Einde inhoudsopgave
Verhandelbare emissierechten in broeikasgassen (SteR nr. 34) 2017/7.3.1.2
7.3.1.2 Uitvoering van de handhaving
mr. T.J. Thurlings, datum 01-08-2017
- Datum
01-08-2017
- Auteur
mr. T.J. Thurlings
- JCDI
JCDI:ADS608217:1
- Vakgebied(en)
Energierecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Stb. 2013, nr. 130.
MvT, Kamerstukken II 2012/13, 33466, nr. 3, p. 9 en 10.
Jaarverslagen zijn te downloaden van: https://www.emissieautoriteit.nl/documenten, zoeken op ‘jaarverslag’ (geraadpleegd op 14 februari 2017). De jaarverslagen spreken over ‘bedrijven’. Deze term zou in principe ook op verificateurs betrekking kunnen hebben. Echter, wanneer in de jaarverslagen wordt gekeken naar de taakbeschrijving van de NEa, dan worden wel taken genoemd die specifiek betrekking hebben op de controle op (vliegtuig)exploitanten, maar worden er geen specifieke taken genoemd die betrekking hebben op verificateurs (zie bijvoorbeeld de taakbeschrijving van de NEa in het jaarverslag van 2014, p. 12 en 13). Het een en ander lijkt erop te wijzen dat er geen actief toezicht wordt gehouden op verificateurs. Dit vermoeden vindt ook bevestiging in het document ‘U krijgt een inspectie op locatie’, waarin basisinformatie wordt gegeven voor bedrijfslocaties over bedrijfsbezoeken van de NEa; dit document beschrijft alleen toezichtbezoeken aan exploitanten en gaat verder niet in op het toe-zicht op verificateurs. Ook het trefwoord ‘verificateur’ levert op de website van de NEa geen resultaten die wijzen op een actieve controle van de NEa op verificateurs (laatst geraadpleegd op 24 januari 2017).
In 2013 werden er 122 toezichtsbezoeken uitgevoerd. In 2014 werden er 67 toezichtsbezoeken uitgevoerd. In 2015 werden er 48 toezichtsbezoeken bij inrichtingen uitgevoerd, waarvan 17 specifiek gericht waren op handhaving. In dat jaar werden er 4 huisbezoeken bij vliegtuigexploitanten afgelegd. In 2013 waren er 485 vergunninghouders, in 2014 waren er 448 en in 2015 waren er 443. Per 9 februari 2015 zijn er 27 vliegtuigexploitanten met een hoofdvestiging in Nederland, waarvan Nederland de administrerende lidstaat is (Verordening (EG) 748/2009 jo Verordening (EU) 180/2015, zie tevens Verordening (EU) 282/2016 en Verordening (EU) 294/2017).
Artikel 56 lid 1 Verordening (EU) 600/2012.
Artikel 56 lid 2 Verordening (EU) 600/2012.
Artikel 56 lid 3 Verordening (EU) 600/2012.
Er is evenmin aanleiding om aan te nemen dat ambtenaren van het Ministerie van I&M toezicht uitoefenen op verificateurs.
Artikel 58 Verordening (EU) 600/2012.
Artikel 59 Verordening (EU) 600/2012.
Artikel 60 Verordening (EU) 600/2012 jo artikel 8 Verordening (EG) 765/2008.
Artikel 62 Verordening (EU) 600/2012.
Artikel 63 Verordening (EU) 600/2012 jo artikel 8 lid 4 Verordening (EG) 765/2008.
https://www.european-accreditation.org/role (geraadpleegd op 14 februari 2017).
https://www.rva.nl/nieuws/2014/peer-evaluatie-rva (geraadpleegd 14 februari 2017). Het evaluatierapport is tevens van deze pagina te downloaden.
Artikel 8 Verordening (EG) 765/2008 bevat de eisen die ingevolge die Verordening aan nationale accreditatie-instanties worden gesteld, waaronder eisen inzake onafhankelijkheid en bekwaamheid.
MvT, Kamerstukken II 2008/09, 31 931, nr. 3, p. 10.
Artikel 39 Wzbo. Op 29 april 2016 is een overwegend positief rapport conform deze bepaling afgegeven (Dijkzeul, Van Schelven & Kuipérie 2016).
Artikel 27 lid 2 Wzbo.
Artikel 27 lid 3 Wzbo.
Artikel 8 WNAI jo artikel 29 Wzbo.
Artikel 29 lid 2 Wzbo.
Artikel 30 Wzbo.
Artikel 18 lid 2 Wzbo.
Artikel 18 lid 1 Wzbo.
Artikel 34 lid 1 Wzbo
Artikel 34 lid 2 Wzbo.
Artikel 34 lid 3 Wzbo.
Artikel 35 lid 1 Wzbo.
Artikel 35 lid 2 Wzbo jo artikel 2:393 lid 2 BW.
Artikel 35 lid 3 Wzbo.
Artikel 35 lid 4 Wzbo.
https://www.rva.nl/onze-organisatie/jaarverslagen (laatst geraadpleegd op 14 februari 2017).
Artikel 22 Wzbo
Artikel 23 Wzbo.
Artikel 9 lid 3 Verordening (EG) 765/2008 bepaalt: ‘De lidstaten houden zoveel mogelijk rekening met de resultaten van de uit hoofde van artikel 10 verrichte collegiale toetsing bij de uitvoering van de in lid 2 van dit artikel bedoelde bewaking.’ Artikel 65 lid 1 Verordening (EU) 600/2012 bepaalt, voor zover relevant: ‘Rekening houdend met de resultaten van de overeenkomstig artikel 64 uitgevoerde collegiale toetsing.’
MvT, Kamerstukken II 2008/09, 33 466, nr. 3, p. 4.
Jaarverslag NEa 2013, p. 15.
Artikel 71 lid 2 Verordening (EU) 600/2012.
Artikel 70 lid 1 Verordening (EU) 600/2012. De nationale accreditatie-instantie dient een dergelijke lijst aan de bevoegde autoriteit van iedere lidstaat te overhandigen, waarin door haar geaccrediteerde verificateurs zijn opgenomen die voornemens zijn in die lidstaat actief te zijn.
Artikel 70 lid 1 Verordening (EU) 600/2012.
Artikel 70 lid 2 Verordening (EU) 600/2012. Hieronder vallen in ieder geval alle nationale wetgeving of richtsnoeren.
Artikel 70 lid 3 Verordening (EU) 600/2012.
Artikel 71 jo artikel 53 Verordening (EU) 600/2012.
Idem.
Artikel 75 leden 1 en 2 Verordening (EU) 600/2012.
Artikel 75 lid 2 Verordening (EU) 600/2012.
Jaarverslag NEa 2013, p. 15.
Beleidsregels I&M 2016, p. 11.
De RvA maakt intrekkingen, beperkingen en schorsingen via haar website openbaar: https://www.rva.nl/geaccrediteerde-organisaties/schorsingen-en-intrekkingen (geraadpleegd op 10 maart 2017). Let wel: de RvA accrediteert ook andere conformiteitsbeoordelingsinstanties. Op deze lijst staan op het moment van schrijven wel intrekkingen en schorsingen van organisaties vermeld, maar geen intrekkingen of schorsingen ten aanzien van verificateurs.
Nederlandse emissieautoriteit
Om te beoordelen of de uitvoering van de handhaving van de RvA en de NEa voldoende afschrikwekkend en evenredig is, dient te worden uitgezocht op welke wijze toezicht wordt gehouden op de verificateurs. In dat verband is van belang dat de NEa naast de sanctiebevoegdheden van het bestuur van de NEa, ook met eigen ambtenaren actief toezicht kan houden op de werkzaamheden van verificateurs. Zo bepaalt artikel 18.4 Wm:
‘Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens hoofdstuk 16 bepaalde, alsmede de naleving van de in artikel 18.5 genoemde bepalingen van de Verordening monitoring en rapportage emissiehandel en van de in artikel 18.6 genoemde bepalingen van de Verordening verificatie en accreditatie emissiehandel, zijn belast de bij besluit van Onze Minister aangewezen ambtenaren.’
De verwijzingen naar artikel 18.5 en 18.6 Wm zijn bij wet van 28 maart 2013 aan artikel 18.4 Wm toegevoegd.1 Daarvoor werd slechts verwezen naar hoofdstuk 16 Wm. De AMvB-bepaling die vastgesteld is op grondslag van artikel 18.4 Wm, zijnde artikel 8a Besluit aanwijzing ambtenaren VROM-regelgeving (hierna: BaaV), bepaalt, voor zover relevant, als volgt:
‘De ambtenaren werkzaam bij de afdeling Toezicht en handhaving van de Nederlandse emissieautoriteit in oprichting, zijn belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens [...] hoofdstuk 16 van de Wet milieubeheer.’
Een verwijzing naar artikel 18.5 en 18.6 Wm is hier niet in opgenomen. Toch moet worden aangenomen dat de betreffende ambtenaren ook zijn belast met het toezicht op de naleving van de betreffende bepalingen uit de Verordening. Uit artikel 2.7 Wm vloeit namelijk voort dat de ambtenaren door de Minister ter beschikking zijn gesteld aan het bestuur van de NEa. Dit betekent dus dat deze ambtenaren ook de algemene bevoegdheden hebben die voortvloeien uit artikel 7 Baav, waar zij zijn belast met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens de Wet milieubeheer bepaalde.
Wel maakt de Memorie van Toelichting duidelijk dat de NEa ten aanzien van verificateurs slechts over aanvullende bevoegdheden bezit, en dat het toezicht in hoofdzaak is geconcentreerd bij de RvA:
‘Onderdeel AA (nieuwe artikelen 18.5 en 18.6)
Toegevoegd worden twee artikelen met verbodsbepalingen inzake het niet naleven van voorschriften uit beide verordeningen. Deze bepalingen worden opgenomen om overtreding van artikelen uit de beide verordeningen bestuursrechtelijk (door de NEa) te kunnen handhaven (via de artikelen 18.6a en 18.16a, zie artikel I, de onderdelen BB en CC) en via artikel 1a van de Wed strafbaar te kunnen stellen (zie artikel II).
De aanwijzing van bepalingen uit de Verordening verificatie en accreditatie in artikel 18.6 Wm en 1a van de Wed is beperkt tot kernbepalingen, aangezien de RvA bijniet adequaat functioneren van verificateurs eigen sanctiemiddelen ter beschikking staan, met name het intrekken van de accreditatie. Bestuursrechtelijke handhaving door de NEa is opgenomen, opdat de NEa ook zelf sanctionerend optreden tegen een verificateur die zonder te zijn geaccrediteerd verificatiewerkzaamheden verricht of dieten onrechte een goedkeurende verklaring afgeeft. De NEa komt deze bevoegdheid toe vanuit haar toezichthoudende rol als nationale emissieautoriteit op het ETS-systeem.
Onderdelen BB en CC (artikelen 18.6a en 18.16a)
De artikelen 18.6a resp. 18.16a bevatten een toekenning van de bestuursrechtelijke sanctiemiddelen last onder dwangsom resp. bestuurlijke boete aan de NEa. Beide bepalingen worden aangevuld met een verwijzing naar voorschriften uit beide verordeningen via de (nieuwe) artikelen 18.5 en 18.6.
Primair heeft de Raad voor Accreditatie een controlerende rol met betrekking tot de verificateurs en kan de NEa met betrekking tot verificateurs, die niet aan hun taken in het kader van deze verordeningen voldoen, een klacht indienen. Aanvullend hierop wordt een eigen bevoegdheid tot handhaving voor de NEa zinvol geacht. Die bevoegdheid heeft betrekking op de verplichtingen voor de verificateur die relevant zijn voor de NEa in haar rol als toezichthouder op een adequate uitvoering van de Verordening monitoring en rapportage emissiehandel en op de werking van het ETS-systeem. Zo kan de NEa sanctionerend optreden tegen een verificateur die zonder te zijn geaccrediteerd verificatiewerkzaamheden verricht of die ten onrechte een goedkeurende verklaring afgeeft (zie artikel I, onderdeel AA).’ [onderstreping door auteur].2
De NEa lijkt ook in de praktijk met betrekking tot het toezicht op verificateurs een ondergeschikte rol aan die van de RvA in te nemen. In de praktijk lijkt het bestuur van de NEa geen gebruik te maken van de toezichthoudende bevoegdheden ten aanzien van verificateurs. In de jaarverslagen van NEa van 2013, 2014 en 2015 wordt wel aandacht besteed aan het toezicht op (vliegtuig)exploitanten, maar niet aan toezicht op verificateurs. 3Het toezicht op exploitanten is daarentegen vrij intensief, met relatief veel ‘huisbezoeken’ aan bedrijven om te controleren of het MP wel wordt nageleefd.4 Aangezien hiermee ook indirect de verificatie wordt gecontroleerd, bestaat er dus wel een indirect toezicht op verificateurs door de NEa.
Raad voor de accreditatie
Verordening (EU) 600/2012 en Verordening (EG) 765/2008 bevatten eisen ten aanzien van de inrichting en het functioneren van de nationale accreditatie-instantie. Zo moet deze instantie zo georganiseerd zijn dat de onafhankelijkheid van de verificateurs die zij beoordeelt, alsmede haar onafhankelijkheid bij accreditatieactiviteiten is gewaarborgd.5 Ook moeten de taken van de nationale accreditatie-instantie duidelijk worden onderscheiden van die van de bevoegde autoriteit en andere nationale autoriteiten.6 De nationale accreditatie-instantie dient alle uiteindelijke beslissingen in verband met de accreditatie van verificateurs te nemen,7 al mag de nationale accreditatie-instantie bepaalde taken uitbesteden overeenkomstig EN ISO/IEC 17011: 2004.8
De Nederlandse indeling van het toezicht lijkt evenwel op gespannen voet te staan met deze verplichting tot onderscheid, en uiteindelijke beslissingen ten aanzien van de RvA. Immers, een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete opgelegd aan een verificateur wegens het overtreden van bepalingen uit Verordening (EU) 600/2012 houden een duidelijk verband met de accreditatie van die verificateur. Een accreditatie is immers een erkenning van het voldoen aan de eisen die uit de Verordening voortvloeien, terwijl de last onder dwangsom of bestuurlijke boete wordt opgelegd voor overtredingen van diezelfde Verordening.
Daartegen kan weliswaar worden opgemerkt dat de uiteindelijke beslissing over de accreditatie an sich ligt bij het bestuur van de RvA, dit neemt niet weg dat artikel 53 lid 3 Verordening (EU) het heeft over alle uiteindelijke besluiten in verband met de accreditatie van verificateurs. Dit lijkt dus breder te zijn dan alleen de beslissingen omtrent de toekenning, opschorting, intrekking en beperking van accreditaties. Ook het opleggen van een last onder dwangsom en bestuurlijke boete door het bestuur van de NEa zijn uiteindelijke besluiten. Immers, deze besluiten kunnen niet ongedaan gemaakt worden door het bestuur van de RvA. Mijns inziens zouden dus ook uiteindelijke beslissingen omtrent de oplegging van bestuurlijke boetes en last onder dwangsommen bij het bestuur van de RvA moeten liggen, en niet bij het bestuur van de NEa. Dit zou kunnen worden bewerkstelligd door tegen het besluit tot oplegging van een last onder dwangsom en de bestuurlijke boete administratief beroep bij het bestuur van de RvA open te stellen.
Ook de toezichtbevoegdheden die aan ambtenaren van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu (hierna: I&M) en het bestuur van de NEa zijn gegeven krachtens artikelen 7 en 8a BaaV, staan op gespannen voet met het duidelijke onderscheid dat dient te worden gemaakt in de taken van de nationale accreditatie-instantie en die van de RvA. In de praktijk houden ambtenaren van de NEa evenwel, zoals gesteld, geen direct toezicht op verificateurs.9
Verder worden er competentie-eisen gesteld aan beoordelaars10 en technisch deskundigen.11 Ook dient de nationale accreditatie-instantie te voldoen aan de eisen die aan hem worden gesteld door artikel 8 Verordening (EG) 765/2008.12 Deze bepaling vertoont deels overlap met de hierboven beschreven specifieke bepalingen uit Verordening (EU) 600/2012. Verder dient de nationale accreditatie-instantie te beschikken over een klachtenprocedure conform artikel 61 Verordening (EU) 600/2012. Ook dient de instantie bescheiden bij te houden over elk bij het accreditatieproces betrokken persoon. Uit deze bescheiden moet kunnen worden herleid dat de persoon aan de vereisten van Verordening (EU) 600/2012 voldoet.13 De nationale accreditatie-instantie dient informatie verkregen tijdens accreditatieactiviteiten aan het publiek ter beschikking te stellen en bij te werken, maar dient waar nodig wel de vertrouwelijkheid van informatie te garanderen.14
De nationale accreditatie-instantie dient regelmatig een collegiale toetsing te ondergaan (een toetsing door een overkoepelend orgaan waarvan de nationale accreditatie-instanties van de EU-lidstaten lid kunnen worden). In dat verband verwijst artikel 64 Verordening (EU) 600/2012 naar de overeenkomstig artikel 14 Verordening (EG) 765/2008 erkende instantie. Momenteel is dit de Europese samenwerking voor accreditatie (hierna: EA).15
De laatste toetsingen van de RvA dateren van 2013 en 2014. De RvA heeft deze toetsingen succesvol ondergaan. De volgende toetsing is gepland voor 2017.16 Er mag derhalve van worden uitgegaan dat de RvA haar taken als beschreven in Verordening (EU) 600/2012 serieus uitvoert. Dit wordt onderstreept door artikel 66 Verordening (EU) 600/2012, dat voorziet in een wederzijdse erkenning van verificateurs die door de nationale accreditatie-instantie die de collegiale toetsing succesvol is doorlopen, zijn geaccrediteerd.
Daarbovenop schrijft artikel 65 Verordening (EU) 600/2012 voor dat de lidstaten ook zelf hun nationale accreditatie-instantie op regelmatige basis monitoren, om ervoor te zorgen dat deze voortdurend aan de eisen van de Verordening voldoet. Deze bepaling heeft overlap met de bepalingen uit artikel 9 lid 2 Verordening (EG) 765/2008, waarin wordt bepaald dat een lidstaat met regelmatige tussenpozen hun nationale accreditatie-instantie moet bewaken om ervoor te zorgen dat zij doorlopend aan de eisen van artikel 8 van die Verordening voldoet.17 De Nederlandse regering overwoog bij het wetsvoorstel ter uitvoering van deze Verordening als volgt:
‘Op grond van de verordening moeten de lidstaten regelmatig toezicht houden op hun nationale accreditatie-instantie en zo nodig binnen een redelijke termijn passende corrigerende maatregelen nemen. De minister van Economische Zaken heeft hiertoe de mogelijkheden uit de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen. Dit betekent dat hij sturing geeft en toezicht houdt door middel van het stellen van beleidsregels, het goedkeuren van tarieven en het vragen van inlichtingen. Voorts dient de RvA het jaarverslag en de begroting aan de minister voor te leggen. De Kaderwet zelfstandige bestuursorganen regelt bovendien dat indien een zelfstandig bestuursorgaan zich niet aan zijn verplichtingen houdt of niet goed functioneert, de minister in uitzonderlijke gevallen kan optreden tegen taakverwaarlozing. In het wetsvoorstel is daarenboven nog bepaald dat de benoeming van de leden van het bestuursorgaan van de RvA en een wijziging van de statuten de goedkeuring van de minister behoeven. De Raad van Toezicht houdt intern toezicht. Zo ziet hij erop toe dat de doelstellingen van de RvA door het bestuur worden gerealiseerd en staat hij het bestuur met raad ter zijde. In het kader van de uitvoering van de verordening moet de nationale accreditatie-instantie een strikt en transparant systeem van collegiale toetsing hanteren en zelf regelmatig een dergelijke toetsing ondergaan (artikel 10 van de verordening). Bij deze collegiale toetsing wordt vastgesteld of de nationale accreditatie-instantie voldoet aan de eisen die aan de nationale accreditatie-instantie worden gesteld. Dit is voor de minister van Economische Zaken een goede indicatie of de RvA goed functioneert.’18
De Kaderwet zelfstandige bestuursorganen (hierna: Wzbo) regelt verschillende relaties tussen de Minister van Economische Zaken (hierna: EZ) en zelfstandige bestuursorganen (hierna: zbo’s). De bevoegdheden van de Minister EZ waar de MvT op wijst zijn met name geregeld in hoofdstuk 3 Wzbo en, wat het financieel toezicht betreft, in artikel 8 WNAI jo artikelen 26-35 Wzbo. De benodigde goedkeuring voor de benoeming van bestuursleden en de statuten is geregeld in artikel 3 WNAI. Over het functioneren van de RvA dient hier bovenop iedere vijf jaar verslag te worden uitgebracht aan de beide Kamers der Staten-Generaal.19 Het interne toezicht door de Raad van Toezicht heeft voor wat betreft de uitvoering van artikel 65 Verordening (EU) 600/2012 geen betekenis, omdat deze controle niet van de lidstaat Nederland uitgaat.
Het meest actieve toezicht is vooral gevestigd in het jaarlijkse (financiële) toezicht. Ieder jaar dient de RvA overeenkomstig de artikelen 26-29 een begroting bij de Minister EZ in te dienen. In deze begroting dient te worden aangewezen welke posten betrekking hebben op de aan hem opgedragen taken, en welke posten voor andere activiteiten zijn begroot.20 Tevens dient de begroting een vergelijking met de begroting van het voorgaande jaar en met de laatst goedgekeurde jaarrekening te bevatten.21 Deze begroting dient daarbij goedkeuring te krijgen van de Minister EZ.22 Deze goedkeuring kan de Minister EZ onthouden, wegens strijd met het recht of het algemeen belang, maar hij is dit dus niet verplicht.23 Indien gedurende het jaar aanmerkelijke verschillen ontstaan, of dreigen te ontstaan, tussen de werkelijke en begrote baten en lasten, dan wel inkomsten en uitgaven, dan dient de RvA hiervan onverwijld mededeling te doen aan de Minister EZ onder vermelding van de oorzaak van de verschillen.24 Verder dient de RvA jaarlijks aan de Minister EZ en de beide Kamers der Staten-Generaal een jaarverslag en jaarrekening toe te sturen.25 In het jaarverslag dienen de taakuitvoering en het gevoerde beleid uiteengezet te worden. Het jaarverslag dient tevens het gevoerde beleid met betrekking tot de kwaliteitszorg te bevatten.26 Tegelijk met het jaarverslag dient de RvA een jaarrekening in bij de Minister EZ.27 De jaarrekening behoeft goedkeuring van de Minister EZ.28 De Minister EZ kan deze goedkeuring onthouden, wegens strijd met het recht of het algemeen belang, maar hij is dit dus niet verplicht.29 De jaarrekening dient zoveel mogelijk te zijn ingericht overeenkomstig titel 9 van Boek 2 BW.30 De jaarrekening dient te zijn vergezeld van een verklaring omtrent de getrouwheid van een registeraccountant of een Accountant-Administratieconsulent. Bij het aanwijzen van deze accountant dient de RvA te bedingen dat de Minister EZ desgevraagd inzicht wordt geboden in de controlewerkzaamheden van de accountant.31 De verklaring heeft mede betrekking op de rechtmatige inningen besteding van middelen.32 De accountant voegt bij de verklaring tevens een verslag van zijn bevindingen over de vraag of het beheer en de organisatie van de RvA voldoen aan eisen van doelmatigheid. 33
De jaarverslagen en jaarrekeningen worden door de RvA overigens ook actief online gepubliceerd.34
Verder moet erop worden gewezen dat de Minister EZ bevoegd is besluiten van het bestuur van de RvA te vernietigen. Dit vernietigingsbesluit moet worden openbaar gemaakt in de Staatscourant.35 Ook kan de Minister EZ noodzakelijke voorzieningen treffen, indien het bestuur van de RvA haar taken ernstig verwaarloost. Van deze voorzieningen moet onverwijld mededeling worden gedaan aan beide Kamers der Staten-Generaal. 36
Mijns inziens is met bovenstaande bevoegdheden en het actieve toezicht op de begroting, het jaarverslag en de jaarrekening voldoende uitvoering gegeven aan artikel 65 Verordening (EU) 600/2012, evenals artikel 9 lid 2 Verordening (EG) 765/2008. Beide Verordeningen maken mijns inziens duidelijk dat de lidstaat aanvullend toezicht dient te houden op nationale accreditatie-instantie. Het zwaartepunt van toezicht ligt bij de collegiale toetsing.37
Nu de RvA de toetsingen van de EA succesvol heeft doorlopen, en de Minister EZ tot op heden nog geen begroting of jaarrekening heeft afgekeurd, noch vernietigingsbesluiten heeft genomen, moet er voor dit onderzoek van worden uitgegaan dat de RvA goed functioneert. De RvA houdt dus volgens de normen van Verordening (EU) 600/2012, Verordening (EG) 765/2008 en EN ISO/IEC 17011 en EN ISO 14065:2013 toezicht op de verificateurs die zij heeft geaccrediteerd. Daarmee moet ook worden geconcludeerd dat de Nederlandse verificateurs in beginsel geacht moeten worden volgens de normen van Verordening (EU) 600/2012 te functioneren. De sancties die het bestuur van de RvA ten aanzien van overtreders kan opleggen zijn evenwel beperkt tot intrekking, opschorting en beperking van accreditaties, hetgeen onder omstandigheden onvoldoende kan zijn, in welk geval het bestuur van de NEa evenwel met haar aanvullende bevoegdheden kan optreden met een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete.
Gezamenlijk toezicht: het optreden van de NEa en RvA in samenhang bezien Hoofdstuk VI Verordening (EU) 600/2012 voorziet in een verplichte informatie-uitwisseling tussen de NEa en de RvA. Zo bepaalt artikel 69 lid 1 dat de lidstaten dienen zorg te dragen voor een passende informatie-uitwisseling en samenwerking tussen de bevoegde autoriteit en de nationale accreditatie-instantie. Nederland heeft hier niet via wetgeving uitvoering aangegeven. In de Memorie van Toelichting op het wetsvoorstel ter uitvoering van Verordening (EU) 600/2012 is hierover de volgende passage terug te vinden:
‘De omzetting van dit hoofdstuk vergt geen wijziging van wet- of regelgeving. De RvA en de NEa zullen over het uitwisselen van informatie onderling afspraken maken.’38
Aangezien artikel 69 lid 1 Verordening ook geen omzetting in wetgeving vereist, is dit standpunt van de regering verdedigbaar. Wel is vereist dat er een daadwerkelijke informatie-uitwisseling plaatsvindt. In dat kader kan gewezen worden op jaarverslag 2013 van de NEa, waarin wordt vermeld dat als gevolg van verplichte momenten voor het overdragen van informatie als gevolg van de Verordening (hierna te bespreken), het overleg tussen de NEa en RvA is geïntensiveerd.39 Niet is aangegeven wat onder deze intensivering wordt verstaan. Echter, bekijken we de verplichte momenten van informatieoverdracht die door de Verordening worden voorgeschreven, dan is het de vraag welke toegevoegde waarde artikel 69 lid 1 Verordening heeft. Zo regelt artikel 72 Verordening dat de bevoegde autoriteit de nationale accreditatie-instantie jaarlijks informeert over:
a) relevante resultaten van de controle van het verslag van een exploitant of vliegtuigexploitant en van de verificatierapporten, in het bijzonder eventuele vaststellingen dat die verificateur deze verordening niet heeft nageleefd;
b) de resultaten van de inspectie van de exploitant of vliegtuigexploitant wanneer die resultaten relevant zijn voor de nationale accreditatie-instantie betreffende de accreditatie en het toezicht op de verificateur of wanneer die resultaten een vaststelling bevatten dat die verificateur deze verordening niet heeft nageleefd;
c) resultaten van de evaluatie van de interne verificatiedocumentatie van die verificateur wanneer de bevoegde autoriteit de interne verificatiedocumentatie heeft geëvalueerd overeenkomstig artikel 26, lid 3; d) klachten die de bevoegde autoriteit heeft ontvangen met betrekking tot die verificateur.’
Wanneer deze informatie aantoont dat de bevoegde autoriteit heeft vastgesteld dat de verificateur de Verordening niet heeft nageleefd, moet de nationale accreditatie-instantie de mededeling van deze informatie beschouwen als een klacht van de bevoegde autoriteit over de verificateur in de zin van artikel 61 Verordening. 40Dit verplicht de nationale accreditatie-instantie op haar beurt tot het doorlopen van het klachtenproces als voorgeschreven door die bepaling. Verder dient de nationale accreditatie-instantie binnen drie maanden na ontvangst van de informatie te antwoorden en passende maatregelen te nemen om de informatie te verwerken. In dit antwoord brengt de nationale accreditatie-instantie de bevoegde autoriteit op de hoogte van de door haar genomen maatregelen en, indien relevant, de aan de verificateur opgelegde administratieve maatregelen.
De nationale accreditatie-instantie dient op haar beurt op uiterlijk 31 december van ieder jaar een accreditatiewerkprogramma aan de bevoegde autoriteit van iedere lidstaat te bezorgen. In dit werkprogramma dient een lijst met de door deze instantie geaccrediteerde verificateurs te worden opgenomen die hebben bekend gemaakt voornemens te zijn in de betreffende lidstaat verificatiewerkzaamheden te gaan verrichten.41 Dit programma dient in ieder geval de volgende elementen met betrekking tot iedere verificateur te bevatten:
‘a) de verwachte tijd en plaats van de verificatie;
b)informatie over activiteiten die de nationale accreditatie-instantie heeft gepland voor die verificateur, in het bijzonder toezichts- en herbeoordelingsactiviteiten;
c) datums van door de nationale accreditatie-instantie uit te voeren verwachte observatiecontroles om de verificateur te beoordelen, alsook de adres- en contactgegevens van exploitanten of vliegtuigexploitanten die tijdens de observatiecontrole worden bezocht;
d) informatie over de vraag of de nationale accreditatie-instantie al dan niet een verzoek om toezichtactiviteiten uit te voeren heeft ingediend bij de nationale accreditatie-instantie van de lidstaat waarin de verificateur de verificatie uitvoert.’42
De bevoegde autoriteit dient vervolgens alle relevante informatie aan de nationale accreditatie instantie te sturen.43 Op uiterlijk 1 juni van ieder jaar dient de nationale accreditatie-instantie een beheersverslag bij de bevoegde autoriteit in. Dit verslag bevat in ieder geval de volgende informatie met betrekking tot iedere geaccrediteerde verificateur:
‘a) accreditatiegegevens van verificateurs die voor het eerst zijn geaccrediteerd door die nationale accreditatie-instantie, waaronder het toepassingsgebied van de accreditatie voor deze verificateurs;
b) wijzigingen van het toepassingsgebied van de accreditatie voor deze verificateurs;
c) samengevatte resultaten van toezicht- en herbeoordelingsactiviteiten die zijn uitgevoerd door de nationale accreditatie- instantie;
d) samengevatte resultaten van buitengewone beoordelingen die hebben plaatsgevonden, inclusief de redenen voor het starten van dergelijke buitengewone beoordelingen;
e) eventuele klachten die zijn ingediend tegen de verificateur sinds het laatste beheersverslag en de maatregelen die zijn genomen door de nationale accreditatie-instantie.’44
Ook dient de nationale accreditatie-instantie de bevoegde autoriteit op de hoogte te stellen van opgelegde administratieve maatregelen, zijnde de intrekking, opschorting of beperking van de accreditatie.45 Ook de beëindiging van een opschorting, of de vernietiging van een administratieve maatregel dient te worden medegedeeld aan de bevoegde autoriteit.46 Bovendien dient deze instantie een databank op te stellen, te beheren en toegankelijk te maken voor onder meer de bevoegde autoriteit.47 Deze databanken dienen in ieder geval de volgende informatie te bevatten, en deze informatie dient tevens voor het publiek beschikbaar te worden gesteld:
‘a) naam en adres van elke verificateur die is geaccrediteerd door die nationale accreditatie-instantie;
b) de lidstaten waarin de verificateur een verificatie uitvoert;
c) het toepassingsgebied van de accreditatie van elke verificateur;
d) de datum waarop de accreditatie is verleend en de verwachte vervaldatum van de accreditatie;
e) informatie over administratieve maatregelen die aan de verificateur zijn opgelegd.’48
Zo bezien schrijft de Verordening dus al een actieve informatie-uitwisseling over de activiteiten van verificateurs tussen het bevoegd gezag en de nationale accreditatie-instantie voor. Wat de Verordening evenwel niet regelt en evenmin in nationale regelgeving is vastgelegd, is informatie-uitwisseling over door het bestuur van de NEa opgelegde sancties (last onder dwangsom en bestuurlijke boete). Het is aan te raden, waar het bestuur van de NEa in de toekomst dergelijke sancties aan verificateurs zou opleggen, ook deze informatie door te spelen naar de RvA, opdat het bestuur van de RvA hiermee in haar eigen sanctiebeleid rekening kan houden. Voor het overige waarborgt de verplichte informatie-uitwisseling die hierboven is beschreven reeds een voldoende informatie-uitwisseling en samenwerking tussen de RvA en de NEa. Voor zover overleg is geïntensiveerd ter voorbereiding van deze informatie-uitwisseling, versterkt dit de samenwerking en informatie-uitwisseling.49
Over de toepassing van sancties op overtredingen is momenteel weinig te zeggen. De beleidsregels die gelden voor het sanctiebeleid van de NEa zien niet op verificateurs (Beleidsregels Nederlandse emissieautoriteit handhaving handel in emissierechten 2016, hierna: Beleidsregels I&M 2016).50 Bovendien zijn er op dit moment geen intrekkingen, beperkingen of schorsingen van accreditaties opgelegd aan verificateurs die door de RvA zijn geaccrediteerd.51
Conclusie verificateurs
Samenvattend moet worden vastgesteld dat het toezicht op verificateurs intensief is. Door de RvA wordt op zich al actief toezicht gehouden op verificateurs, met een aanvullend toezicht van het bestuur van de NEa. De Nederlandse verificateurs blijken hiermee dus betrouwbare verificaties in overeenstemming met de relevante regelgeving uit te voeren. Voor zover een Nederlandse drijver en/of vliegtuigexploitant gebruik maakt van een buitenlandse verificateur, moet worden vastgesteld dat ook deze moet zijn geaccrediteerd door een nationale accreditatie-instantie die op haar beurt onder toezicht van het EA staat. Als achtervang geldt in Nederland dan nog het toezicht dat op drijvers en vliegtuigexploitanten wordt gehouden door het bestuur van de NEa, waarbij steekproefsgewijs emissieverslagen worden gecontroleerd. Hiermee moet worden aangenomen dat een verificatie van een verificateur in beginsel betrouwbaar is.