’. In art. 43 lid 1 onder 4° tot en met 6° Fw wordt dezelfde wetenschap ook toegeschreven indien rechtshandelingen zijn verricht met een aantal nader omschreven verbonden personen. Dit betreft bijvoorbeeld een aandeelhouder die ten minste 50% van het geplaatste kapitaal bezit, en een bestuurder. Dit duidt op organisatorische en financiële verbondenheid. De bepaling heeft een obligatoir karakter, en de daarin gehanteerde begrippen hebben een vereenzelvigingsfunctie.
Overigens valt op dat er ten aanzien van de bedoelde rechtspersonen opnieuw een eigen omschrijving van verbondenheid is opgenomen. Er is in art. 43 lid 1 onder 5° Fw bijvoorbeeld niet aangeknoopt bij het begrip ‘dochtermaatschappij’ in de zin van art. 2:24a BW, of de term ‘groepsmaatschappij’ van art. 2:24b BW.
In art. 43 lid 1 onder 4° tot en met 6° Fw kunnen ook aangrijpingspunten worden gevonden voor verbondenheid tussen natuurlijke personen. Hierbij worden de echtgenoot, pleegkind en bloed- of aanverwanten tot in de derde graad als verbonden personen aangemerkt. Op basis van art. 43 lid 2 Fw wordt een geregistreerde partner of andere levensgezel ook als ‘echtgenoot’ behandeld. Bij deze omschrijving gaat het om een vereenzelvigingsfunctie, omdat handelingen van de verbonden personen voor de toepassing van art. 43 Fw worden toegerekend aan de betrokken debiteur.