NJB 2020/1329:Ambtshalve toetsing van in cassatie van verval van recht tot strafvordering: herhaling van HR 30 oktober 2018,ECLI:NL:HR:2018:2022, waaruit onder meer blijkt dat de rechter ingevolge art. 348 Sv onderzoek behoort te doen naar de in deze bepaling genoemde vraagpunten, maar dat uit het vonnis of arrest echter slechts behoeft te blijken dat de rechter dit onderzoek heeft verricht, indien: (a) de rechter een beslissing uitspreekt in de zin van art.349 lid 1 Sv (zie art. 359 lid 2 eerste volzin Sv); (b) in strijd met een door of namens de verdachte uitdrukkelijk voorgedragen verweer art. 349 lid 1 Sv niet wordt toegepast (zie art. 358 lid 3 Sv en art. 359 lid 2 eerste volzin Sv); (c) de beslissing afwijkt van een door het openbaar ministerie uitdrukkelijk onderbouwd standpunt met betrekking tot een onderwerp als bedoeld in art. 348 Sv (zie art. 359 lid 2 eerste volzin Sv); (d) uit de stukken van het geding het ernstig en rechtstreeks vermoeden rijst dat de dagvaarding nietig, de rechter onbevoegd of het openbaar ministerie in de vervolging niet-ontvankelijk is dan wel redenen voor schorsing van de vervolging bestaan, en niet een zodanige beslissing wordt gegeven. De Hoge Raad bevestigt thans dat zulks aldus ook geldt voor het onderzoek naar de verjaring als grond voor het verval van het recht tot strafvordering en deswege de niet ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging. Omdat het recht tot strafvordering wegens verjaring vervalt zowel indien de termijn van verjaring is vervuld voor de aanvang van het geding als indien zij tijdens de loop van het geding is vervuld, behoren de rechters in eerste aanleg, in hoger beroep en in cassatie in de hiervoren omschreven gevallen onder (a), (b), (c) en (d) onderzoek te doen naar de mogelijke niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging wegens verjaring en dienen zij daarvan in hun uitspraken te doen blijken. In cassatie lijdt dit evenwel naar huidig inzicht uitzondering voor het geval dat de verjaring reeds voor het indienen van de schriftuur was voltooid en de cassatieschriftuur niet de klacht bevat dat de rechter het hiervoor onder (a), (b), (c) en (d) gestelde heeft miskend. Wel zal de Hoge Raad ambtshalve ingrijpen ingeval de termijn van verjaring is vervuld tussen de indiening van de schriftuur en de uitspraak van het arrest