Parketnummer 22-002024-22.
HR, 23-09-2025, nr. 24/00558
ECLI:NL:HR:2025:1354
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
23-09-2025
- Zaaknummer
24/00558
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1354, Uitspraak, Hoge Raad, 23‑09‑2025; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:873
ECLI:NL:PHR:2025:873, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 26‑08‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1354
Beroepschrift, Hoge Raad, 21‑02‑2024
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2025-0286
Uitspraak 23‑09‑2025
Inhoudsindicatie
Art. 416.2 Sv na veroordeling t.z.v. belediging van politieagent, art. 266.1 jo. 267.2 Sr. Dubbel verstek. Geen p-v van tz. in hoger beroep opgemaakt, art. 326.1 Sv. Nietigheid van onderzoek ttz. in h.b. en naar aanleiding daarvan gedane uitspraak? HR: Om redenen vermeld in CAG slaagt middel. CAG: Bij de aan HR gezonden stukken bevindt zich geen p-v van tz. in h.b. maar wel brief van teamvoorzitter hof, inhoudende dat p-v van tz. niet is uitgewerkt. O.g.v. deze brief moet worden aangenomen dat geen p-v van tz. in h.b. is opgemaakt. Volgt vernietiging en terugwijzing.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/00558
Datum 23 september 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 16 augustus 2023, nummer 22-002024-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van 16 augustus 2023 en de naar aanleiding daarvan gedane uitspraak nietig zijn, omdat geen proces-verbaal van die terechtzitting is opgemaakt.
2.2
Het cassatiemiddel slaagt. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 september 2025.
Conclusie 26‑08‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Belediging ambtenaar (art. 267 Sr). Slagend middel over ontbreken proces-verbaal van de zitting van het hof. Conclusie strekt tot vernietiging van het arrest.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/00558
Zitting 26 augustus 2025
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,
hierna: de verdachte.
Inleiding
1.1
De verdachte is bij arrest van 16 augustus 2023 door het gerechtshof Den Haag1.niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter van de rechtbank Rotterdam waarbij de verdachte is veroordeeld wegens “eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening” tot een geldboete van € 300,-, subsidiair zes dagen hechtenis. De politierechter heeft daarnaast de tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf gelast.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel
2.1
Het middel bevat de klacht dat het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van 16 augustus 2023 en de naar aanleiding daarvan gedane uitspraak nietig zijn, omdat geen proces-verbaal van die terechtzitting is opgemaakt.
2.2
Op grond van art. 326 lid 1 Sv houdt de griffier het proces-verbaal van de terechtzitting, waarin aantekening geschiedt van de vormen die in acht zijn genomen en van al wat met betrekking tot de zaak op de terechtzitting voorvalt.
2.3
Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt zich geen proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 16 augustus 2023, maar wel een brief van de teamvoorzitter van het gerechtshof Den Haag. Deze brief houdt in:
“Geachte voorzitter van de strafkamer bij de Hoge Raad,
Hierbij informeer ik u dat in het eindarrest van bovengenoemde zaak staat vermeld dat dit is gewezen door drie raadsheren. Gebleken is echter dat de zitting feitelijk enkelvoudig is gehouden.
Derhalve is het proces-verbaal van de terechtzitting niet uitgewerkt.
Van belang is dat deze informatie beschikbaar is in de cassatieprocedure, zodat eventuele rechtsgevolgen in het verdere verloop van de procedure kunnen worden betrokken.
Hoogachtend,
Namens het MT van het gerechtshof Den Haag,
(…)
Teamvoorzitter”
2.4
Op grond van deze brief moet worden aangenomen dat geen proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep is opgemaakt.
2.5
Het middel is terecht voorgesteld.2.
Afronding
3. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 26‑08‑2025
Vgl. HR 16 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:235.
Beroepschrift 21‑02‑2024
PROCESINLEIDING VERZOEKPROCEDURE HOGE RAAD
Algemeen
Gerecht: | Hoge Raad der Nederlanden |
Adres: | Korte Voorhout 8 |
2511 EK DEN HAAG | |
Datum indiening: | 21 februari 2024 |
Partijen en advocaten
Verzoeker tot cassatie
Naam: | de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid; Immigratie- en Naturalisatiedienst) |
Met zetel te: | Den Haag |
Advocaat bij de Hoge Raad: | S.M. Kingma, die door verzoeker als zodanig wordt aangewezen om hem in het geding in cassatie te vertegenwoordigen |
Kantoor en kantooradres advocaat: | Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn N.V. |
Bezuidenhoutseweg 57 | |
2594 AC DEN HAAG |
Verweerder in cassatie
Naam: | de heer [verdachte] |
Adres: | House no. [adres], [wijk], [woonplaats], [land] |
Advocaat feitelijke instantie: | H.L.M. Lichteveld |
Kantoor en kantooradres advocaat: | Advokatenkollektief Oost |
Robert Kochplantsoen 2 | |
1097 GH AMSTERDAM |
Bestreden beschikking
Instantie: | rechtbank Den Haag |
Datum: | 23 november 2023 |
Middel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van het vormvereiste van een toereikende motivering doordat de rechtbank heeft geoordeeld als vermeld in de bestreden beschikking, dit ten onrechte om de volgende, mede in onderling verband en samenhang in aanmerking te nemen redenen.
Feiten
- (a)
[de vader], in 1988 genaturaliseerd tot Nederlander, is op [trouwdatum 1] 1992 in Nederland gehuwd met [de stiefmoeder].
- (b)
Tijdens dit huwelijk, op [trouwdatum 2] 1995, is [de vader] nogmaals gehuwd, in Ghana, met [de moeder].
- (c)
Uit dit tweede (gelijktijdige) huwelijk is op [geboortedatum] 1997 verzoeker geboren in Ghana.
- (d)
Op 19 november 1997 is [de vader] gescheiden van mevrouw [de stiefmoeder].
- (e)
Op 15 december 2010 — verzoeker was toen al 13 — is in Ghana een geboorteakte opgemaakt, waarin [de vader], nationaliteit Nederlands, als de vader is opgenomen.1.
- (f)
[de vader] is op [overlijdensdatum] 2021 overleden.
Beslissing van de rechtbank
- i.
Nadat zijn aanvraag voor een Nederlands paspoort niet in behandeling is genomen, is verzoeker een procedure ex art. 17 RWN begonnen. Hij heeft verzocht vast te stellen dat hij de Nederlandse nationaliteit bezit als zoon van een Nederlandse vader.
- ii.
De rechtbank heeft overwogen dat het huwelijk van de moeder van verzoeker met [de vader] vanwege het bigame karakter in Nederland niet voor erkenning in aanmerking komt. Dit staat ook in de weg aan erkenning in Nederland van een naar Ghanees recht uit dat huwelijk ontstane familierechtelijke betrekking. Dat betekent dat verzoeker ten tijde van zijn geboorte geen kind is geworden van een Nederlandse vader en toen niet de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen.
- iii.
De rechtbank heeft het verzoek wel toegewezen op de grondslag bezit van staat. Zij heeft overwogen dat de Ghanese geboorteakte in Nederland kan worden erkend, en vervolgens getoetst aan de vereisten van art. 1:209 BW. Nu de geboorteakte de Nederlander [de vader] vermeldt als vader, en verzoeker, kort gezegd, duurzaam als diens kind heeft deelgenomen aan het maatschappelijk verkeer (in Ghana), is volgens de rechtbank aan die vereisten voldaan.
- iv.
Tegen de toewijzing op grond van bezit van staat komt de Staat met dit cassatieberoep op.
Toelichting op de (hierna opgenomen) klachten
- a.
De juridische familiebetrekking tussen een kind en zijn vader kan volgens Nederlands recht ontstaan uit een aantal, limitatief geregelde, rechtsfeiten of rechtshandelingen. Vader is bijvoorbeeld de man die op het tijdstip van de geboorte van het kind gehuwd is met de moeder uit wie het kind geboren is, of de man die het kind (voor of na de geboorte) heeft erkend.2.
- b.
Bij de geboorteaangifte van een kind in Nederland — die binnen drie dagen na de geboorte moet worden gedaan — wordt de juridische vader, als die er is, vermeld in de geboorteakte. Zijn de ouders gehuwd, en vloeit daar de familiebetrekking tussen vader en kind uit voort, dan kan de ambtenaar van de burgerlijke stand dat vaststellen — aangezien dat huwelijk ook is geregistreerd — en de echtgenoot van de moeder als de vader aanmerken. Berust het (juridisch) vaderschap op een erkenning, dan moet bij de aangifte de erkenningsakte worden getoond. Die akte wordt bij wege van latere vermelding aan de geboorteakte toegevoegd, onder vermelding van de gegevens omtrent de erkenner in de geboorteakte (art. 50 Besluit Burgerlijke Stand 1994).
- c.
Als het goed is, stemt de vermelding van de vader in de geboorteakte overeen met de situatie volgens de wet. Bevat de geboorteakte echter een gebrek, dan bepaalt de wet (art. 1:209 BW) dat anderen dan het kind diens afstamming volgens de geboorteakte niet kunnen betwisten, als het kind een staat overeenkomstig die akte heeft. Met dat laatste bedoelt uw Raad volgens vaste rechtspraak: als de wijze waarop het kind met een zekere duurzaamheid aan het maatschappelijk verkeer deelneemt naar zijn uiterlijke vorm erop duidt dat hij in een bepaalde familiebetrekking staat tot een ander (hierna ook: ‘de maatschappelijke staat’). In dit geval: tot de man die als zodanig in de geboorteakte is aangeduid als zijn vader. Dit leerstuk ‘bezit van staat’ strekt ertoe de rechtszekerheid en het belang van het kind te beschermen.
- d.
Bezit van staat is een van oorsprong familierechtelijk leerstuk, dat zich ten aanzien van Nederlandse geboorteakten relatief weinig zal voordoen, maar het krijgt sinds een jaar of twintig steeds vaker een rol in het nationaliteitsrecht. In de procedure van art. 17 RWN, waarin de verzoeker een verklaring voor recht kan vragen dat hij de Nederlandse nationaliteit bezit, wordt geregeld bezit van staat ingeroepen om de afstamming van een Nederlandse vader vast te doen stellen, waaruit van rechtswege het Nederlanderschap voortvloeit (art. 3 lid 1 RWN).
- e.
Het gaat dan vaak om een verzoeker die geboren en/of opgegroeid is buiten het Koninkrijk, met een buitenlandse geboorteakte. Dit roept de internationaalprivaatrechtelijke vraag op wanneer het Nederlandse art. 1:209 BW van toepassing is.
- f.
In HR 9 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU9884, meermalen aangehaald in latere rechtspraak, heeft uw Raad overwogen:
‘Nu bezit van staat in de zin van art. 1:209 ertoe strekt de rechtszekerheid en het belang van het kind te beschermen, valt niet in te zien dat de omstandigheid dat het hier gaat om een in het buitenland opgemaakte geboorteakte aan toepassing van deze wetsbepaling in de weg zou staan. Voor zover het onderdeel betoogt dat dit laatste anders is indien het, zoals hier, een akte betreft die niet in de Nederlandse rechtsorde is of kan worden erkend, ziet het eraan voorbij dat het bij bezit van staat nu juist steeds gaat om gebrekkige akten.’
- g.
In de literatuur wordt hieruit wel afgeleid dat uw Raad art. 1:209 BW beschouwt als een voorrangsregel die ertoe strekt de rechtszekerheid en het belang van het kind te beschermen en die van toepassing is, ongeacht of de akte in of buiten Nederland is opgemaakt, en ongeacht of buitenlands recht de desbetreffende rechtsverhouding beheerst.3. Een dergelijke voorrangsregel (als bedoeld in art. 10:7 BW) vindt echter slechts toepassing wanneer het voorliggende geval met het oog op de strekking van de regel voldoende verbonden is met de Nederlandse rechtssfeer.4.
In deze zaak heeft de Staat aangevoerd dat daarvan geen sprake is, omdat verzoeker vanaf zijn geboorte zijn gewone verblijfplaats buiten het Koninkrijk heeft, en niet gebleken is dat hij heeft deelgenomen aan het Nederlands maatschappelijk verkeer.5. De rechtbank heeft dit standpunt besproken en verworpen, ‘nu het verzoek om vaststelling van Nederlanderschap van verzoeker betreft en in dit kader het bezit van staat wordt ingeroepen voor de vaststelling van de afstammingsrelatie van verzoeker met zijn vader die de Nederlandse nationaliteit heeft’. De Staat komt tegen dit oordeel op met onderdeel 1, omdat deze twee omstandigheden niet kunnen bijdragen aan, althans onvoldoende zijn voor het oordeel dat van voldoende verbondenheid met de Nederlandse rechtssfeer sprake is om art. 1:209 BW als voorrangsregel toe te passen. Inherent aan een procedure op de voet van art. 17 RWN is dat de verzoeker beoogt te doen vaststellen dat hij de Nederlandse nationaliteit bezit. Inherent aan het inroepen van bezit van staat in een art. 17 RWN-procedure is dat een beroep wordt gedaan op een afstammingsrelatie van de verzoeker met een ouder die de Nederlandse nationaliteit heeft. Er moet in het concrete geval méér verbondenheid van de verzoeker met de Nederlandse rechtssfeer zijn om de conclusie dat art. 1:209 BW toepassing moet vinden, te rechtvaardigen. De Staat merkt daarbij op dat, voor zover hem bekend, dit de eerste maal is dat de rechtbank een beroep op bezit van staat honoreert, waarbij de maatschappelijke staat geheel buiten het Koninkrijk is ‘opgebouwd’.
- h.
In onderdeel 2 voegt de Staat daar een andere grond voor vernietiging aan toe. Een voorrangsregel is een uitzondering, een correctiemiddel. Met het voorschrift van art. 1:209 BW moet de handhaving van een openbaar belang in het geding zijn. Dat belang is volgens uw Raad gelegen in de rechtszekerheid en het belang van het kind. Bezit van staat moet ervoor zorgen dat als iemand feitelijk maatschappelijk opgroeit als kind van een vader, en diezelfde vader ook als zodanig als vader in de geboorteakte staat vermeld, dat daaraan dan niet door een betwisting door een derde afbreuk kan worden gedaan. Het kind is feitelijk en formeel altijd beschouwd als kind van de vader, en als het juridisch toch anders blijkt te liggen, moet de rechtszekerheid voor het kind prevaleren.
- i.
Het leerstuk komt dus pas in beeld als de staat volgens de wet niet overeenstemt met de staat volgens de geboorteakte. Maar in deze zaak is het beroep op bezit van staat atypisch, omdat er geen discrepantie is tussen de staat van verzoeker volgens het Ghanese recht en de staat van verzoeker volgens de Ghanese geboorteakte. Het ligt ook voor de hand dat in een land waar een bigaam huwelijk toegestaan is, de vader van het tijdens het bigame huwelijk geboren kind juridisch geldt als de vader, dat de echtelieden in dat huwelijk vervolgens in de geboorteakte zijn vermeld, en dat het betrokken kind ook in het maatschappelijk verkeer als kind van zijn vader wordt beschouwd. Er is dus geen sprake van een situatie waarvoor bezit van staat een oplossing moet bieden. Het probleem zit niet in een discrepantie tussen staat volgens de wet en staat volgens de geboorteakte, het probleem zit erin dat naar Nederlands recht de openbare orde zich verzet tegen erkenning van bigame huwelijken en daaruit voortvloeiende rechtsfeiten. Er is dan ook in een zaak als deze geen openbaar belang dat rechtvaardigt dat art. 1:209 BW als voorrangsregel wordt behandeld; integendeel, het openbaar belang vereist juist dat dezelfde onverenigbaarheid met de openbare orde die de rechtbank heeft gebracht tot de beslissing om het huwelijk van de moeder van verzoeker met [de vader] niet te erkennen, en dus ook niet de daaruit voortvloeiende familierechtelijke betrekking, niet wordt ‘geheeld’ door een beroep op bezit van staat.
- j.
Een derde reden waarom de Staat meent dat, als art. 1:209 BW wel als voorrangsregel moet worden beschouwd, in deze zaak toch geen Nederlanderschap aan bezit van staat kan worden ontleend, is dat de openbare orde daaraan in de weg staat. Voor toepassing van art. 1:209 BW is allereerst een ‘afstamming volgens zijn geboorteakte’ nodig om deze te kunnen vergelijken met de maatschappelijke staat van de betrokkene. In deze zaak heeft de rechtbank geoordeeld dat de geboorteakte van verzoeker (waarmee de rechtbank kennelijk (ook) bedoelt: het in de akte vastgelegde rechtsfeit van de afstamming van verzoeker van [de vader]) kan worden erkend, nu deze bevoegdelijk conform de plaatselijke voorschriften is opgemaakt. De Staat meent dat de rechtbank daarmee blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
- k.
De reden daarvoor is gelegen in het volgende. De erkenning in Nederland van het in een buitenlandse geboorteakte neergelegde rechtsfeit van een door de geboorte van een kind tot stand gekomen familierechtelijke betrekking stuit af op kennelijke onverenigbaarheid met de openbare orde als bedoeld in art. 10:101 lid 1 BW jo art. 10:100 lid 1, onderdeel c, BW, als dat kind is geboren uit een buiten Nederland gesloten huwelijk dat op grond van art. 10:32 BW niet in Nederland wordt erkend. Dat is het geval bij een bigaam huwelijk. De rechtbank heeft dan ook — terecht — geoordeeld dat het huwelijk van de moeder van verzoeker met [de vader] ten tijde van de geboorte van verzoeker niet voor erkenning in aanmerking komt, en de uit het huwelijk voortvloeiende familierechtelijke betrekking ook niet.6.
- l.
De rechtbank heeft diezelfde openbareordetoets echter ten onrechte niet toegepast bij de beoordeling van de Ghanese geboorteakte. In die akte is [de vader] vermeld als vader van verzoeker. Klaarblijkelijk is die vermelding gebaseerd op de geboorte van verzoeker tijdens het huwelijk van zijn moeder met [de vader] — een huwelijk dat geldig was naar Ghanees recht.7. Van enige andere ‘bron’ van vaderschap is immers niet gebleken: de rechtbank heeft geoordeeld dat niets gesteld is over erkenning of gerechtelijke vaststelling van het vaderschap. De rechtbank had dan ook moeten vaststellen dat dit rechtsfeit — de geboorte tijdens het bigame huwelijk, naar Ghanees recht leidend tot het ontstaan van de familiebetrekking met [de vader] — in Nederland wegens strijd met de openbare orde niet erkend kan worden. Dit is de strekking van onderdeel 3.
- m.
Dat volgens de hiervóór onder f aangehaalde uitspraak van uw Raad voor toepassing van bezit van staat niet nodig is dat (een rechtsfeit in) een buitenlandse akte in Nederland erkend kan worden, maakt het voorgaande overigens niet anders. Bezit van staat mag dan bescherming bieden tegen gebrekkige akten, het beschermt niet tegen strijdigheid met de openbare orde. In de context van die procedure uit 2012 — en van latere procedures waarin die uitspraak is aangehaald — speelde geen strijdigheid met de openbare orde. In de zaak uit 2012 was het beletsel voor erkenning gelegen in het niet naleven van de plaatselijke voorschriften, maar daar werd de openbare orde niet door geraakt. Zie bijvoorbeeld HR 30 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:186:
‘De bescherming die het zogeheten bezit van staat beoogt te bieden (art. 1:209 BWC, dat gelijkluidend is aan art. 1:209 BW) strekt zich in beginsel mede uit tot aktes die gebrekkig zijn als gevolg van de nietigheid van de daarin vastgelegde rechtshandeling. Dat geldt ook als het, zoals hier, een buitenlandse akte betreft (HR 9 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU9884, NJ 2012/291). Die bescherming komt ingeval het, zoals hier, gaat om de erkenning door een gehuwde man, niet in strijd met de openbare orde (vgl. art. 1:204 lid 1, aanhef en onder e, BWC, dat die erkenning soms toelaat; in Nederland geldt inmiddels in het geheel geen erkenningsverbod meer voor de gehuwde man).’
Dus: weliswaar leed de erkenning(sakte) aan een nietigheidsgebrek doordat een erkenningsverbod in het plaatselijke recht niet in acht was genomen, maar dat erkenningsverbod kon niet (meer) als strijdig met de openbare orde worden beschouwd. Als het gebrek wél komt door kennelijke onverenigbaarheid met de openbare orde, staat dit aan erkenning in de weg.
- n.
Een vierde reden waarom de Staat meent dat het beroep op art. 1:209 BW in deze zaak niet kan opgaan, is dat dit artikel vereist dat men ‘een staat overeenkomstig die akte’ heeft. Dat veronderstelt éérst een geboorteakte (met een gebrek), en daarná opbouw van een duurzame maatschappelijke staat volgens die geboorteakte. Ook in dat opzicht is de situatie in deze zaak atypisch, omdat verzoeker tot ver in zijn dertiende levensjaar nog geen geboorteakte had. Logischerwijs kan er dan tijdens de daaraan voorafgaande periode ook geen ‘staat overeenkomstig die akte’ worden ‘opgebouwd’. Als de geboorteakte pas (lang) na de geboorte wordt opgemaakt, biedt dat, zeker als de afstamming volgens die akte overeenstemt met de inmiddels opgebouwde maatschappelijke staat, onvoldoende waarborgen om te kunnen aannemen dat in die akte diegene als vader is aangeduid die ook ten tijde van de geboorte juridisch (al dan niet terecht) al als de vader werd aangemerkt. Anders gezegd: de (veel) later opgemaakte geboorteakte is niet geschikt om aan te tonen dat iemand in het maatschappelijk verkeer is opgegroeid als het kind van degene die al sinds de geboorte juridisch (al dan niet terecht) als zijn vader werd beschouwd. Dat de wetgeving in het desbetreffende land mogelijk toestaat dat de geboorteakte pas (veel) later dan de geboorte wordt opgemaakt,8. zoals de rechtbank in deze zaak heeft geoordeeld, doet er niet aan af dat de akte dan niet de functie kan vervullen die ten grondslag ligt aan de gedachte achter art. 1:209 BW. In elk geval meent de Staat dat feiten met betrekking tot de maatschappelijke staat van de verzoeker die dateren van vóór de geboorteakte niet kunnen bijdragen aan het verwerven van ‘bezit van staat’. Hierover wordt in onderdeel 4 geklaagd.9.
- o.
Hiervóór is ervan uitgegaan dat art. 1:209 BW als voorrangsregel is toegepast. Dat art. 1:209 BW als voorrangsregel moet worden beschouwd, heeft uw Raad, als de Staat het goed ziet, echter nooit met zoveel woorden overwogen. Het is op zichzelf mogelijk de hiervóór onder f aangehaalde uitspraak zo te lezen, dat uw Raad daarin alleen heeft gezegd dat bezit van staat ook kan worden toegepast bij buitenlandse aktes, en zelfs bij aktes met een gebrek dat aan erkenning in de weg staat, maar dat uw Raad niet heeft geoordeeld onder welke omstandigheden het Nederlandse recht met art. 1:209 BW aan de orde komt.10.
- p.
Zekerheidshalve zal de Staat daarom ook ingaan op wat rechtens is als art. 1:209 BW volgens uw Raad niet een voorrangsregel is die (bovendien) in een zaak als deze van toepassing is. Dan wordt het wat ingewikkelder. Dan komt de vraag op welk recht dan wel van toepassing is op de vraag of bezit van staat bescherming kan bieden tegen een gebrekkige akte.
- q.
Uit nog niet zo heel oude rechtspraak van uw Raad zou kunnen worden afgeleid dat hiervoor de toepasselijke afstammingsrechtelijke conflictregel moet worden toegepast: in HR 5 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2711 oordeelde uw Raad dat het Gemeenschappelijk hof terecht, kort gezegd, de relevante afstammingsrechtelijke conflictregels uit het geldende Nederlands-Antilliaanse IPR had toegepast, die het Nederlands-Antilliaanse recht aanwezen als toepasselijk recht, zodat art. 1:209 BWNA van toepassing was.
- r.
Wat zou dan in een zaak als deze gelden naar huidig Nederlands IPR? In de literatuur is wel de vraag gesteld of dan de ‘gewone’ afstammingsrechtelijke conflictregels van toepassing zouden kunnen zijn. Op het eerste gezicht zou in deze zaak dan gedacht kunnen worden aan de conflictregels voor afstamming door geboorte (nu van erkenning of een andere bron van vaderschap geen sprake is). De wettekst zou kunnen doen vermoeden dat men dan uitkomt bij art. 10:92-94 BW. Dit zou in deze zaak leiden tot toepasselijkheid van Ghanees recht, dat, naar de Staat heeft gesteld (en de rechtbank heeft dat niet verworpen),11. geen bezit van staat kent.
- s.
Dat lijkt echter niet de goede route, aangezien bij de beoordeling van in het buitenland tot stand gekomen rechtshandelingen of rechtsfeiten inzake afstamming die zijn neergelegd in een akte, geen conflictenrechtelijke toets mag worden aangelegd, maar alleen de processuele toets van art. 10:101 BW. De regel dat rechtsfeiten worden erkend die zijn neergelegd in een door een bevoegde instantie overeenkomstig de plaatselijke voorschriften opgemaakte akte, impliceert dat het recht van de plaats waar de akte is opgemaakt, op de afstammingsvraag van toepassing wordt geacht, en wel inclusief het IPR van die plaats (in afwijking dus van het in art. 10:5 BW neergelegde uitgangspunt dat renvoi niet wordt aanvaard). Dat is immers het recht dat de bevoegde autoriteiten moeten hebben toegepast om het rechtsfeit vast te stellen dat zij in de akte hebben vastgelegd.12. Dus dat zou in deze zaak ook leiden tot toepasselijkheid van Ghanees recht (inclusief Ghanees IPR).
- t.
Uit de beschikking van de rechtbank blijkt echter niet dat de rechtbank Ghanees recht (inclusief Ghanees IPR) heeft toegepast. De rechtbank heeft het Nederlandse art. 1:209 BW toegepast, en bovendien zonder te motiveren waarom een conflictregel (toch) tot toepassing van het Nederlandse familierecht zou leiden. Hiertegen is onderdeel 5 gericht.
Klachten
1
De rechtbank heeft overwogen13. dat het beroep op bezit van staat wordt getoetst op basis van art. 1:209 BW. Ook heeft de rechtbank overwogen14. dat zij de IND niet volgt in het betoog dat het beroep op de rechtsfiguur bezit van staat onvoldoende aanknopingspunten met de Nederlandse rechtssfeer bevat, nu het een verzoek om vaststelling van Nederlanderschap van verzoeker betreft en in dit kader het bezit van staat wordt ingeroepen voor de vaststelling van de afstammingsrelatie van verzoeker met zijn vader die de Nederlandse nationaliteit heeft. Deze oordelen geven blijk van een onjuiste rechtsopvatting of zijn onvoldoende gemotiveerd.
De rechtbank heeft miskend dat de twee door haar genoemde omstandigheden niet kunnen bijdragen aan, althans onvoldoende zijn voor het oordeel dat het beroep op bezit van staat voldoende verbonden is met de Nederlandse rechtssfeer voor toepassing van art. 1:209 BW (als voorrangsregel). Nu, zoals de Staat heeft aangevoerd en door verzoeker niet is betwist,15. verzoeker sinds zijn geboorte (in Ghana) zijn gewone verblijfplaats buiten het Koninkrijk heeft gehad, en niet gebleken is dat hij heeft deelgenomen aan het Nederlands maatschappelijk verkeer, had de rechtbank moeten oordelen dat het beroep op bezit van staat van verzoeker onvoldoende verbonden is met de Nederlandse rechtssfeer om toepassing van art. 1:209 BW (als voorrangsregel) aan te nemen. De rechtbank heeft dit miskend.
Althans is onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd waarom de twee door de rechtbank genoemde omstandigheden (die (vrijwel) altijd aan de orde zijn wanneer in een art. 17 RWN-procedure een beroep op bezit van staat wordt gedaan) voldoende zijn om in dit concrete geval, ondanks dat (zoals de rechtbank heeft vastgesteld en/of de Staat heeft gesteld en de rechtbank niet heeft verworpen)16. verzoeker vanaf zijn geboorte (in Ghana) zijn gewone verblijfplaats buiten het Koninkrijk heeft, en niet gebleken is dat hij heeft deelgenomen aan het Nederlands maatschappelijk verkeer, toepassing van art. 1:209 BW (als voorrangsregel) geïndiceerd is.
2
Ten onrechte, althans zonder toereikende motivering, heeft de rechtbank het leerstuk van bezit van staat uit art. 1:209 BW (als voorrangsregel) toegepast.17. De rechtbank heeft miskend dat het leerstuk ‘bezit van staat’ ten aanzien van een buitenlandse geboorteakte (als voorrangsregel) geen toepassing vindt in een geval als het onderhavige, waarin de staat volgens de geboorteakte overeenkomt met de staat volgens het recht van de plaats waar de akte is opgemaakt, maar waarin laatstgenoemde staat (de familierechtelijke betrekking / afstammingsrelatie) in Nederland niet kan worden erkend vanwege kennelijke overenigbaarheid met de openbare orde.18. In een dergelijk geval is immers geen sprake van een openbaar belang van de Nederlandse staat dat maakt dat art. 1:209 BW daarop toch moet worden toegepast — integendeel. Althans heeft de rechtbank onvoldoende gemotiveerd waarom dat hier tóch zo zou zijn.
3
Ten onrechte, althans zonder toereikende motivering, heeft de rechtbank geoordeeld dat de Ghanese geboorteakte kan worden erkend.19. De rechtbank heeft miskend dat de openbare orde, waaraan de rechtbank (ook ambtshalve) ingevolge art. 10:100 lid 1 aanhef en onder c jo 10:101 lid 1 BW had moeten toetsen, in de weg staat aan erkenning van de in de Ghanese geboorteakte opgenomen naar Ghanees recht ontstane familierechtelijke betrekking dat [de vader] de vader is van verzoeker. Het gaat immers om een (ten tijde van de geboorte ontstane) familierechtelijke betrekking die voortvloeit uit een huwelijk dat vanwege het bigame karakter daarvan in Nederland vanwege kennelijke onverenigbaarheid met de openbare orde (art. 10:32 BW) niet voor erkenning in aanmerking komt, wat maakt dat ook de familierechtelijke betrekking niet kan worden erkend.
Dat heeft de rechtbank (in zoverre met juistheid) eerder in dezelfde beschikking beslist,20. zodat haar andersluidende oordeel in het kader van bezit van staat daarmee tegenstrijdig en daardoor ook onbegrijpelijk is.
Rechtens onjuist is het oordeel van de rechtbank dat de rechtszekerheid en de bescherming van het belang van het kind die bezit van staat als bedoeld in art. 1:209 BW beoogt te bieden, zich mede uitstrekt tot een buitenlandse geboorteakte waaraan een gebrek kleeft en ook kan worden tegengeworpen aan de autoriteiten belast met de uitvoering van de RWN,21. voor zover de rechtbank onder ‘gebrek’ ook heeft begrepen: een kennelijke onverenigbaarheid met de openbare orde.
Voor zover de rechtbank zou hebben gemeend dat bij de erkenning van de vermelding van de afstammingsrelatie met [de vader] in de geboorteakte geen sprake is van kennelijke onverenigbaarheid met de openbare orde, omdat het (ten tijde van de geboorte van verzoeker: bigame) huwelijk in de geboorteakte niet expliciet wordt genoemd, heeft de rechtbank miskend dat de enkele vermelding in een buitenlandse geboorteakte van een persoon als vader in een geboorteakte nog geen ‘rechtsfeit waarbij familierechtelijke betrekkingen zijn vastgesteld of gewijzigd’ is als bedoeld in art. 10:101 BW dat zich zou kunnen lenen voor erkenning (ook al niet omdat uit een enkele vermelding van de naam van een vader zonder enig aanknopingspunt over waarom die persoon naar plaatselijk recht als vader heeft te gelden, niet vastgesteld kan worden dat aan die vermelding behoorlijk onderzoek of een behoorlijke rechtspleging als bedoeld in art. 10:100 lid 1 aanhef en sub b jo art. 10:101 lid 1 BW is voorafgegaan), en/of dat die enkele vermelding, zonder dat duidelijk is welk rechtsfeit of welke rechtshandeling aan die familierechtelijke betrekking ten grondslag ligt, geen ‘afstamming volgens zijn geboorteakte’ in de zin van art. 1:209 BW kan meebrengen.
4
De rechtbank heeft miskend22. dat een beroep op bezit van staat niet (althans niet zonder meer) kan worden gebaseerd op een met de (maatschappelijke) staat overeenstemmende afstamming volgens de geboorteakte als die geboorteakte niet kort na de geboorte, maar pas veel later — zoals in deze zaak: meer dan dertien jaar later — is opgemaakt. Althans heeft de rechtbank miskend dat in zo'n geval bij de beoordeling van de maatschappelijke staat geen betekenis kan worden toegekend aan feiten en omstandigheden die dateren van (ver) voor het opmaken van de geboorteakte — zoals (vrijwel alle van) de door de rechtbank aan haar oordeel in deze zaak ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden.23. Voor zover in de overweging dat een geslaagd beroep op het bezit van staat betekent dat vanaf het moment van geboorte het kind in een familierechtelijke betrekking tot de vader staat, ook al is de geboorteakte later opgemaakt,24. een andere rechtsopvatting besloten ligt, geeft (ook) die overweging blijk van een onjuiste rechtsopvatting; het (veel) later opmaken van de geboorteakte kan juist in de weg staan aan een geslaagd beroep op het bezit van staat.
5
Althans heeft de rechtbank miskend25. dat in deze zaak (waar het gaat om een beroep op bezit van staat met betrekking tot een in Ghana opgemaakte geboorteakte) Ghanees recht (het recht van de plaats waar de geboorteakte is opgemaakt, ingevolge art. 10:101 BW), inclusief Ghanees IPR, van toepassing is op de vraag of verzoeker een beroep toekomt op bezit van staat. Heeft de rechtbank dat niet miskend, dan heeft zij onvoldoende gemotiveerd dat en waarom Ghanees IPR Nederlands recht aanwijst; in deze zaak is niets gesteld of gebleken over de inhoud van Ghanees IPR, terwijl de rechtbank daaromtrent ook niets overweegt.
Op grond van dit middel
verzoekt de Staat vernietiging van de bestreden beschikking met zodanige verdere beslissing als uw Raad passend acht; kosten rechtens.
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 21‑02‑2024
Productie 1 verzoeker.
Daarnaast zijn er nog rechtsfiguren zoals adoptie en gerechtelijke vaststelling van het vaderschap. Ook de echtgenoot van de moeder die minder dan 306 dagen voor de geboorte van het kind is overleden, wordt in beginsel als de vader aangemerkt. Zie verder art. 1:199 BW.
Zie in deze zin: L. Strikwerda, Nederlands internationaal personen- en familierecht (R&P nr. PFR3) 2022/4.5.1; Asser/Vonken & Ibili 10-II 2021/445.
Zie bijvoorbeeld Asser/Vonken 10-I 2018/608.
Standpunt IND (Staat) p. 5; pleitnotities p. 6. Vergelijk in deze zin: Rb Den Haag 7 juni 2013, ECLI:NL:RBDHA:2013:CA3162: ‘Voor een geslaagd beroep op deze in beginsel slechts in uitzonderingssituaties toe te passen Nederlandse wetsbepaling van art. 1:209 BW moet echter naar het oordeel van de rechtbank wel voldoende aanknoping bestaan met de Nederlandse rechtssfeer. Nu [A] en [B] buiten Nederland zijn geboren, nooit woonachtig zijn geweest in Nederland en momenteel in Ghana (of voor wat [A] betreft sinds kort wegens een studie wellicht mede in Groot-Brittannië, zoals zijn advocaat pas ter zitting van 16 mei 2013 stelde) verblijven, ontbreekt die voldoende aanknoping met de Nederlandse rechtssfeer.’
Weliswaar is het zo dat als aan een buiten Nederland gesloten huwelijk het bigame karakter is ontvallen en aldus niet langer sprake is van een beletsel dat in de weg staat aan de erkenning van dat huwelijk, dat daardoor ook niet langer sprake is van een beletsel dat in de weg staat aan de erkenning van uit zodanig huwelijk voortvloeiende rechtsfeiten en rechtshandelingen waarbij familierechtelijke betrekkingen zijn vastgesteld of gewijzigd. Maar het gaat verzoeker er in deze zaak niet zozeer om dat erkend wordt dat [de vader] met ingang van enig tijdstip als zijn vader kan worden erkend, maar het gaat erom of dat op het tijdstip van zijn geboorte zo was, omdat dat vereist is voor verkrijging van het Nederlanderschap. Blijkens de woorden ‘ten tijde van zijn geboorte’ in art. 3 lid 1 RWN moet immers de vraag of een kind als gevolg van afstamming (door geboorte) van rechtswege het Nederlanderschap heeft verkregen, te worden beoordeeld naar het tijdstip van zijn geboorte. Zie HR 19 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:942.
p. 3 beschikking. De rechtsoverwegingen in de beschikking zijn helaas niet genummerd. Waar hierna in de voetnoten van deze procesinleiding enkel wordt verwezen naar een paginanummer, is die pagina van de beschikking bedoeld.
Vergelijk overigens ook Asser/Vonken & Ibili 10-II 2021/446 over rechtspraak over (andere) issues met Ghanese geboorteakten en de vraag wanneer juridische betekenis aan het daarin vermelde vaderschap kan worden toegekend.
De Staat meent dat de rechtbank bij de toepassing van art. 1:209 BW, zo nodig ambtshalve, betekenis had moeten toekennen aan de tardiviteit van het opmaken van de geboorteakte, in elk geval in relatie tot de feiten en omstandigheden die op de periode vóór dat opmaken betrekking hadden en op grond waarvan de rechtbank bezit van staat heeft aangenomen. De Staat heeft op p. 6 pleitnota ook aandacht gevraagd voor de problematiek van de tardiviteit. Zou uw Raad oordelen dat de Staat dit verweer in feitelijke instantie toch nog nadrukkelijker had moeten voeren, dan zou de Staat het desalniettemin op prijs stellen als uw Raad deze klacht inhoudelijk wil bespreken met het oog op toekomstige vergelijkbare gevallen.
In deze zin ook: K. Saarloos, ‘Bezit van staat in internationaal privaatrecht’, in: S. Rutten en K. Saarloos (red.), Van afstamming tot nationaliteit, Deventer: Kluwer 2013, p. 127, die nog uitvoeriger de problematiek van het conflictenrecht met betrekking tot bezit van staat bespreekt.
p. 5 standpunt IND.
Zie in deze zin ook Saarloos (noot 10), p. 127; L. Strikwerda, Nederlands internationaal personen- en familierecht (R&P nr. PFR3) 2022/4.5.1.
p. 4, vijfde alinea.
p. 4, derde alinea.
p. 5 standpunt IND van 30 maart 2023; p. 6 pleitnota IND.
Zie voetnoot 15.
p. 4–5.
Zie p. 3.
p. 4, vierde alinea.
p. 3.
p. 4, zesde alinea.
p. 4–5.
p. 4 laatste alinea.
p. 4 voorlaatste alinea.
p. 4–5.