Einde inhoudsopgave
De geschillenregeling ten gronde (VDHI nr. 108) 2011/V.3.6.a
V.3.6.a Van codificatie tot vaste peildatum
prof.mr. C.D.J. Bulten, datum 28-04-2011
- Datum
28-04-2011
- Auteur
prof.mr. C.D.J. Bulten
- JCDI
JCDI:ADS373753:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Het consultatiedocument tweede tranche is opgenomen in Van den Ingh en Nowak (2006), p. 83.
Het commentaar van de Gecombineerde Commissie is terug te vinden in Van den Ingh en Nowak (2006), p. 322.
Kamerstukken 31 058, nr. 3 (MvT), p. 103-104. De minister wees erop dat onder normale omstandigheden een statutaire of overeengekomen regeling heel wel door de beugel kan, maar in deze uifiredingssituatie tot een onredelijke prijs leidt. De norm 'kennelijke onredelijke prijs' is niet meer dan een uitwerking van de norm van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid van art. 6:2 lid 2 BW, aldus de toelichting.
Dit is de in de toelichting opgenomen vijfde aanbeveling van de Commissie Vennootschapsrecht, Kamerstukken 31 058, nr. 3 (MvT), p. 18-19. In de aanbeveling staat dat het moet gaan om de vordering van de vennootschap jegens de laedens. Ik neem aan dat de Commissie hier doelt op de schade die een aandeelhouder met zijn gedrag heeft toegebracht aan de vennootschap, waardoor zijn uitstoting nodig is. Een uittredende aandeelhouder kan mijns inziens ook last hebben van waardevermindering indien tegen een zo laat mogelijk tijdstip gewaardeerd wordt.
Kamerstukken 31 058, nr. 3 (MvT), p. 104.
Kamerstukken 31 058, nr. 3 (MvT), p. 106.
Het consultatiedocument kende in art. 339 lid 1 een handvat voor de waardering. De deskundigen dient bericht uit te brengen over 'de waarde van de aandelen in het economisch verkeer'. Hiermee werd tot uitdrukking gebracht dat statutaire bepalingen niet doorslaggevend zijn. De rechter heeft volgens de toelichting tot taak te waarborgen dat de minderheidsaandeelhouder een redelijke prijs ontvangt. Als basis voor deze redelijke prijs dient de waarde in het economisch verkeer.1 De Gecombineerde Commissie bekritiseerde deze gedachte. Zij zag niet dat deze waarderingsregel te rijmen valt met de ruimte die de Flex-BV aan eigen aandeelhoudersbepalingen wil geven. De afwijkende regelingen in een aandeelhoudersovereenkomst zouden juist voorrang moeten krijgen.2 In het wetsvoorstel Flex-BV keert de 'waarde in het economisch verkeer' mede naar aanleiding van deze kritiek niet terug.
De codificatie van de Hoffmann-uitspraak leidt ertoe dat de verplichte deskundigenbenoeming is komen te vervallen, zie art. 339 lid 3 Wv Flex-BV, waarover § V.2.5. De rechter kan zelf direct de prijs vaststellen, indien tussen partijen overeenstemming bestaat over de prijs danwel in de statuten of een overeenkomst een duidelijk maatstaf voor de prijs is opgenomen. Dit staat op één lijn met de verruimde mogelijkheid van art. 337 Wv Flex-BV om een eigen geschillenregeling toe te passen en meer vrijheid aan aandeelhouders te geven. De ondergrens voor de `eigen prijsbepaling' staat in art. 340 lid 3 Wv Flex-BV. De rechter houdt geen rekening met eigen waarderingsbepalingen in de statuten of een overeenkomst als een 'kennelijke onredelijke prijs' het gevolg zou zijn. Dit moet per geval beoordeeld worden en is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In verband met de keuzevrijheid en flexibiliteit die aan de bij de Flex-BV betrokkenen wordt toegekend, is terughoudendheid geboden. De correctie is slechts toegestaan in sprekende gevallen.3
Een tweede verschil met de huidige regeling is dat het eindvonnis in verband met het afschaffen van de eis van onherroepelijkheid uitvoerbaar bij voorraad kan worden verklaard. De woorden 'onherroepelijk geworden' in art. 2:341 lid 1 BW vervallen. Dit betekent dat binnen twee weken na het vonnis waarin de prijs is bepaald, de aandelen overgedragen moeten worden. Indien in hoger beroep of cassatie de uitspraak waarin de overdracht was bevolen, wordt vernietigd, dan regelt art. 341a Wv Flex-BV de gevolgen. Zie verder § VI.4.4.
De wetgever wijst de flexibele peildatum af. Het moment waartegen gewaardeerd moet worden, blijft ongewijzigd. De Commissie Vennootschapsrecht suggereerde reeds bij de waardering vast te houden aan het tijdstip waarop het eindvonnis tot overdracht onherroepelijk wordt. Helaas wordt met mogelijke waardeverminderingen tijdens de procedure geen rekening gehouden. Een afzonderlijke (schadevergoedings)procedure, dus een extra belasting voor de rechter, moet blijkbaar uitkomst bieden. De oplossing was volgens de Commissie Vennootschapsrecht dat bij de prijsbepaling rekening wordt gehouden met de vordering tot schadevergoeding die de vennootschap jegens de uit te stoten aandeelhouder heeft.4
De waardering moet derhalve zoveel mogelijk betrekking hebben op de waarde ten tijde van de overdracht. De wetgever heeft oog voor de onbillijkheden die deze peildatum met zich brengt, en geeft twee handvatten ter compensatie. De eerste is de vordering tot schadevergoeding, die ingevolge art. 336 lid 5 Wv Flex-BV bij dezelfde rechterlijke instanties als de geschillenregelingvordering aanhangig kan worden gemaakt. Voor de uittreding geldt dat de rechter een billijke verhoging van de prijs kan toepassen, indien er een waardevermindering van de aandelen is opgetreden die niet voor rekening van de eisende uittredende aandeelhouder dient te blijven, zie art. 343 lid 4 Wv Flex-BV, waarover § VII.4.3. Zo is volgens de minister de onbillijkheid van de vaste peildatum 'afdoende vermeden'.5
Ik vind het een gemiste kans dat de wetgever niet meer ruimte geeft aan de flexibele peildatum. Afwijking van de normale peildatum (de waarde ten tijde van de overdracht) is mijns inziens wel mogelijk. In de toelichting staat dat de waardering 'zoveel mogelijk' conform dit moment geschiedt. Dit biedt ruimte voor de flexibele peildatum, al zal de rechter die moeten motiveren. Bovendien geldt dat de wetgever voor een systeem heeft gekozen op grond waarvan de waardeverminderende gedragingen in het verleden niet met behulp van een flexibele peildatum verdisconteerd kunnen worden in de prijs. Er moet gekozen worden voor een samenhangende vordering of een billijke vergoeding. Ondanks dat de toelichting bij het wetsvoorstel Flex-BV niet veel speelruimte laat, blijf ik voorstander van de flexibele peildatum. Indien de waarde in het verleden is gefixeerd, kunnen waardeverminderingen direct in de prijs tot uitdrukking komen. Bovendien geldt dat niet duidelijk is hoe de rechter bij de 'billijke verhoging' voor de uitgetreden aandeelhouder aan de billijkheid van de verhoging komt.
De mogelijkheid de prijs van de aandelen te verhogen met de wettelijke rente is niet nader geregeld in het wetsvoorstel Flex-BV. Voor een analoge regeling aan art. 2:92a/201a lid 5 BW ziet de minister onvoldoende aanleiding.6