De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting
Einde inhoudsopgave
De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting (IVOR nr. 112) 2018/4.4.6:4.4.6 Samenvatting en conclusies
De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting (IVOR nr. 112) 2018/4.4.6
4.4.6 Samenvatting en conclusies
Documentgegevens:
mr. M.J. van Uchelen-Schipper, datum 04-02-2018
- Datum
04-02-2018
- Auteur
mr. M.J. van Uchelen-Schipper
- JCDI
JCDI:ADS384890:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Economische ordening
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De oprichter van een stichting die statutenwijziging, waaronder doelwijziging, door een stichtingsorgaan mogelijk wil maken, moet deze mogelijkheid uitdrukkelijk in de statuten opnemen. De wetgever heeft dit bewust in de wet zo geregeld. Met dit voorschrift onderscheiden stichtingen zich van andere rechtspersonen, waarvan de leden of aandeelhouders uiteindelijk met unanimiteit altijd het doel kunnen wijzigen, zelfs als wijziging van het doel statutair uitgesloten is.
Een oprichter die er voor kiest om doelwijziging mogelijk te maken biedt meer flexibiliteit: het doel kan worden aangepast indien toekomstige omstandigheden of ontwikkelingen dit nodig maken zonder dat de rechter betrokken hoeft te worden.
Uit de literatuur blijkt dat veel stichtingsstatuten (bijvoorbeeld in algemene bewoordingen) statutenwijziging, waaronder doelwijziging, mogelijk maken. Het lijkt tegenwoordig eerder andersom te zijn: als doelwijziging niet wordt toegestaan wordt dit expliciet in de statuten bepaald. Niettemin blijft het naar mijn mening wenselijk om de wettelijke regeling die inhoudt dat wijziging slechts mogelijk is als de statuten dit expliciet toestaan te handhaven. Van belang is dat de oprichter – met behulp van de notaris die de statuten opstelt – stilstaat bij en nadenkt over de vraag of hij doelwijziging wil toestaan. Het vermogen van de stichting is immers gebonden aan het doel van de stichting, zodat doelwijziging er toe kan leiden dat het vermogen een andere bestemming krijgt.
Overwogen kan worden om in de statuten te bepalen dat het stichtingsbestuur het doel slechts kan wijzigen na goedkeuring van een ander orgaan, een (overheids)instantie of een derde. Indien de stichting een raad van toezicht instelt, zou deze naar mijn mening altijd een rol moeten hebben bij doelwijziging. Het betreft immers een besluit dat het karakter en het wezen van de stichting raakt: het eventueel aanwezige vermogen is doelgebonden en krijgt door doelwijziging een andere bestemming. Daarmee heeft het besluit mogelijk ingrijpende gevolgen voor de bij de stichtingen betrokken belanghebbenden. De raad van toezicht (die verplicht of vrijwillig is ingesteld) dient naar mijn mening uit hoofde van zijn taak toe te zien op de wijze waarop het bestuur gebruikmaakt van zijn bevoegdheid om het stichtingsdoel te wijzigen. De wetgever zou deze betrokkenheid van de raad van toezicht naar mijn mening dienen te formaliseren en de raad van toezicht op dit gebied “tanden dienen te geven” door te bepalen dat de raad van toezicht goedkeuring moet verlenen aan besluiten van het bestuur tot doelwijziging. Dit laat overigens onverlet dat in de statuten ook goedkeuring van een ander (zoals een overheidsinstantie) kan worden voorgeschreven.
Indien het bestuur en/of de raad van toezicht van de oprichter in de statuten vrijheid hebben gekregen ten aanzien van vaststelling van een nieuw doel, dienen niettemin de belangen van de bij stichting betrokken belanghebbenden (begunstigden, donateurs) in acht genomen te worden. De afweging van de betrokken belangen kan er onder omstandigheden toe leiden dat het bestuur en de raad van toezicht een vergaande doelwijziging ongeoorloofd (moeten) achten.
De vraag of een wijziging geoorloofd is, hangt af van de aard van de wijziging in verband met het oorspronkelijke doel van de stichting (staan deze ver van elkaar af?), de wijze waarop het stichtingsvermogen tot stand is gekomen (is het vermogen gevormd met bijdragen van “derden”?) en de vraag of de stichting verplichtingen is aangegaan dan wel er ten opzichte van de stichting verwachtingen bestaan. Het kan relevant zijn om een onderscheid te maken tussen de voornaamste, primaire statutaire doelstellingen en de meer “ondersteunende” doelstellingen. Het bestuur en de raad van toezicht kunnen in sommige gevallen de voor de rechter geldende normen als richtsnoer gebruiken, dat wil zeggen: het nieuwe doel dient verwant te zijn aan (de strekking van) het oorspronkelijke doel en rekening dient gehouden te worden met de wil van de oprichter getransponeerd naar de huidige omstandigheden.
Indien doelwijziging in de statuten niet mogelijk is gemaakt, kan de rechter verzocht worden om het doel aan te passen indien ongewijzigde handhaving zou leiden tot gevolgen die bij de oprichting redelijkerwijze niet kunnen zijn gewild. De mogelijkheid om doelwijziging bij de rechter te verzoeken wordt, mijns inziens ten onrechte, niet geboden aan de raad van toezicht. Indien de rechter overgaat tot doelwijziging, zou dit – bijvoorbeeld via de website van de stichting of een advertentie – bekend gemaakt moeten worden zodat belanghebbenden van de stichting op de hoogte zijn en binnen de door de wet gestelde termijn bezwaar kunnen aantekenen tegen de rechterlijke doelwijziging.