NJB 2024/2453:Didam II. Verkoop van een onroerende zaak door de overheid. Algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Gelijkheidsbeginsel. De Gemeente verkoopt een perceel in het centrum van Didam aan een supermarktexploitant. Een andere supermarktexploitant meent dat hij geen gelijke kans heeft gekregen om het perceel te kopen. In een kort geding hierover zijn in HR 26 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1778 (Didam I) regels gegeven over algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Dit is de bodemzaak. Hoge Raad: 1. Temporele reikwijdte. De Didam-regels zijn ook van toepassing op handelen van een overheidslichaam dat vóór Didam I heeft plaatsgevonden. 2. Rechtsgevolg van schending. Een koopovereenkomst die in strijd met de Didam-regels is gesloten, is niet op die grond nietig of vernietigbaar. Een overheidslichaam dat in strijd met de Didam-regels een onroerende zaak verkoopt, handelt in beginsel onrechtmatig. Onder omstandigheden kan aanleiding bestaan om het overheidslichaam te verbieden om tot verkoop of levering over te gaan. 3. Slechts één serieuze gegadigde. In het geval dat bij voorbaat vaststaat, of redelijkerwijs mag worden aangenomen, dat op grond van objectieve, toetsbare en redelijke criteria slechts één serieuze gegadigde in aanmerking komt voor de aankoop, zal het overheidslichaam zijn voornemen tot verkoop tijdig bekend moeten maken. Daarbij moet het overheidslichaam zijn oordeel motiveren. 4. Selectie gegadigde. Criteria. De Didam-regels dwingen niet tot een veiling of tot verkoop aan de hoogste bieder. Aan welke gegadigde een onroerende zaak zal mogen worden verkocht is afhankelijk van de door het overheidslichaam, met inachtneming van de hem toekomende beleidsruimte, te stellen objectieve, toetsbare en redelijke criteria. De Didam-regels bieden ruimte om deze criteria in een beleidsregeling op te nemen.