Zie o.m. HR 5 november 2010 ECLI:NL:HR:2010:BN6196, JBPr 2011/6 m.nt. R.P.J.L. Tjittes; HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY2639, NJ 2013/125.
HR, 29-11-2013, nr. 13/02848
ECLI:NL:HR:2013:1470
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
29-11-2013
- Zaaknummer
13/02848
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Verbintenissenrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2013:1470, Uitspraak, Hoge Raad, 29‑11‑2013; (Cassatie, Artikel 80a RO-zaken)
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2013:BZ6556, Niet ontvankelijk
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:952, Gevolgd
ECLI:NL:PHR:2013:952, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 04‑10‑2013
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:1470, Gevolgd
- Vindplaatsen
Uitspraak 29‑11‑2013
Inhoudsindicatie
Art. 80a lid 1 RO. Huur woonruimte. Ontbinding huurovereenkomst en veroordeling tot ontruiming wegens structurele, ernstige en voortdurende overlast.
Partij(en)
29 november 2013
Eerste Kamer
nr. 13/02848
EE/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[verzoekster],wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. P.J.Ph. Dietz de Loos,
t e g e n
de stichting STICHTING RONDOM WONEN,gevestigd te Pijnacker,
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [verzoekster] en de Stichting.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak 1086873 \ CV EXPL 11-7410 van de rechtbank ’s-Gravenhage van 8 maart 2012;
b. de arresten in de zaak 200.106.632/01 van het gerechtshof te ’s-Gravenhage van 10 juli 2012 en 12 maart 2013.
De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof van 12 maart 2013 heeft [verzoekster] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen de Stichting is verstek verleend.
Het standpunt van de Procureur-Generaal strekt tot niet-ontvankelijkverklaring met toepassing van art. 80a RO.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid
De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden (zie het standpunt van de Procureur-Generaal onder 2).
De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a lid 1 RO en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk;
veroordeelt [verzoekster] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Stichting begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren C.A. Streefkerk, als voorzitter, G. Snijders en G. de Groot, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op 29 november 2013.
Conclusie 04‑10‑2013
Inhoudsindicatie
Art. 80a lid 1 RO. Huur woonruimte. Ontbinding huurovereenkomst en veroordeling tot ontruiming wegens structurele, ernstige en voortdurende overlast.
Rolnr. 13/02848
Mr M.H. Wissink
Zitting: 4 oktober 2013
conclusie (art. 80a RO in de zaak van
[verzoekster],
wonende te [woonplaats],
eiseres in cassatie,
tegen
Stichting Rondom Wonen,
gevestigd te Rotterdam,
verweerster in cassatie,
(hierna: de Stichting)
1.
Het bij dagvaarding van 10 juni 2013 tijdig ingestelde cassatieberoep richt zich tegen het tussen partijen gewezen arrest van het hof Den Haag van 12 maart 2013. Daarin heeft het hof, kort gezegd, de tussen partijen gesloten huurovereenkomst ontbonden wegens wanprestatie van [verzoekster] en [verzoekster] veroordeeld om de woning die zij van de Stichting huurde te ontruimen. De klachten van het middel rechtvaardigen geen behandeling in cassatie omdat deze klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
2.
Het middel, dat uit één onderdeel bestaat, richt zich tegen rov. 6 en verwijt het hof ten onrechte geen voorrang te hebben gegeven aan de grondrechten van [verzoekster] ten opzichte van het contractuele belang van de Stichting. Nog daargelaten dat deze klacht niet voldoet aan de bepaaldheidseisen van art. 407 lid 2 Rv – geenszins wordt onderbouwd waarom art. 2, 8 en 6 EVRM en art. 47 EU Handvest door de beslissing van het hof zijn geschonden1.– vraagt deze klacht om een herbeoordeling van de feiten die in cassatie niet kan worden gegeven. Het middel klaagt immers – terecht – niet dat het hof de belangen en rechten van [verzoekster] niet heeft meegewogen, maar slechts dat het hof hieraan geen voorrang heeft gegeven. Het middel merkt in dit verband op dat sprake is van een onduidelijke situatie met twee elkaar bestrijdende kampen in de straat, maar die opmerking gaat geheel voorbij aan wat het hof in rov. 5 heeft overwogen.
De klacht dat het hof het bewijsaanbod van [verzoekster] ongemotiveerd heeft afgewezen, mist feitelijke grondslag. [verzoekster] heeft in appel geen bewijsaanbod gedaan. Het middel geeft ook niet aan, onder vermelding van de vindplaatsen in de stukken van het geding, dat wel een adequaat bewijsaanbod is gedaan en voldoet in zoverre niet aan de daaraan te stellen eisen. Verder hoeft het hof niet te motiveren waarom het geen ambtshalve bewijslevering beveelt.
In cassatie wordt niet opgekomen tegen de vaststellingen van het hof in rov. 5. Die vaststellingen kunnen het oordeel van het hof dragen. Op basis daarvan betitelt het hof in rov. 6 de situatie als een van dusdanig structurele, ernstige en nog steeds voortdurende overlast dat ontbinding van de huurovereenkomst is gerechtvaardigd. Hierop stuit af de klacht dat het hof recht heeft gedaan op feiten uit een ver verleden. Deze mist feitelijke grondslag en is overigens onvoldoende bepaald in de zin van art. 407 lid 2 Rv.
3.
Het cassatieberoep kan met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk worden verklaard.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 04‑10‑2013