HR, 09-09-2022, nr. 21/03000
ECLI:NL:HR:2022:1154
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
09-09-2022
- Zaaknummer
21/03000
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
Beroepschrift, Hoge Raad, 09‑09‑2022
ECLI:NL:HR:2022:1154, Uitspraak, Hoge Raad, 09‑09‑2022; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHARL:2021:6027
- Vindplaatsen
NLF 2022/1776
NTFR 2022/3291 met annotatie van mr. C.J.M. Perraud
USZ 2022/283
JB 2022/174 met annotatie van Redactie
Viditax (FutD) 2022090920
FutD 2022-2454
Beroepschrift 09‑09‑2022
CASSATIEBEROEP
[X] BV
Gemachtigde: […]
Kantooradres: […]
Postadres: […]
Optredend als gemachtigde voor:
Belanghebbende: [X] BV
Gevestigd te: […]
Hierna te noemen; Belanghebbende of [X]
In cassatie tegen de beslissing van de Inspecteur der Rijksbelastingen, in cassatie vertegenwoordigd door:
De publiekrechtelijke rechtspersoon: Staatssecretaris van Financiën
Kantoorhoudende te: Korte Voorhout 7, 2511 CW DEN HAAG;
Hierna te noemen; Inspecteur of Staatssecretaris;
Edelhoogachtbaar college, geachte voorzitter,
Hierbij herstel ik de verzuimen.
Het gerechtshof, zichzelf — geheel onjuist en onterecht duidend als ‘Hof’ — heeft weer eens een keer met misbruik van bevoegdheid, misbruik van recht en misbruik van de acte clair/acte eclaire doctrine en de Cilfit-doctrine het geschil beslist.
Zeer langdurig opsluiten is de remedie, samen met het getiesem van de Hoge Raad der Nederlanden. Gewoon een soort Ebi maken, maar dan speciaal voor mensen van de overheid en de rechterlijke macht, kunnen ze elkaar in de bajes lopen naaien, in plaats van burgers.
Inleiding.
Bart van Huijgevoort van gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, die zijn kontje verkocht heeft aan de Hoge Raad der Nederlanden, hij hoopt mogelijk nog eens te mogen toetreden tot die intens nare, ongekend criminele organisatie, heeft bij uitspraak van 22 juni 2021 geoordeeld, onder verwijzing naar met misbruik van bevoegdheid, misbruik van recht en misbruik van de acte clair doctrine en de Cilfit-doctrine tot stand gekomen arrest van 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63 geoordeeld dat belanghebbende moet bewijzen dat de waardevermindering van de auto als gevolg van de beschadigingen meer bedraagt dan 72 procent van de herstelkosten en dat op hem de bewijslast rust te bewijzen dat sprake is van een vermindering van belasting.
Uw georganiseerde misdaadorganisatie met maffiose trekken oordeelde verderop in zijn criminele uitspraak;
‘2.3.3
Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat de belastingplichtige die stelt recht te hebben op een vermindering van belasting, de daarvoor benodigde feiten moet stellen en bij betwisting aannemelijk moet maken. De belastingplichtige die bij het vaststellen van de vermindering van bpm uitgaat van de handelsinkoopwaarde uit een koerslijst en stelt dat die handelsinkoopwaarde moet worden verminderd vanwege — niet in deze koerslijst verwerkte — beschadigingen aan de te registreren personenauto, draagt bij betwisting dan ook de last te bewijzen dat en in hoeverre beschadigingen een waardedaling ten opzichte van de uit die koerslijst volgende waarde tot gevolg hebben.’
Artikel 110 VWEU verzet zich niet tegen deze bewijslastverdeling. In dit verband verdient opmerking dat de belastingplichtige voldoende gelegenheid moet worden geboden het van hem gevraagde bewijs te leveren.
Ze moeten buiten elke mogelijke twijfel zulke viespeuken levenslang opsluiten, hoerenkinderen die willens en wetens het recht tot op het bot schenden, teneinde de staatskas te vullen en gevuld te houden!! Echt ongekend vies kampianenvolk!! Echt ongekende megacriminelen!!!! Georganiseerde misdaad van het allerergste soort!!!
Middel I.
Als eerste en meest verstrekkende middel van cassatie stelt belanghebbende voor schending van het recht en/of verzuim van vormen, meer bepaald artikel 267, letter a VWEU, in samenhang met artikel 267, tweede en derde alinea VWEU, artikel 47 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, artikel 4, lid 3 VEU, artikel 19, lid 1 VEU en artikel 2 VEU, artikel 110 VWWEU, het Unierechtelijk voorrangsbeginsel en het beginsel van rechtstreekse werking, doordat het gerechtshof heeft geoordeeld — onder verwijzing naar de uitspraak van de grootste criminele organisatie van Europa, mogelijk ook ver daarbuiten, de Hoge Raad der Nederlanden in zijn arrest van 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63, dat een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat de belastingplichtige die stelt recht te hebben op een vermindering van belasting, de daarvoor benodigde feiten moet stellen en bij betwisting aannemelijk moet maken, de belastingplichtige die bij het vaststellen van de vermindering van bpm uitgaat van de handelsinkoopwaarde uit een koerslijst en stelt dat die handelsinkoopwaarde moet worden verminderd vanwege — niet in deze koerslijst verwerkte — beschadigingen aan de te registreren personenauto, draagt bij betwisting dan ook de last te bewijzen dat en in hoeverre beschadigingen een waardedaling ten opzichte van de uit die koerslijst volgende waarde tot gevolg hebben en dat artikel 110 VWEU zich niet verzet tegen deze bewijslastverdeling, welke ‘arresten’ door het ontbreken van een prejudiciële verwijzing, in dat arrest gekozen voor een zelfstandige oplossing op basis van een uitlegging van de draagwijdte en de betekenis van het recht van de Unie, die kennelijk ernstig strijdig is met vaste en overvloedige rechtspraak van het Hof met betrekking tot artikel 110 VWEU, reeds met de tekst en context van artikel 110 VWEU, welk artikel een verbodsbepaling inhoudt voor de lidstaten en rechten schept voor rechtsonderhorigen, hetgeen impliceert dat niet kan worden uitgesloten dat op het moment van de uitspraak van de Hoge Raad der Nederlanden redelijkerwijze ruimte was voor twijfel over deze uitlegging.
Bijgevolg moet, zonder dat de overige argumenten van belanghebbende in het kader van de onderhavige grief heeft aangevoerd hoeven te worden onderzocht, worden vastgesteld dat de Hoge Raad der Nederlanden, als rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, het Hof op grond van artikel 267, derde alinea, VWEU had moeten verzoeken om een beslissing teneinde het gevaar voor een onjuiste uitlegging van het Unierecht af te wenden (zie in die zin arrest van 9 september 2015, Ferreira da Silva e Brito e.a., C-160/14, EU:C:2015:565, punt 44).
Aangezien de Hoge Raad der Nederlanden heeft nagelaten zich volgens de procedure van artikel 267, derde alinea, VWEU, tot het Hof te wenden om vast te stellen of, uit de vaste en overvloedige rechtspraak van het Hof volgt dat een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat de belastingplichtige die stelt recht te hebben op een vermindering van belasting, de daarvoor benodigde feiten moet stellen en bij betwisting aannemelijk moet maken, de belastingplichtige die bij het vaststellen van de vermindering van bpm uitgaat van de handelsinkoopwaarde uit een koerslijst en stelt dat die handelsinkoopwaarde moet worden verminderd vanwege — niet in deze koerslijst verwerkte — beschadigingen aan de te registreren personenauto, draagt bij betwisting dan ook de last te bewijzen dat en in hoeverre beschadigingen een waardedaling ten opzichte van de uit die koerslijst volgende waarde tot gevolg hebben en dat artikel 110 VWEU zich niet verzet tegen deze bewijslastverdeting, aan de bepalingen van het Unierecht heeft gegeven niet zo evident was dat er redelijkerwijze geen ruimte voor twijfel bestond, slaagt middel I.
Toelichting.
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, bolwerk van intens, fatsoenrakkende criminele rechters, die er voldoende aangetoond niet onpartijdig en onafhankelijk in staan, zoals de hele rechtspraak in Nederland, heeft het met misbruik van recht, met misbruik van bevoegdheid en misbruik van de acte clair doctrine, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63, ter rechtvaardiging van zijn kennelijk onjuiste en onrechtmatige oordeel, geoordeeld dat een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat de belastingplichtige die stelt recht te hebben op een vermindering van belasting, de daarvoor benodigde feiten moet stellen en bij betwisting aannemelijk moet maken, de belastingplichtige die bij het vaststellen van de vermindering van bpm uitgaat van de handelsinkoopwaarde uit een koerslijst en stelt dat die handelsinkoopwaarde moet worden verminderd vanwege — niet in deze koerslijst verwerkte — beschadigingen aan de te registreren personenauto, draagt bij betwisting dan ook de last te bewijzen dat en in hoeverre beschadigingen een waardedaling ten opzichte van de uit die koerslijst volgende waarde tot gevolg hebben en dat artikel 110 VWEU zich niet verzet tegen deze bewijslastverdeling, voorrang gegeven aan bepalingen van nationaal recht op het recht van de Unie en heeft bepalend geacht dat de Hoge Raad der Nederlanden, de grootste georganiseerde misdaadorganisatie van Europa en mogelijk ver daarbuiten, met misbruik van bevoegdheid, met misbruik van recht en met misbruik van de acte clair doctrine, in zijn arrest van 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63, met onttrekking aan de verwijzingsplicht, met misbruik van acte clair met misbruik van recht en misbruik van zonder middels een verzwaard motiveringsvereiste aan te tonen dat de gegeven oplossing even evident was voor rechters in andere lidstaten en het Hof.
Het is aangetoond en overduidelijk natuurlijk dat de raadsheren bij de Hoge Raad der Nederlanden zich gedragen als een stelletje hoeren die burgers naaien tot hun core business hebben verheven door een interne rechtsorde te creëren en te handhaven die kennelijk niet strookt met het recht van de Unie. De raadsheren van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden treffen hetzelfde lot.
Er kon onmogelijk twijfel zijn dat de zelfstandig gegeven oplossing van de Hoge Raad der Nederlanden en in zijn kielzog nu gerechtshof Arnhem-Leeuwarden kan stroken met het recht van de Unie.
Reeds in 1998, in het arrest Outokompu Oy, een standaardarrest, 2 april 1998, EU:C:1998:155, oordeelde het Hof dat in een gedifferentieerd belastingstelsel, zoals in lidstaat Nederland met betrekking tot de hoogte van de belasting BPM, teneinde te voldoen aan de waarborgvereiste van artikel 110 VWEU als volgt de werking van artikel 110 VWEU uitgelegd;
- ‘34.
Wat evenwel de vraag betreft, of een differentiatie als die welke kenmerkend is voor het in geding zijnde belastingstelsel, verenigbaar is met de non-discriminatieregel van artikel 95 van het Verdrag, zij eraan herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak deze bepaling wordt geschonden wanneer de belasting op het ingevoerde product en die op het soortgelijke nationale product op verschillende wijze en volgens verschillende modaliteiten worden berekend, waardoor het ingevoerde product, zij het slechts in sommige gevallen, zwaarder wordt belast (zie, onder meer, arrest van 26 juni 1991, Commissie/Luxemburg, C-152/89, Jurispr. blz. 1–1341, punt 20).
- 35.
Dit is het geval wanneer in een gedifferentieerd belastingstelsel als het onderhavige op ingevoerde elektriciteit die via het nationale net wordt gedistribueerd, ongeacht het productieprocédé een eenvormige heffing wordt toegepast die hoger is dan de laagste heffing op in het binnenland geproduceerde elektriciteit die via het nationale net wordt gedistribueerd.
- 36.
Dat in het binnenland geproduceerde elektriciteit in sommige gevallen zwaarder wordt belast dan ingevoerde elektriciteit, is in deze context irrelevant, aangezien, om na te gaan of het betrokken stelsel verenigbaar is met artikel 95 van het Verdrag, de belasting op ingevoerde elektriciteit moet worden vergeleken met de laagste belasting op in het binnenland geproduceerde elektriciteit (zie, in die zin, arrest Commissie/Luxemburg, reeds aangehaald, punten 21 en 22).’
Nu uit de nationale wettelijke bepaling volgt dat er gevallen mogelijk zijn dat de volledige schade (100%) aftrekbaar is, zoals volgt uit de Uivoeringsregeling BPM 1992;
‘3.5.
De waardevermindering als gevolg van schade aan het te taxeren motorrijtuig ten opzichte van de vastgestelde waarde op basis van de referentiemotorrijtuig wordt vastgesteld door het schadebedrag te vermenigvuldigen met 72%. Indien de taxateur van mening is dat de waardevermindering voor het te taxeren motorrijtuig hoger is dan de vastgestelde norm wordt dit gemotiveerd aangegeven gestaafd met deugdelijke schadecalculatie en beeldmateriaal.’
Hoe 3.5 van de Bijlage I van het Uitvoeringsbesluit BPM 1992 gelezen en geïnterpreteerd moet worden hoeft in het licht van het voorgaande geen behandeling.
Het is buiten elke mogelijke twijfel verheven dat overeenkomstig artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, dat moeten aldus worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat geschillen betreffende de toepassing van het Unierecht onder de uitsluitende bevoegdheid kunnen vallen van een instantie die geen onafhankelijk en onpartijdig gerecht vormt in de zin van de eerste bepaling. Hiervan is sprake wanneer de objectieve voorwaarden waaronder de betrokken instantie zijn bevoegdheden misbruikt, het recht misbruikt en uitlegging geeft over het recht, met misbruik van fundamentele beginselen, zoals de onttrekking van zijn wettelijke verwijzingsplicht, van dien aard zijn dat bij de justitiabelen legitieme twijfel kan ontstaan over de vraag of deze instantie niet gevoelig is voor externe factoren, in het bijzonder voor directe of indirecte invloed van de wetgevende en uitvoerende macht, en of deze instantie onpartijdig is ten opzichte van de met elkaar strijdende belangen, en, derhalve, ertoe kunnen leiden dat deze instelling niet de indruk geeft onafhankelijk en onpartijdig te zijn, hetgeen het vertrouwen kan ondermijnen dat de rechterlijke macht in een democratische samenleving bij deze justitiabelen moet wekken.
Terecht natuurlijk datje dan alle verwijten krijgt toegeworpen, te meer wanneer je naar buiten de uiterlijke schijn ophoudt als rechterlijke instantie onafhankelijk en onpartijdig te zijn en de Minister-president als eindverantwoordelijke in de lidstaat in Europa de uiterlijke schijn ophoudt dat lidstaat Nederland een rechtsstaat heeft waar vele andere landen van de Unie een voorbeeld aan kunnen nemen.
Nou, NOT, Nederland is een grote aanfluiting voor Europa, kent formeel wel een rechtsstaat, maar niet daadwerkelijk, alles voor het oog van het kerkvolk en lekker samen de burger naaien en bedotten dat de stukken ervan af vliegen. Nederland bungelt helemaal achteraan op plaats 27 binnen de Unie, met gepaste afstand als laatste!!!
In normaal Nederlands wordt dart geduid als ‘kontje verkocht’, kenmerkend voor de raadsheren bij de Hoge Raad der Nederlanden.
Nederland is een apenland, of zoals Geert Wilders terecht zegt, verworden tot een bananenrepubliek!! Ik denk dat het in een bananenrepubliek nog netter aan toe gaat dan in lidstaat Nederland!!
Middel II.
Als tweede middel van cassatie stelt belanghebbende voor schending van het recht en/of verzuim van vormen, doordat het gerechtshof heeft geoordeeld dat de heffing van griffierecht naar nationale bepalingen niet in strijd is met het recht van de Unie.
Toelichting.
Van Huijgevoort verwijst voor de rechtvaardiging van zijn gegeven oordeel naar rechtspraak van de grootste criminele organisatie van deze aardbol, de Hoge Raad der Nederlanden, waarin de Hoge Raad, met misbruik van bevoegdheid, uitlegging geeft over de draagwijdte en de betekenis van het recht van de Unie, meer bepaald artikel 47 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
De heffing van vastrecht is een beperking van de toegang tot de rechter. Immers, zonder heffing van griffierecht zullen veel meer mensen de gang naar de rechter (kunnen) maken. Het is vaste rechtspraak van het Hof dat de heffing van griffierecht beheerst wordt door artikel 47 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
De grootste gajesclub van deze planeet, de Hoge Raad der Nederlanden, gaf uitlegging over de heffing van griffierecht, met misbruik van bevoegdheid in zijn arrest van 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:669, waarin de gajesclub oordeelde;
‘3.3.6.
In het algemeen kan worden aangenomen dat de regeling in het bestuursrecht over heffing van griffierecht, inclusief de thans daarbij behorende bedragen aan griffierecht, van dien aard is dat rechtzoekenden daarmee de toegang tot de rechter niet wordt ontnomen.’
In zijn arrest van 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1579, oordeelde Uw gajesclub;
‘Inhoudsindicatie; toegang tot de rechter; vordering van aan griffierechten niet in strijd met het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel.
‘3.1.3.
Het hiervoor bedoelde betoog wordt verworpen. Uit het arrest Kantarev kan niet als algemene regel worden afgeleid dat de toegang tot de nationale rechter alleen dan wordt gewaarborgd indien niet meer dan 4 procent van de in geding zijnde vordering aan griffierechten wordt geheven. Evenmin volgt uit dat arrest dat altijd een vermindering of ontheffing van griffierecht moet worden verleend wanneer het (financiële) belang van de zaak gering is. Of het griffierecht de uitoefening van de door de rechtsorde van de Unie aan particulieren toegekende rechten praktisch onmogelijk of uiterst moeilijk maakt en daarom in strijd is met het Unierechtelijke beginsel van doeltreffendheid, is afhankelijk van het antwoord op de vraag of de hoogte van het verschuldigde recht al dan niet een onoverkomelijk obstakel voor de toegang tot de rechter vormt en of er ontheffingsmogelijkheden bestaan (vgl. punten 134 en 135 van het arrest Kantarev).’’
Vast staat, niet voor enige mogelijke twijfel vatbaar, dat Uw boevenbende uitlegging geeft over de draagwijdte en de betekenis van het recht van de Unie en zelfstandig het geschil oplost, zonder met zekerheid te weten dat de gegeven oplossing even evident zou zijn voor het Hof en rechters in andere lidstaten.
Uw criminele organisatie gaf uitlegging over de draagwijdte en de betekenis van het recht van de Unie, hoewel hij daartoe apert onbevoegd is, nu artikel 267, letter a VWEU een exclusieve bevoegdheid impliceert voor het Hof om uitlegging te geven over de draagwijdte en de betekenis van het recht van de Unie.
Vgl. mr. baron Koenraad Lenaerts en mr. P.J.O. (Piet) van Nuffel, Europees recht, blz. 119, par. 85 e.v.;
- ‘85.
Exclusieve bevoegdheden zijn bevoegdheden die door eenvoudige overdracht aan de Gemeenschap definitief en onomkeerbaar verloren zijn gegaan voor de lidstaten. Een gemeenschapsbevoegdheid is exclusief wanneer uit de tekst of de context van de betrokken Verdragsbepalingen volgt dat elk optreden van de lidstaten ermee in strijd zou zijn.
- 89.
Wanneer een bevoegdheid van de Gemeenschap exclusief is, houdt dit in dat elk optreden van een lidstaat op hetzelfde domein a priori in strijd is met het Verdrag.’
Uw boevenbende heeft uitlegging gegeven over de draagwijdte en de betekenis van het recht van de Unie en zich onttrokken aan zijn wettelijke verwijzingsplicht, zoals in de zaak van 11 oktober 2019, waarin Uw hoerenkindertjes met misbruik van de acte clair doctrine, waarin de hoogste rechter zich aan zijn verplichting tot prejudiciële vraagstelling onttrekt, om vervolgens op grond van dezogenaamdeenduidige tekst van een bepaling van gemeenschapsrecht de vaste rechtspraak van het Hof i.v.m. de uitlegging van die tekst te miskennen, (…) (…)…
Maar het is nog veel erger. Uw vieze club verwijst naar r.o. 134 en 135, van het arrest van het Hof in de zaak Kantarev, EU:C:2018:807, r.o. 134 en r.o. 135, waarin het Hof oordeelt;
- ‘134.
Daartoe moet worden onderzocht of de nationale wetgeving het inleiden van de procedure voor het verkrijgen van schadevergoeding afhankelijk stelt van de betaling van het recht, en of er ontheffingsmogelijkheden bestaan.
- 135.
Er dient tevens rekening te worden gehouden met de hoogte van dat recht en met de vraag of dat recht mogelijk een al dan niet onoverkomelijk obstakel voor de toegang tot de rechter vormt (zie naar analogie arrest van 22 december 2010, DEB, C-279/09, EU:C:2010:811, punt 61).’
Er is dus sprake van een zgn. acte éclairé van het Hof, waarin het Hof, exclusief bevoegd, uitlegt dat ‘Er tevens rekening dient te worden gehouden met de hoogte van dat recht en met de vraag of dat recht mogelijk een al dan niet onoverkomelijk obstakel voor de toegang tot de rechter vormt’.
In dit verband heeft de Hoge Raad der Nederlanden met betrekking tot de vraag die is onderzocht in het kader van de vijfde grief van het beroep van 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1579, die in het arrest van 4 oktober 2018, Kantarev, EU:C:2018:807, — letterlijk — is behandeld, besloten af te wijken van het arrest van 4 oktober 2018, Kantarev, EU:C:2018:807, op grond dat in het algemeen kan worden aangenomen dat de in Nederland bestaande regeling in het bestuursrecht over heffing van griffierecht van dien aard is dat rechtzoekenden daarmee de toegang tot de rechter niet wordt ontnomen, terwijl deze rechter niet met zekerheid kon weten dat zijn redenering even evident zou zijn voor het Hof.
Bovendien volgt uit hetgeen in het kader van het onderzoek van de vijfde grief van het beroep van 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1579, die in het arrest van 4 oktober 2018, Kantarev, EU:C:2018:807, — letterlijk — is behandeld, door het ontbreken van een prejudiciële verwijzing, in deze arresten heeft gekozen voor een oplossing op basis van een uitlegging van artikel 47 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie die strijdig is met de oplossing die in het onderhavige arrest is gekozen, hetgeen impliceert dat niet kan worden uitgesloten dat op het moment van de uitspraak van de Hoge Raad redelijkerwijze ruimte was voor twijfel over deze uitlegging.
Daarbij is van belang dat de Nederlandse regeling geen rekening houdt met de hoogte van de onderliggende vordering, terwijl het Hof dat wel heeft uitgelegd in zijn arrest Kantarev, r.o. 135 en nog eens heeft verduidelijkt in r.o. 138 van zijn arrest.
Bijgevolg moet, zonder dat de overige argumenten die belanghebbende in het kader van de onderhavige grief heeft aangevoerd hoeven te worden onderzocht, worden vastgesteld dat de Hoge Raad der Nederlanden, als rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, het Hof op grond van artikel 267, derde alinea, VWEU had moeten verzoeken om een beslissing teneinde het gevaar voor een onjuiste uitlegging van het Unierecht af te wenden (zie in die zin arrest van 9 september 2015, Ferreira da Silva e Brito e.a., C-160/14, EU:C:2015:565, punt 44).
Aangezien de Hoge Raad der Nederlanden heeft nagelaten zich volgens de procedure van artikel 267, derde alinea, VWEU, tot het Hof te wenden om vast te stellen of, bij de heffing van griffierecht rekening gehouden moet worden met de hoogte van de onderliggende vordering en of de heffing van griffierecht vooraf, met teruggaaf bij een gegrond beroep, terwijl met het heffen achteraf bij een ongegrond beroep, een identieke prikkel veroorzaakt, wordt voldaan aan het evenredigheidsbeginsel, zoals vereist in artikel 52, lid 1 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, bij een beperking van artikel 47 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, terwijl de uitlegging die hij in de arrest van 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1579, aan de bepalingen van het Unierecht heeft gegeven niet zo evident was dat er redelijkerwijze geen ruimte voor twijfel bestond, slaagt het cassatieberoep.
Middel II is kennelijk gegrond. Het Hof heeft uitgelegd dat voor de heffing van griffierecht rekening gehouden moet worden met de hoogte van de onderliggende vordering, dat de heffing van griffierecht wordt beheerst door artikel 47 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en dat een beperking van artikel 47 Handvest van de grondrechten moet voldoen aan het evenredigheidsbeginsel.
Verder heeft de Hoge Raad der Nederlanden, tuig van de richel, met misbruik van bevoegdheid uitlegging gegeven over de draagwijdte en de betekenis van het recht van de Unie, welke bevoegdheid hem niet toekomt.
Verder heeft hij verzuimd, zoals volgt uit het arrest van 6 oktober 1982, Cilfit, EU:C:1982:335, te voldoen aan de verzwaarde motiveringsvereiste, zoals uitgelegd door het Hof in r.o. 16 van voornoemd arrest Cilfit, dat in het geval van een zelfstandige oplossing door de nationale rechter, hij nadrukkelijk verzwaard moet motiveren waarom de gegeven zelfstandige oplossing buiten elke mogelijke twijfel verheven, even evident was voor het Hof.
Middel II is kennelijk gegrond!!!!
Conclusie:
De Hoge Raad neemt een kennelijk ernstig onrechtmatig besluit, met misbruik van bevoegdheid, misbruik van recht en misbruik van de acte clair doctrine, en het Hof neemt dat als basis voor ‘interne compensatie’ waarmee teruggaven van in strijd met het Unierecht niet geeffectueerd kunnen worden.
Uiterst langdurige opsluiting is mijns inziens het enige juiste middel om dit gajes van de Hoge Raad en het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op passende en juiste wijze te straffen voor dergelijke ongekende wanstaltigheden.
Middel I slaagt, de zaak moet terug naar het gerechtshof (ander gerechtshof) om de grieven van belanghebbende, die tot een vermindering moeten leiden, vermeerderd met een passende rentevergoeding te behandelen.
Middel III.
Als tweede middel van cassatie stelt belanghebbende voor schending van het recht en/of verzuim van vormen, meer bepaald artikel 267, letter a VWEU, in samenhang met artikel 267, tweede en derde alinea VWEU, artikel 47 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, artikel 4, lid 3 VEU, artikel 19, lid 1 VEU en artikel 2 VEU, het Unierechtelijk voorrangsbeginsel en het beginsel van rechtstreekse werking, doordat het gerechtshof heeft geoordeeld — onder verwijzing naar de uitspraak van de grootste criminele organisatie van Europa, mogelijk ook ver daarbuiten, de Hoge Raad der Nederlanden in zijn arrest van 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1579, waarin de Hoge Raad uitlegging geeft over de draagwijdte en de betekenis van het recht van de Unie, meer bepaald een arrest van het Hof van 4 oktober 2018, EU:C:2018:807, daarmee kennelijk ernstig misbruik makend van zijn bevoegdheid, in algemene bewoordingen dat de regeling van heffing van griffierecht in lidstaat Nederland niet in strijd is met het recht van de Unie (Hoge Raad 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:699), hetgeen impliceert dat niet kan worden uitgesloten dat op het moment van de uitspraak van de Hoge Raad der Nederlanden redelijkerwijze ruimte was voor twijfel over deze uitlegging.
Bijgevolg moet, zonder dat de overige argumenten van belanghebbende in het kader van de onderhavige grief heeft aangevoerd hoeven te worden onderzocht, worden vastgesteld dat de Hoge Raad der Nederlanden, als rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, het Hof op grond van artikel 267, derde alinea, VWEU had moeten verzoeken om een beslissing teneinde het gevaar voor een onjuiste uitlegging van het Unierecht af te wenden (zie in die zin arrest van 9 september 2015, Ferreira da Silva e Brito e.a., C-160/14, EU:C:2015:565, punt 44).
Aangezien de Hoge Raad der Nederlanden heeft nagelaten zich volgens de procedure van artikel 267, derde alinea, VWEU, tot het Hof te wenden om vast te stellen of, uit de vaste en overvloedige rechtspraak van het Hof volgt dat een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat de belastingplichtige die stelt recht te hebben op een vermindering van belasting, de daarvoor benodigde feiten moet stellen en bij betwisting aannemelijk moet maken, de belastingplichtige die bij het vaststellen van de vermindering van bpm uitgaat van de handelsinkoopwaarde uit een koerslijst en stelt dat die handelsinkoopwaarde moet worden verminderd vanwege — niet in deze koerslijst verwerkte — beschadigingen aan de te registreren personenauto, draagt bij betwisting dan ook de last te bewijzen dat en in hoeverre beschadigingen een waardedaling ten opzichte van de uit die koerslijst volgende waarde tot gevolg hebben en dat artikel 110 VWEU zich niet verzet tegen deze bewijslastverdeling, aan de bepalingen van het Unierecht heeft gegeven niet zo evident was dat er redelijkerwijze geen ruimte voor twijfel bestond, slaagt middel III.
Middel IV.
Middel VII.
Als zevende middel van cassatie stelt belanghebbende voor schending van recht en/of verzuim van vormen, meer bepaald artikel 267, letter a VWEU, juncto artikel 267, tweede alinea VWWEU, juncto artikel 47 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in samenhang gelezen met artikel 19, lid 1 en 2 VEU, artikel 110 VWEU, doordat het gerechtshof oordeelt, onder verwijzing naar uitlegging van de Hoge Raad der Nederlanden van de draagwijdte en de betekenis van het recht van de Unie met betrekking tot een gedifferentieerd belastingstelsel, waarin geopteerd kan worden voor een vermindering wegens de ingebruikname van een verhuurvoertuig, geduid als ex-rental, dat geen extra korting kan worden toegekend.
Toelichting.
X-ray, ex-rental nee.
De Hoge Raad, gekende criminele organisatie, vieze club, bewezen en aangetoond door mij, heeft — zonder toe te komen aan zijn wettelijke verplichting — zelfstandig — het geschil opgelost inzake ex-rental en geoordeeld dat in een gedifferentieerd belastingstelsel, zoals ex-rental ja of nee, aangesloten moet worden bij de feitelijke verhuursituatie in een andere lidstaat.
De Hoge Raad der Nederlanden heeft zelfstandig, zich onttrekkend aan zijn wettelijke verwijzingsverplichting het geschil opgelost, zonder middels een verzwaarde motiveringsvereiste aan te tonen dat de gekozen oplossing even evident was voor het Hof en rechters in andere lidstaten (Hof van Justitie, 6 oktober 1982, CILFIT, EU:C:1982:335, r.o. 16).
Dat is kennelijk onrechtmatig. De Hoge Raad maakt misbruik van bevoegdheid, treedt op het exclusieve domein van de Unierechter door uitlegging te geven over de draagwijdte en de betekenis van het recht van de Unie, met misbruik van recht en misbruik van de acte clair doctrine/CILFIT-doctrine.
Ik verwijs Uw rechtbank naar Hof van Justitie, 4 oktober 2018, Commissie/Frankrijk, EU:C:2018:811;
- ‘108.
Ten tweede moet eraan worden herinnerd dat wanneer de beslissing van een nationale rechterlijke instantie niet vatbaar is voor hoger beroep, deze instantie in beginsel is gehouden zich krachtens artikel 267, derde alinea, VWEU tot het Hof te wenden wanneer voor haar een vraag over de uitlegging van het VWEU wordt opgeworpen (arrest van 15 maart 2017, Aquino, C-3/16, EU:C:2017:209, punt 42).
- 109.
Het Hof heeft geoordeeld dat deze in deze bepaling neergelegde verwijzingsplicht met name tot doel heeft te voorkomen dat zich in een lidstaat nationale rechtspraak ontwikkelt die niet met de regels van het Unierecht strookt (arrest van 15 maart 2017, Aquino, C-3/16, EU:C:2017:209, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
- 110.
Deze rechterlijke instantie is hiertoe inderdaad niet gehouden wanneer zij vaststelt dat de opgeworpen vraag niet relevant is of dat de betreffende bepaling van het Unierecht door het Hof reeds is uitgelegd of dat de juiste toepassing van het Unierecht zo voor de hand ligt dat redelijkerwijze geen ruimte voor twijfel kan bestaan, waarbij bij beoordeling of een dergelijk geval zich voordoet, rekening moet worden gehouden met de eigen kenmerken van het Unierecht, de bijzondere moeilijkheden bij de uitlegging ervan en het gevaar voor uiteenlopende rechtspraak binnen de Unie (zie in die zin arresten van 6 oktober 1982, Cilfit e.a., 283/81, EU:C: 1982:335, punt 21; 9 september 2015, Ferreira da Silva e Brito e.a., C-160/14, EU:C:2015:565, punten 38 en 39, en 28 juli 2016, Association France Nature Environnement, C-379/15, EU:C:2016:603, punt 50).
- 111.
In dit verband heeft de Conseil d'État met betrekking tot de vraag die is onderzocht in het kader van de eerste grief van het onderhavige beroep wegens niet-nakoming, welke vraag, zoals de advocaat-generaal in punt 99 van zijn conclusie heeft opgemerkt, niet in het arrest van 15 september 2011, Accor (C-310/09, EU:C:2011:581), is behandeld, besloten af te wijken van het arrest van 13 november 2012, Test Claimants in the FII Group Litigation (C-35/11, EU:C:2012:707), op grond dat de betrokken Britse regeling verschilde van de Franse regeling van het belastingkrediet en de voorheffing, terwijl deze rechter niet met zekerheid kon weten dat zijn redenering even evident zou zijn voor het Hof.
- 112.
Bovendien volgt uit hetgeen in het kader van het onderzoek van de eerste grief van de Commissie in de punten 29 tot en met 46 van het onderhavige arrest is geoordeeld, dat de Conseil d'État in de zaken die hebben geleid tot de arresten van 10 december 2012, Rhodia (FR:CESSR:2012:317074.20121210), en 10 december 2012, Accor (FR:CESSR:2012:317075.20121210), door het ontbreken van een prejudiciële verwijzing, in deze arresten heeft gekozen voor een oplossing op basis van een uitlegging van de artikelen 49 en 63 VWEU die strijdig is met de oplossing die in het onderhavige arrest is gekozen, hetgeen impliceert dat niet kan worden uitgesloten dat op het moment van de uitspraak van de Conseil d'État redelijkerwijze ruimte was voor twijfel over deze uitlegging.
- 113.
Bijgevolg moet, zonder dat de overige argumenten die de Commissie in het kader van de onderhavige grief heeft aangevoerd hoeven te worden onderzocht, worden vastgesteld dat de Conseil d'État, als rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, het Hof op grond van artikel 267, derde alinea, VWEU had moeten verzoeken om een beslissing teneinde het gevaar voor een onjuiste uitlegging van het Unierecht af te wenden (zie in die zin arrest van 9 september 2015, Ferreira da Silva e Brito e.a., C-160/14, EU:C:2015:565, punt 44).
- 114.
Aangezien de Conseil d'État heeft nagelaten zich volgens de procedure van artikel 267, derde alinea, VWEU, tot het Hof te wenden om vast te stellen of, bij de berekening van de teruggaaf van de roerende voorheffing die door een ingezeten vennootschap is betaald over de uitkering van dividend dat via een niet-ingezeten dochteronderneming door een niet-ingezeten vennootschap is gestort, moest worden geweigerd rekening te houden met de belasting die deze tweede vennootschap heeft betaald over de winst waaruit dit dividend is uitgekeerd, terwijl de uitlegging die hij in de arresten van 10 december 2012, Rhodia (FR:CESSR:2012:317074.20121210), en 10 december 2012, Accor (FR:CESSR:2012:317075.20121210), aan de bepalingen van het Unierecht heeft gegeven niet zo evident was dat er redelijkerwijze geen ruimte voor twijfel bestond, slaagt de vierde grief.’
De Hoge Raad heeft onrechtmatig en kennelijk onjuist geoordeeld. Uit geen enkel arrest van het Hof met betrekking tot artikel 110 VWEU volgt dat de Hoge Raad op deze wijze kon oordelen. Ik verwees Uw rechtbank reeds naar het arrest Bobie Getrankevertrieb GmbH, maar de misvatting van de Hoge Raad, onrechtmatig, willens en wetens, volgt ook uit Hof van Justitie, 2 april 1998, Outokumpu Oy, EU:C:1998:155, r.o. 34 e.v…
In een gedifferentieerd binnenlands belastingstelsel moet niet uitgegaan worden van de situatie in een eerdere lidstaat, maar van de gevolgen van de gedifferentieerde belasting voor binnenlandse soortgelijke voertuigen.
Voor binnenlandse voertuigen heeft ex-rental geen fiscale gevolgen. In dat geval moet volgens vaste en overvloedige rechtspraak van het Hof met betrekking tot artikel 110 VWEU, uitgegaan worden van de laagst denkbare gevolgen van de gedifferentieerde belasting voor importvoertuigen teneinde te voldaan aan de waarborgvereiste van artikel 110 VWEU.
Aldus moet X-Ray ex-rental nee verminderd worden. Verweerder moet koerslijsten inbrengen op de datum van tenaamstelling, die kan hij opvragen bij de leverancier (achteraf), danwel moet de belasting met 10% verminderd worden.
Het beroep is kennelijk gegrond. De Hoge raad is vastgesteld een boevenbende, niet voor 1% twijfel vatbaar, ongekende criminelen die alle fundamenten van ons gerechtelijk stelsel terzijde stellen om onverschuldigde belasting te fourneren.
Hele vieze, nare praktijken die hun gevolgen hebben voor het vertrouwen (wantrouwen) in de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechterlijke macht.
Middel V.
Als vijfde middel van cassatie stelt belanghebbende voor schending van het recht en/of verzuim van vormen, meer bepaald artikel 267, letter a VWEU juncto artikel 267, tweede alinea VWEU, in samenhang gelezen met artikel 47 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en artikel 110 VWEU, doordat van Huijgevoort, werkzaam bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, uitlegging geeft over de draagwijdte en de betekenis van het recht van de Unie, meer bepaald de draagwijdte en de betekenis van artikel 110 VWEU, onder verwijzing naar uitlegging van de Hoge Raad der Nederlanden van 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63, door te overwegen zoals hij heeft overwogen in zijn r.o. 4.14 en 4.15 en kort gezegd heeft geoordeeld dat de bewijslast om aan te tonen dat teveel belasting is geheven op belanghebbende rust.
Toelichting.
Van Huijgevoort treedt op het exclusieve domein van de Unierechter, hetgeen a priori in strijd is met het Verdrag.
Vgl. mr. baron Koenraad Lenaerts en mr. Piet van Nuffel, Europees recht, blz. 119, par. 85 e.v.;
- ‘85.
Exclusieve bevoegdheden zijn bevoegdheden die door eenvoudige overdracht aan de Gemeenschap definitief en onomkeerbaar verloren zijn gegaan voor de lidstaten. Een gemeenschapsbevoegdheid is exclusief wanneer uit de tekst of de context van de betrokken Verdragsbepalingen volgt dat elk optreden van de lidstaten ermee in strijd zou zijn.
- 89.
Wanneer een bevoegdheid van de Gemeenschap exclusief is, houdt dit in dat elk optreden van een lidstaat op hetzelfde domein a priori in strijd is met het Verdrag.’
Middel V is kennelijk gegrond. Van Hujgevoort heeft willens en wetens in flagrante strijd met alle fundamentele beginselen van het recht de belastingplichtige, op vileine wijze ontdaan van zijn fundamentele grondrechten. Aangetoond zij maar weer dat deze man echt voor geen millimeter deugt! Hij kan zo bij de Hoge Raad der Nederlanden gaan werken…
Volgens vaste en overvloedige rechtspraak van het Hof verbiedt artikel 110, eerste alinea, VWEU elke lidstaat om op producten van de overige lidstaten hogere binnenlandse belastingen te heffen dan die welke op gelijksoortige nationale producten worden geheven (arrest van 9 juni 2016, Budi§an, C-586/14, EU:C:2016:421, punt 20).
Volgens vaste rechtspraak kan een belastingstelsel van een lidstaat slechts verenigbaar met artikel 110 VWEU worden geacht, indien vaststaat dat het zodanig is ingericht dat het in alle gevallen is uitgesloten dat ingevoerde producten zwaarder worden belast dan binnenlandse producten en dat het bijgevolg in geen geval discriminerende gevolgen heeft (arresten van 19 maart 2009, Commissie/Finland, C-10/08, niet gepubliceerd, EU:C:2009:171, punt 24, en 19 december 2013, X, C-437/12, EU:C:2013:857, punt 28).
Het Hof heeft bovendien met betrekking tot de belasting over ingevoerde tweedehands wagens reeds geoordeeld dat artikel 110 VWEU de volstrekte neutraliteit van de binnenlandse belastingen beoogt te waarborgen ten aanzien van de mededinging tussen producten die zich reeds op de binnenlandse markt bevinden, en ingevoerde producten (arresten van 17 juli 2008, Krawczynski, C-426/07, EU:C:2008:434, punt 31, en 3 juni 2010, Kalinchev, C-2/09, niet gepubliceerd, EU:C:2010:312, punt 31).
Artikel 110 VWEU richt zich tot de lidstaten met een verbod en schept rechten voor belanghebbenden!!
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63, gekozen voor een zelfstandige oplossing van het geschil en nagelaten zich overeenkomstig artikel 267, derde alinea VWEU tot het Hof te wenden om vast te stellen of, nu op de heffende autoriteit de verplichting rust ervoor te waken dat met het heffen van BPM wordt getreden buiten de in artikel 110 VWEU neergelegde begrenzing van de nationale heffingsbevoegdheid, en met een berekening van de heffing conform de nationale wettelijke regeling aan die verplichting niet wordt voldaan, op de belastingplichtige de bewijslast rust om in het geding gegevens in te brengen, waaruit kan blijken hoe de door belanghebbende voldane BPM zich verhoudt tot het restant aan BPM dat nog drukte op vergelijkbare, reeds in Nederland geregistreerde auto's, en daarmee uitlegging gegeven over de draagwijdte en de betekenis van artikel 110 VWEU, die niet strookt met de tekst, context en vaste en overvloedige uitlegging van het Hof met betrekking tot artikel 110 VWEU, aan de bepalingen van het Unierecht heeft gegeven niet zo evident was dat er redelijkerwijze geen ruimte voor twijfel bestond, slaagt middel V.
Artikel 110 VWEU is een verbod dat zich richt tot de lidstaten. Het volstaat voor een belanghebbende om te stellen dat — in potentie — het binnenlands belastingstelsel zich niet verhoudt tot artikel 110 VWEU.
In casu is aangetoond dat door de nationale regeling ex. artikel 6:2 Kaderbesluit BPM, waarin de verschillende heffings- en betalingsmodaliteiten deels worden geneutraliseerd de nationale wettelijke regeling in kennelijke strijd is met het recht van de Unie.
Aldus had het op de weg gelegen van de heffende autoriteit nu op hem de verplichting rust ervoor te waken dat met het heffen van BPM wordt getreden buiten de in artikel 110 VWEU neergelegde begrenzing van de nationale heffingsbevoegdheid, en met een berekening van de heffing conform de nationale wettelijke regeling aan die verplichting niet wordt voldaan, in eerste instantie aan de Inspecteur om in het geding na verwijzing gegevens in te brengen, waaruit kan blijken hoe de door belanghebbende voldane BPM zich verhoudt tot het restant aan BPM dat nog drukte op vergelijkbare, reeds in Nederland geregistreerde auto's, danwel de betalings- en heffingsverschillen volledig te neutraliseren, hetgeen hij heeft nagelaten en wat gefaciliteerd wordt door het gerechtshof onder verwijzing naar onrechtmatige en onbevoegd tot stand gekomen rechtspraak van de Hoge Raad der Nederlanden van 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63.
Van Huijgevoort is gebleken en door mij onomstotelijk aangetoond een doorwinterde bedrieger. Wat het nog erger maakt is dat deze man geacht moet worden onafhankelijk te zijn en dat ook geponeerd wordt door de nationale autoriteiten, maar het tegendeel in volle omvang waarheid blijkt te zijn!!!!!!!!!!!!!!!
Middel VI.
Als vijfde middel van cassatie stelt belanghebbende voor schending van het recht en/of verzuim van vormen, doordat het gerechtshof oordeelt dat de kentekengegevens dienen te worden aangemerkt als stukken die zich onder derden bevinden, de RDW in casu, en de Inspecteur gelet op het voormelde arrest van de grootste gajesclub van Europa en ver daarbuiten, de Hoge Raad der Nederlanden, niet gehouden deze gegevens in te brengen.
Toelichting.
Het gerechtshof miskend met zijn opvatting, uitlegging gevend over de draagwijdte en de betekenis van het recht van de Unie, meer bepaald artikel 110 VWEU, dat nu binnenlandse gebruikte voertuigen en te importeren gebruikte voertuigen volgens verschillende heffings- en betalingsmodaliteiten worden behandeld.
Voor binnenlandse voertuigen wordt de restant-belasting berekend op het moment van het belastbaar feit, zijnde de (her)tenaamstelling in het krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aangehouden register van opgegeven kentekens.
Voor te importeren, gebruikte voertuigen wordt de belasting berekend op het moment van aangifte, daarna moet er betaald worden, daarna volgt een fiscaal akkoord en daarna pas wordt het kenteken afgegeven. Pas op enig moment daarna vindt het belastbaar feit plaats.
Die verschillende heffingsmodaliteiten leiden tot een kennelijke schending van artikel 110 VWEU.
Ik verwijs uw hoerenkast naar uitlegging van het Hof in zijn arrest Grundig Italiana Spa, 17 juni 1998, EU:C: 1998:299, r.o. 23;
- ‘23.
Volgens vaste rechtspraak levert een aan de nationale productie voorbehouden voordeel in de vorm van betalingsfaciliteiten een verschil in behandeling ten nadele van ingevoerde producten uit andere lidstaten op, dat in strijd is met het verbod van artikel 95 van het Verdrag (zie arrest Commissie/Ierland, reeds aangehaald).’
Aldus staat kennelijk vast — dat de verschillende heffingsmodaliteiten — ten nadele van te importeren, gebruikte voertuigen, strijd oplevert met het Unierecht.
Om te kunnen bepalen in welke mate die strijdigheid zich voordoet, moet verweerder, die een systeem moet waarborgen waarin is uitgesloten dat in alle gevallen zich discriminerende gevolgen voordoen. Aldus is hij gehouden de kentekengegevens in te brengen, of eigenlijk, van rechtswege, na de registratie van de kentekens, uit eigen beweging de teveel betaalde belasting terug te storten.
Van Huijgevoort, intens viezerik, oordeelt onder verwijzing naar eigen verzonnen regeltjes van de grootste boevenclub van de wereld, de Hoge Raad, dat dat allemaal niet hoeft.
Aldus staat vast, buiten elke mogelijke twijfel verheven, dat van Huijgevoort de volle werking van het Unierecht niet waarborgt en een strijdig met het Unierecht zijnde nationale regeling voort laat bestaan!!! 100 Jaar opsluiting is nog te weinig voor zulk een achterbakse smeerkeesü
Zonder kentekengegevens is het niet mogelijk de volstrekte neutraliteit van artikel 110 VWEU te waarborgen.
Ik verwijs uw maffiose club naar uitlegging van het Hof in zijn arrest van 17 april 2018, Dos Santos, EU:C:2018:275;
- ‘15.
Het Hof heeft bovendien met betrekking tot de belasting over ingevoerde tweedehands wagens reeds geoordeeld dat artikel 110 VWEÜ de volstrekte neutraliteit van de binnenlandse belastingen beoogt te waarborgen ten aanzien van de mededinging tussen producten die zich reeds op de binnenlandse markt bevinden, en ingevoerde producten (arresten van 17 juli 2008, Krawczyhski, C-426/07, EU:C:2008:434, punt 31, en 3 juni 2010, Kalinchev, C-2/09, niet gepubliceerd, EU:C:2Q10:312, punt 31).’
200 jaar opsluiting is mogelijk nog te weinig voor die crimineel van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden!!!!! Wat een gekende smeerlap! Wat een ongekende crimineel!!
Ik merk op dat de hoerenkindertjes van de Hoge Raad al overeenkomstig oordeelden in zijn arrest van 28 februari 2020, EU:C:2020:331. In dat arrest ging alles verkeerd, maar ja, eenmaal een boef, altijd een boef!!
Middel VII.
Als zevende middel van cassatie stelt belanghebbende voor schending van het recht en/of verzuim van vormen doordat het gerechtshof — onder verwijzing naar een in strijd met de fundamentele beginselen van het recht tot stand gekomen uitspraak van de Hoge Raad der Nederlanden, mega criminele boevenbende, van 28 september 2018, ECLi:NL:HR:2018:1790, waarin de Hoge Raad der Nederlanden, met misbruik van bevoegdheid, misbruik van recht, misbruik van de acte clair/acte éclairé doctrine en misbruik van de Cilfit-doctrine, heeft geoordeeld dat het vereiste dat belanghebbende voor de vergoeding van rente wegens in strijd met het Unierecht geheven belasting een afzonderlijk verzoek moet indienen bij de Ontvanger geen strijd oplevert met het Unierechtelijk doeltreffendheidsbeginsel en onder verwijzing van het gerechtshof — ter uiterlijke staving van zijn ogenschijnlijke juistheid van het gegeven oordeel, naar r.o. 66 t/m 69 van het arrest Sole-Mizo van het Hof van 23 april 2020, Sole-Mizo, EU:C:2020:292.
Toelichting.
Ten eerste is van belang dat het vaste en overvloedige rechtspraak is van het Hof dat het recht op terugbetaling van heffingen die een lidstaat in strijd met het recht van de Unie heeft geïnd, het gevolg en het complement is van de rechten die de justitiabelen ontlenen aan de bepalingen van het Unierecht, zoals die door het Hof zijn uitgelegd. De lidstaten zijn dus in beginsel verplicht om de in strijd met het recht van de Unie geïnde belastingen terug te betalen (arrest van 19 juli 2012, Littlewoods Retail e.a., C-591/10, EU:C:2012:478, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Uit die rechtspraak volgt dat het beginsel dat de lidstaten verplicht zijn om in strijd met het Unierecht geheven belastingen met rente terug te betalen, uit het Unierecht zelf voortvloeit (arrest van 19 juli 2012, Littlewoods Retail e.a., C-591/10, EU:C:2012:478, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
In die gevallen vloeit de betalingsverplichting rechtstreeks voort uit het Unierecht en ontstaat zij dus van rechtswege zonder dat het recht op vergoeding afhankelijk is van een specifiek bevel tot betaling van rente over de hoofdsom (Hof van Justitie, 8 september 2016, Wörtmann, EU:C:2016:663, r.o. 70).
Aldus was ten tijde van de met misbruik van bevoegdheid, misbruik van recht, misbruik van de acte clair doctrine, misbruik van de acte éclairé doctrine en misbruik van de CILFIT-doctrine tot stand gekomen rechtspraak van de grootste criminele organisatie van ons heelal, de Hoge Raad der Nederlanden, op 28 september 2018 (en 3 maart 2017, red. JV) sprake van een acte éclairé van het Hof met betrekking tot het moeten doen van een separaat verzoek tot betaling van rente over de hoofdsom.
Des te schrijnender en des te typerender voor de ongekende criminaliteit die heerst bij de Hoge Raad der Nederlanden, is dat de uitlegging zelfs letterlijk is, zowel qua exacte tekst als de context waarin e.e.a. is uitgelegd door de exclusief bevoegde rechter, de Unierechter.
Aldus staat buiten elke mogelijke twijfel verheven dat de Hoge Raad der Nederlanden, door te oordelen in weerwil met een acte éclairé van het Hof, met schending van alle fundamentele rechtsbeginselen van de rechtsstaat, de nationale regeling in strijd met het recht van de Unie heeft doen voortleven, in het belang van de nationale staatskas.
De door het gerechtshof opgeworpen rechtsoverwegingen 66 t/m 69 zien op de beantwoording van de derde en vierde vraag van de verwijzende rechter, namelijk of het Unierecht en, in het bijzonder, artikel 183 van de btw-richtlijn en het doeltreffendheidsbeginsel aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een praktijk van een lidstaat die 1) van de belastingplichtige verlangt dat hij een bijzonder verzoek indient om de vertragingsrente te ontvangen waarop hij recht heeft omdat de belastingdienst een vordering van rente, die verschuldigd was uit hoofde van de teruggaaf van een in strijd met het Unierecht ingehouden btw-overschot, niet binnen de gestelde termijn heeft voldaan, terwijl een dergelijke rente in andere gevallen ambtshalve wordt toegekend, en 2) die rente toepast vanaf het verstrijken van de termijn van 30 of 45 dagen waarover de belastingdienst beschikt om een dergelijk verzoek te behandelen, en niet vanaf de datum waarop dat overschot is ontstaan.
Daarop heeft het Hof uitgelegd dat in een dergelijk geval het Unierecht zich niet verzet tegen een praktijk van een lidstaat die van de belastingplichtige verlangt dat hij een bijzonder verzoek indient om de vertragingsrente te ontvangen waarop hij recht heeft omdat de belastingdienst een vordering van rente niet binnen de gestelde termijn heeft voldaan. Dat heeft uiteraard nada niets van doen met de wettelijke verplichting om in strijd met het Unierecht geheven belastingen met rente terug te betalen, maar heeft betrekking op het moeten doen van een verzoek voor vertragingsrente wegens het niet tijdig voldoen van de heffende autoriteit aan zijn betalingsverplichting.
Het is echt ongekend wat een ongegeneerde crimineel die van Huijgevoort wel niet is door structureel te zoeken naar de mogelijkheid burgers waar mogelijk op te lichten en te belazeren. Zoals ik al eerder stelde, niet voor enige mogelijke twijfel vatbaar, heel, heel lang opsluiten zulke ongekende topcriminelen uit de nationale overheidsinstanties!!!!!
Middel VII is kennelijk gegrond. Er is sprake van een overduidelijke acte éclairé van het Hof, zowel qua tekst, als qua context als qua vaste uitlegging. Dat de Hoge Raad er dan nog iets van gaat vinden bevestigt in volle omvang mijn stellingen dat sprake is van een stelletje ongekende hoerenkinderen die gebleken gevoelig zijn voor externe factoren, in het bijzonder voor directe of indirecte invloed van de wetgevende en uitvoerende macht, en of deze instantie onpartijdig is ten opzichte van de met elkaar strijdende belangen, en, derhalve, ertoe kunnen leiden dat deze instelling niet de indruk geeft onafhankelijk en onpartijdig te zijn, hetgeen het vertrouwen kan ondermijnen dat de rechterlijke macht in een democratische samenleving bij deze justitiabelen moet wekken.
In normaal Nederlands, rechters die zich als een stelletje hoeren gedragen en samen met de heffende en wetgevende autoriteit de staatskas lopen te vullen over de rug van nette, brave, eerlijke burgers, en zich daartoe tot alle handelingen laten verleiden!!! Vieze smeerkezen, viespeuken, alle superlatieven schieten tekort voor dergelijke gajes!!
Middel VIII.
Als achtste middel van cassatie stelt belanghebbende voor schending van het recht en/of verzuim van vormen, meer bepaald artikel 267, letter a VWEU, artikel 267, tweede alinea VWEU, artikel 19, lid 1 en 2 VEU, artikel 47 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, doordat het gerechtshof — de redelijke termijn van berechting verlengt wegens de corona-epidemie en daarmee uitlegging geeft over de draagwijdte en de betekenis van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, terwijl het gerechtshof daartoe geen enkele bevoegdheid heeft.
Toelichting.
Deze is wel heel erg makkelijk… Ik verwijs Uw intens criminele organisatie naar uitlegging van het Hof van 26 februari 2013, Hans Akerberg Fransson, EU:C:2013:105, r.o. 29 en 30;
- ‘29.
Dit vooropgesteld, kan een nationale autoriteit of rechterlijke instantie die moet onderzoeken of een nationale bepaling of maatregel waarmee in een situatie waarin het optreden van de lidstaten niet volledig door het Unierecht wordt bepaald, het Unierecht ten uitvoer wordt gebracht in de zin van artikel 51, lid 1, van het Handvest, in overeenstemming is met de grondrechten, daarbij nog steeds nationale maatstaven voor de bescherming van de grondrechten toepassen, op voorwaarde dat deze toepassing niet afdoet aan het door het Handvest geboden beschermingsniveau, zoals uitgelegd door het Hof, noch aan de voorrang, eenheid en doeltreffendheid van het Unierecht (zie voor dit laatste aspect arrest van 26 februari 2013, Melloni, C-399/11, punt 60).
- 30.
Daartoe hebben de nationale rechters wanneer zij de bepalingen van het Handvest moeten uitleggen, de mogelijkheid en in voorkomend geval de verplichting om het Hof krachtens artikel 267 VWEU om een prejudiciële beslissing te verzoeken.’
Nu vast staat dat het gerechtshof de draagwijdte en de betekenis van artikel 47 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie moest uitleggen, namelijk of de corona-epidemie een uitzonderlijke en onvoorzienbare situatie is die een verlenging van d redelijke termijn van berechting met 4 maanden rechtvaardigt, had het gerechtshof aldus zich overeenkomstig artikel 267, tweede alinea VWEU tot het Hof moeten richten om van het Hof te vernemen wat het gerechtshof heeft geoordeeld, teneinde het risico af te wenden van uiteenlopende uitlegging van de fundamentele grondrechten in alle lidstaten afzonderlijk!!!
Het gerechtshof heeft het risico op uiteenlopende uitlegging aanvaard door na te laten het Hof overeenkomstig zijn wettelijke verplichting ex. artikel 267, tweede alinea VWEU te bevragen en heeft met misbruik van bevoegdheid ex. artikel 267, letter a VWEU zelfstandig het geschil opgelost, hetgeen a priori in strijd is met het Verdrag.
Middel VII is kennelijk gegrond!
Middel IX.
Als negende middel van cassatie stelt belanghebbende voor schending van het recht en of verzuim van vormen, meer bepaald artikel 267, letter a VWEU, artikel 267, tweede alinea VWEU, artikel 19, lid 1 en 2 VEU, artikel 47 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, doordat het gerechtshof heeft overwogen dat artikel 47 Handvest van de Unie niet noopt tot toekenning van een werkelijke proceskostenvergoeding, met toepassing van voorrang van nationale bepalingen en dat geen proceskosten in bezwaar hoeven te worden toegekend, nu belanghebbende, op wie de bewijslast rust aan te tonen dat de belasting verminderd moet worden, niet heeft toegelicht waarom hij dat verzoek eerst bij het gerechtshof heeft gedaan en aldus geen toerekenbare onrechtmatigheid impliceert, die naar nationale regeling een vereiste is voor toekenning van de proceskosten in de bezwaarfase.
Toelichting.
Het gerechtshof geeft — met misbruik van bevoegdheid — uitlegging over de draagwijdte en de betekenis van artikel 47 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
Artikel 47, eerste alinea Handvest regelt een daadwerkelijk effectieve toegang tot de rechter en de tweede alinea bepaald dat daartoe een rechtsonderhorige recht heeft op advisering, vertegenwoordiging en verdediging.
Artikel 47 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie verzet zich derhalve tegen een nationale regeling met forfaitaire tarieven die, wegens te lage maximumbedragen, niet waarborgen dat minstens een significant en passend deel van de redelijke kosten van de in het gelijkgestelde partij door de verliezende partij wordt gedragen, nu de rechten van artikel 47 Handvest daarmee immers tot een lege huls verworden.
Maar vooropgesteld zij — onder verwijzing naar middel VIII, is het gerechtshof wanneer hij de bepalingen van het Handvest moeten uitleggen, de mogelijkheid en in voorkomend geval de verplichting om het Hof krachtens artikel 267 VWEU om een prejudiciële beslissing te verzoeken. Dat heeft hij nagelaten en daarmee is het cassatieberoep reeds kennelijk gegrond.
Hij had het Hof moeten consulteren en moeten bevragen of een nationale regeling met forfaitaire tarieven, die wegens lage bedragen, die volgens onderzoek van de dienstdoend Minister Dekker van Rechtsbescherming sowieso te laag zijn om uit gebleken onderzoek een redelijke tegemoetkoming te impliceren, zich verhouden tot artikel 47 Handvest. Hij heeft verzuimd in zijn wettelijke verplichting ex. artikel 267, tweede alinea VWEU en heeft met misbruik van bevoegdheid uitlegging gegeven over de draagwijdte en de betekenis van het recht van de Unie.
Verder miskend van Huijgevoort, gebleken topcrimineel, waarbij Willem Holleeder verwordt tot een mietje, dat wanneer een nationale regeling beperkingen stelt aan de toekenning van een vergoeding van de in het gelijkgestelde partij door de verliezende partij, deze regeling moet voldoen aan de beperkingen van artikel 52, lid 1 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
Het gerechtshof heeft het risico aanvaard op uiteenlopende uitlegging van het recht van de Unie binnen de lidstaten en daarmee staat de kennelijk onrechtmatige daad ondubbelzinnig vast!!!!
Ook miskend het gerechtshof dat de in strijd met het Unierecht geheven belasting an sich al volstaat om een vergoeding van de proceskosten in de bezwaarfase toe moeten vergoeden, zoals uitgelegd door de bajesklanten van de Korte Voorhout, in zijn arrest van 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3603.
Nu vast staat dat de belasting in strijd met het recht van de Unie is geheven had het gerechtshof aldus een proceskostenvergoeding in de bezwaarfase moeten toekennen!!
Allemaal viezerds, allemaal topcriminelen die hun gelijke niet kennen in de wereld!!
Alle middelen zijn kennelijk gegrond. Het cassatieberoep slaagt op alle onderdelen.
Uitspraak 09‑09‑2022
Inhoudsindicatie
Bpm; coronapandemie niet zonder meer reden voor verlenging redelijke termijn.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 21/03000
Datum 9 september 2022
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
1. de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
2. de STAAT (de MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 22 juni 2021, nrs. 19/00673 tot en met 19/006781., op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nrs. AWB 18/1927 tot en met AWB 18/1933) betreffende door belanghebbende op aangifte voldane bedragen aan belasting van personenauto’s en motorrijwielen.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door A.F.M.J. Verhoeven, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2. Beoordeling van de middelen
2.1
Het Hof heeft het verzoek van belanghebbende om toekenning van een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor beslechting van het geschil in hoger beroep afgewezen. Het Hof heeft geoordeeld dat de coronapandemie een uitzonderlijke en onvoorzienbare situatie is die de verlenging van de redelijke termijn van twee jaar voor berechting in hoger beroep met vier maanden rechtvaardigt. Daarbij is, aldus het Hof, rekening gehouden met de periode waarin de gerechtsgebouwen gesloten waren en met een termijn van twee maanden voor het opnieuw inplannen van verdaagde zittingen. Aangezien het hoger beroep op 20 mei 2019 is ingesteld en het Hof op 22 juni 2021 uitspraak doet, is de redelijke termijn niet overschreden en komt belanghebbende niet in aanmerking voor vergoeding van immateriële schade, aldus het Hof.
2.2.1
Middel VIII is gericht tegen het hiervoor in 2.1 weergegeven oordeel van het Hof.
2.2.2
Het hiervoor in 2.1 weergegeven oordeel van het Hof getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. De uitbraak van het coronavirus in 2020 mag niet in algemene zin worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid die een verlenging rechtvaardigt van de termijn van berechting die in de regel als redelijk is aan te merken. De uitbraak van het coronavirus vormt alleen een bijzondere omstandigheid als hiervoor bedoeld, indien partijen waren uitgenodigd voor een onderzoek ter zitting in de periode waarin de gerechtsgebouwen in verband met de uitbraak van dit virus waren gesloten (de periode 17 maart 2020 tot en met 10 mei 2020) en het onderzoek ter zitting daarom opnieuw moest worden gepland.2.Uit de stukken van het geding blijkt niet dat partijen zijn uitgenodigd voor een onderzoek ter zitting in de hiervoor bedoelde periode van sluiting van de gerechtsgebouwen. Het Hof heeft de redelijke termijn van berechting in hoger beroep dan ook ten onrechte verlengd. Middel VIII slaagt daarom.
2.3
De Hoge Raad heeft ook de middelen voor het overige beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat de middelen voor het overige niet kunnen leiden tot vernietiging van de uitspraak van het Hof. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van de middelen voor het overige is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
2.4
Gelet op hetgeen hiervoor in 2.2.2 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.Voor een verlenging van de voor de behandeling van het hoger beroep redelijk te achten termijn van twee jaar bestaat geen aanleiding. Belanghebbende heeft op 20 mei 2019 hoger beroep ingesteld en het Hof heeft op 22 juni 2021 uitspraak gedaan. Daarmee is de redelijke termijn voor berechting in hoger beroep overschreden, en wel met minder dan zes maanden. Aan belanghebbende moet daarom een vergoeding van immateriële schade worden toegekend ten bedrage van € 500 wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.
3. Proceskosten
De Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Bij de berekening van de vergoeding voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand gaat de Hoge Raad uit van de waarde per punt die is neergelegd in punt 2 van onderdeel B1 van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht.3.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof, maar alleen voor zover deze betreft de beslissing op het verzoek om vergoeding van immateriële schade,
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van de aan het hoger beroep toerekenbare immateriële schade, vastgesteld op € 500,
- draagt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 541, en
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 3.036 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 9 september 2022.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 09‑09‑2022
Vgl. HR 27 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:752, rechtsoverwegingen 3.4.1 en 3.4.2.
Vgl. HR 27 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:752, rechtsoverwegingen 5.2 tot en met 5.8.