Einde inhoudsopgave
Levering en verpanding (O&R nr. 90) 2016/3.4.4.2
3.4.4.2 Dividend en andere uitkeringen
mr. B.A. Schuijling, datum 28-01-2016
- Datum
28-01-2016
- Auteur
mr. B.A. Schuijling
- JCDI
JCDI:ADS473181:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. ook definitie van aandeel in art. 2:190 BW.
Zo ook Bier 2003, p. 62; en Huizink, Rechtspersonenrecht, art. 2:105, aant. 10.1. Anders: Rongen 2012/897, die verdedigt dat de vordering reeds ontstaat bij uitgifte van het aandeel.
Bier 2003, p. 59; en MvT, Kamerstukken II 2006/07, 31058, nr. 3, p. 68.
Huizink, Rechtspersonenrecht, art. 2:105, aant. 10.1; en Rongen 2012/897.
MvT Inv., Parl. Gesch. Aanpassing BW (Inv. 3, 5 en 6) 1991, p. 210.
De vereffenaar kan een voorschot betalen op deze finale uitkering, in de vorm van een “uitkering bij voorbaat”. Zie art. 2:23b lid 6 BW.
127. Het aandeelhouderschap kan de aandeelhouder een recht verschaffen op uitkering van winst of reserves (art. 2:105/216 BW).1 Indien de uitkering ten laste komt van de jaarwinst, wordt van dividend gesproken. Hoewel uitkeringen in geld het meest gebruikelijk zijn, kunnen zij ook plaatsvinden in aandelen (bonusaandelen) of in andere op geld waardeerbare voordelen (natura).2 Naast deze uitkeringen gedurende het bestaan van de vennootschap is de aandeelhouder in beginsel ook gerechtigd tot uitkering van een eventueel batig saldo bij de vereffening als gevolg van de ontbinding van de vennootschap (art. 2:23b BW). Het recht op uitkering dat is verbonden aan het aandeel vormt de bron van (toekomstige) vorderingen tot uitkering van de aandeelhouder jegens de vennootschap.
Bij gebreke van een afwijkende statutaire regeling ontstaat het recht van de aandeelhouder in een naamloze vennootschap op dividenduitkering zodra de jaarrekening en daarmee de jaarwinst is vastgesteld.3 Praktisch zal welhaast steeds een statutaire regeling bestaan die de winst ter beschikking stelt van de algemene vergadering.4 Bij de besloten vennootschap is dit uitgangspunt inmiddels verankerd in art. 2:216 lid 1 BW. In deze gevallen ontstaat de vordering tot dividenduitkering zodra de handelingen die deze regeling voorschrijft, zoals een dividendbesluit door het bevoegde vennootschapsorgaan, zijn verricht.5 Bij de besloten vennootschap is voor het besluit tot uitkering steeds goedkeuring van het bestuur vereist (art. 2:216 lid 2 BW). Op vergelijkbare wijze ontstaat een vordering tot tussentijdse uitkering of tot uitkering van een eerder ten laste van de winst gevormde (uitkeerbare) reserve. Als uitgangspunt is de vordering tot uitkering onmiddellijk opeisbaar. Door een – statutair toegelaten – bepaling van een datum van betaalbaarstelling kan de opeisbaarheid van de vordering worden uitgesteld. Op het ontstaansmoment van de vordering tot uitkering, is een dergelijke betaalbaarstelling echter niet van invloed. Overigens is ook denkbaar dat de uitkering krachtens de statuten pas na een langere periode “vrijvalt” en de aandeelhouder in deze periode reeds als een crediteur van de vennootschap heeft te gelden. Zijn positie is in dat geval te vergelijken met die van de rekeninghouder van een geblokkeerd banksaldo.
De uitkering van een eventueel batig saldo na vereffening van een ontbonden vennootschap op de voet van art. 2:23b lid 1 BW heeft een volledig ander karakter dan de uitkeringen gedurende het normale bestaan van de vennootschap. De vordering tot uitkering van het eventuele overschot ontstaat mijns inziens zodra de vennootschap wordt ontbonden. Dat de omvang van de vordering op dat tijdstip wellicht nog niet kan worden vastgesteld, maar eerst na het opmaken van een rekening en verantwoording van de vereffening, doet daaraan niet af. Niet juist lijkt mij de opvatting dat de vordering eerst ontstaat na voldoening van de schuldeisers. De bestemming en verdeling van het saldo is immers te beschouwen als een deel van de vereffening.6 De vordering is bovendien niet-opeisbaar totdat het plan van verdeling, zoals bedoeld in art. 2:23b lid 2 BW, verbindend is geworden.7