Einde inhoudsopgave
Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen (FM nr. 89) 1999/2.3.1
2.3.1 Huidige klassieke stelsel
E.J.W. Heithuis, datum 01-12-1999
- Datum
01-12-1999
- Auteur
E.J.W. Heithuis
- JCDI
JCDI:ADS455357:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting (V)
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Voetnoten
Voetnoten
Wordt tevens de vermogensbelasting in de beschouwing betrokken, dan kan dit geaccumuleerde tarief oplopen tot ruim 79%.
In de memorie van toelichting werd in paragraaf 4 nog opgemerkt, dat het belasten van de winsten der naamloze vennootschappen bij die vennootschappen zelve een uitzondering vormde op de algemene regel dat de belasting rechtstreeks zou worden ingevorderd van hen die haar schuldig zijn. Gedrukte Stukken 1892/93, nr. 71, ^§ 4.
Dit is een klassiek probleem bij alle in de ons omringende landen geldende verrekeningsstelsels, waarvoor tot op heden (nog) geen bevredigende oplossingen zijn gevonden.
Ook J.H.R. Sinninghe Damsté bleek niet onder de indruk van dit argument, J.H.R. Sinninghe Damsté, De Wet op de Dividend- en Tantièmebelasting, blz. 21-23, W.E.J. Tjeenk Willink, Zwolle, 1921.
M.J. Prinsen merkt dan ook terecht op dat hier het fiscale lot van de naamloze vennootschappen voor de toekomst werd beslist, M.J. Prinsen, Eenige beschouwingen betreffende het Besluit op de Winstbelasting 1940, blz. 9, Zwolle, 1941.
Besluit van 26 juli 1940, Stb. 405.
Van oudsher wordt in Nederland de verhouding van de vennootschapsbelasting ten opzichte van de inkomstenbelasting bepaald door het zgn. klassieke stelsel. Dit stelsel houdt in dat beide belastingen onafhankelijk van elkaar worden geheven, hetgeen voor de houder van aandelen resulteert in een economische dubbele belastingheffing over de winsten van vennootschappen. Immers, nadat over de winst van de vennootschap vennootschapsbelasting is geheven, wordt inkomstenbelasting geheven over de als opbrengsten van aandelen aan de houder van aandelen ten goede komende winst van de vennootschap. Bij de huidige tariefstructuur in de inkomstenbelasting en volledige uitdeling van de nettowinsten (na vennootschapsbelasting) door de vennootschap kan de geaccumuleerde belastingheffing bij de aandeel- of winstbewijshouder die de aandelen en winstbewijzen niet tot een aanmerkelijk belang rekent, oplopen tot uiteindelijk 74%.1
Evenals dat hierboven met betrekking tot de totstandkoming van de voorgangers van de huidige Wet IB het geval was, ligt aan het reeds sinds het einde van de 19e eeuw in ons land vigerende klassieke stelsel geen bewuste keuze ten grondslag. De beslissende stap in de richting van het klassieke stelsel is gezet ten tijde van de invoering van de Wet op de bedrijfsbelasting 1893. Het oorspronkelijke ontwerp van Wet op de bedrijfsbelasting, die overigens enkel uitgedeelde winsten poogde te treffen en (nog) niet-uitgedeelde winsten (vooralsnog) onbelast liet, voorzag in een aftrekpost op de belastbare uitdeling ter grootte van 4% van het gestorte kapitaal van het uitdelende lichaam. Deze korting van 4% hing samen met het feit dat bij de aandeelhouders over de opbrengsten van hun aandelenbezit inkomstenbelasting werd geheven, welke opbrengsten op 4% van het nominale aandelenbezit werden gefixeerd. Hieruit bleek dat de indiener van het ontwerp van Wet op de bedrijfsbelasting, minister Pierson, de bedrijfsbelasting over de uitdeling van vennootschapswinsten zag als een middel om de opbrengsten van aandelen in de handen van de aandeelhouders te treffen en niet als een zelfstandige heffing over winsten van lichamen.2 Tijdens de parlementaire behandeling echter bleek dat in de Tweede Kamer de nadruk werd gelegd op lichamen als een zelfstandige rechtsfiguur en met een van de aandeelhouders afgescheiden vermogen, op grond waarvan bij het lichaam geen rekening behoorde te worden gehouden met de belastingheffing van de aandeelhouders. Bovendien rees verzet tegen het profiteren van buitenlanders van de forfaitaire aftrek, waartegenover in Nederland geen 'compenserende' heffing van inkomstenbelasting plaatsvond bij de buitenlandse aandeelhouders.3 Vervolgens werd in de definitieve Wet op de bedrijfsbelasting 1893 ter oplossing van dit conflict een uitruil gepleegd tussen de forfaitaire aftrek enerzijds en het belastingtarief anderzijds, in die zin dat de forfaitaire aftrek werd geschrapt onder een gelijktijdige verlaging van het tarief van de voorgestelde 3,2% naar 2%> met als argument dat tegenover de nu dubbele heffing het voordeel van de beperkte aansprakelijkheid stond voor de aandeelhouder. Het argument van het zelfstandige juridische karakter van naamloze vennootschappen heeft minister Pierson nimmer aangesproken.4 Hoewel deze uitruil kan worden gezien als een forfaitaire verrekening van de vennootschapsbelasting over de winsten van naamloze vennootschappen met de inkomstenbelasting over de opbrengsten van aandelen bij de aandeelhouders, ligt in deze uitruil de kiem van het huidige klassieke stelsel besloten. Het uiteindelijke resultaat mag dan weliswaar (globaal) gelijk zijn, een dergelijke uitruil vertroebelt het zicht op de relatie tussen de heffing van inkomstenbelasting enerzijds en de heffing van vennootschapsbelasting anderzijds, aangezien deze problematiek niet meer als zodanig zichtbaar is. Zonder kennis van deze geschiedenis blijkt dan uiteindelijk een Wet op de Bedrijfsbelasting 1893 tot stand te zijn gebracht die belasting heft over (uitgedeelde) winsten van lichamen, welke belastingheffing geheel losstaat van de Wet op de Vermogensbelasting 1892 die belasting heft over de opbrengsten van vermogen, aandelen daaronder begrepen, ook al is in het tarief van de bedrijfsbelasting de cumulatie van beide heffingen versleuteld.5 In alle nadien tot stand gebrachte wetgeving inzake (varianten van) een vennootschapsbelasting is het klassieke stelsel, d.w.z. het zelfstandige karakter van de vennootschapsbelasting, steeds gehandhaafd gebleven, hoewel menigmaal vanuit de Tweede Kamer dit uitgangspunt nog wel ter discussie is gesteld. Wel moet erop worden gewezen dat in de loop der tijd, met name door de invoering van het Besluit op de winstbelasting 19406, deze uit het klassieke stelsel voortvloeiende dubbele belastingheffing van karakter is gewijzigd van een juridische dubbele belastingheffing over uitgedeelde winsten naar een economische dubbele belastingheffing over (uitgedeelde en ingehouden) winsten van naamloze vennootschappen. Ten slotte werd het zelfstandige karakter van de vennootschapsbelasting benadrukt door de invoering van het Besluit op de vennootschapsbelasting 1942. Volgens de officiële Leidraad bij dit Besluit was de vennootschapsbelasting gebaseerd op de gedachte dat naamloze vennootschappen en andere lichamen ten aanzien van de belastingheffing in dezelfde positie behoren te verkeren als natuurlijke personen: Wat voor de natuurlijke personen de inkomstenbelasting is, is de vennootschapsbelasting voor lichamen. Deze volledige gelijkstelling van naamloze vennootschappen met natuurlijke personen, rechtvaardigde tevens een progressief vennootschapsbelastingtarief, oplopend van 30% tot 55%. De vennootschapsbelasting werd aldus als een volkomen zelfstandige belastingheffing van lichamen beschouwd in plaats van - zoals de winstbelasting tot dusverre was benaderd -een (objectieve) aanvullende heffing op de door de aandeelhouders van het lichaam verschuldigde inkomstenbelasting. Sedert de invoering van het Besluit op de vennootschapsbelasting 1942 moet de vennootschapsbelasting als een volstrekt zelfstandige belastingheffing van lichamen worden beschouwd die geheel losstaat van de heffing van inkomstenbelasting bij de achterliggende deel-gerechtigden/natuurlijke personen.
Het aldus op weinig principiële gronden totstandgekomen klassieke stelsel heeft een tweetal belangrijke met elkaar samenhangende consequenties:
uitgekeerde winsten van de vennootschap worden dubbel belast;
het ontbreken van neutraliteit tussen de verschaffing van eigen vermogen en vreemd vermogen.
Het klassieke stelsel heeft als belangrijke consequentie dat winsten van vennootschappen dubbel worden belast: Eenmaal met vennootschapsbelasting op het niveau van de vennootschap en andermaal met inkomstenbelasting op het niveau van de aandeelhouders, wanneer de winsten (na vennootschapsbelasting) door de vennootschap worden uitgekeerd aan haar aandeelhouders. Deze laatste additionele inkomstenbelastingdruk op het niveau van de aandeelhouder kan, evenals dat onder het tot 1940 geldende regime van de uitdelingsbelastingen het geval was, vooralsnog worden voorkomen door de winsten in de vennootschap niet uit te keren doch op te potten. Wel blijft er uiteraard een inkomstenbelastingclaim rusten op de door de vennootschap ingehouden winsten die uiteindelijk op het moment van liquidatie van de vennootschap wordt voldaan. Op deze wijze belemmert het fiscale stelsel de optimale aanwending van kapitaal via de vrije markt, aangezien aandeelhouders/natuurlijke personen een voorkeur zullen hebben voor het inhouden van de (netto)winsten. Op deze wijze krijgt overtollig kapitaal in de vennootschap niet zijn meest rendabele en geschikte aanwending.
Een ander met het voorgaande samenhangende aspect van het klassieke stelsel betreft de hieruit voortvloeiende discriminatie tussen eigen en vreemd vermogen. Aangezien dividenduitkeringen niet aftrekbaar zijn van de winst van de vennootschap (art. 10, onderdeel a, Wet Vpb.) en rentebetalingen grosso modo wel7, zal er een voorkeur bestaan voor financiering van de vennootschap met vreemd vermogen. Door de aftrek van de rente op het niveau van de vennootschap/debiteur rust op de rente uiteindelijk 'slechts' de belastingdruk van de crediteur. Is dit een natuurlijke persoon, dan bedraagt de maximale belastingdruk op de rente over het vreemde vermogen 60%. De maximale belastingdruk op dividenduitkeringen daarentegen bedraagt bij een natuurlijke persoon bij wie de aandelen niet behoren tot een aanmerkelijk belang 74%), zodat het fiscale stelsel leidt tot een (bovenmatige) financiering van de vennootschap met vreemd vermogen in plaats van risicodragend eigen vermogen.