Hof Arnhem-Leeuwarden, 09-11-2021, nr. 18/01246, nr. 18/01247
ECLI:NL:GHARL:2021:10458
- Instantie
Hof Arnhem-Leeuwarden
- Datum
09-11-2021
- Zaaknummer
18/01246
18/01247
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHARL:2021:10458, Uitspraak, Hof Arnhem-Leeuwarden, 09‑11‑2021; (Hoger beroep)
Cassatie: ECLI:NL:HR:2022:387
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2018:4866, Bekrachtiging/bevestiging
ECLI:NL:GHARL:2020:3096, Uitspraak, Hof Arnhem-Leeuwarden, 31‑03‑2020; (Verzet)
ECLI:NL:GHARL:2019:3111, Uitspraak, Hof Arnhem-Leeuwarden, 09‑04‑2019; (Verzet)
- Vindplaatsen
NLF 2021/2241
Viditax (FutD) 2021111911
FutD 2021-3556
FutD 2020-1310
Viditax (FutD) 2020042010
FutD 2020-1215
Viditax (FutD) 2020041028
Uitspraak 09‑11‑2021
Inhoudsindicatie
OB. Resultaatafhankelijke vergoeding is onderdeel van vergoeding die belanghebbende ontvangt als tegenprestatie voor juridische werkzaamheden. Omzetbelasting verschuldigd over gehele vergoeding.
Partij(en)
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummers 18/01246 en 18/01247
uitspraakdatum: 9 november 2021
Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 12 november 2018, nummers AWB 17/2062 en AWB 17/2063, ECLI:NL:RBGEL:2018:4866, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Enschede (hierna: de Inspecteur)
1. Ontstaan en loop van het geding
1.1.
Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 2011 tot en met 31 december 2011 een naheffingsaanslag omzetbelasting (hierna: naheffingsaanslag 2011) opgelegd van € 20.443. Bij beschikkingen is heffingsrente berekend en is een boete opgelegd.
1.2.
De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de naheffingsaanslag 2011 gehandhaafd en de beschikking heffingsrente en de boete verminderd tot nihil.
1.3.
Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 2012 tot en met 31 december 2014 een naheffingsaanslag omzetbelasting (hierna: naheffingsaanslag 2012-2014) opgelegd van € 45.254. Bij beschikkingen is belastingrente berekend en is een boete opgelegd.
1.4.
De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de naheffingsaanslag 2012-2014 en de beschikking belastingrente gehandhaafd en de boete verminderd tot nihil.
1.5.
Belanghebbende is tegen de uitspraken onder 1.2 en 1.4 in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.
1.6.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
1.7.
Het Hof heeft het hoger beroep van belanghebbende bij uitspraak van 9 april 2019 op de voet van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Het daartegen door belanghebbende gedane verzet is door het Hof bij uitspraak van 31 maart 2020 gegrond verklaard.
1.8.
Het onderzoek ter zitting heeft met toestemming van partijen via een telefoonverbinding plaatsgevonden op 19 oktober 2021. Daarbij zijn gehoord belanghebbende, bijgestaan door haar echtgenoot [naam1] , alsmede mr. [naam2] namens de Inspecteur, bijgestaan door mr. [naam3] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.
2. Vaststaande feiten
2.1.
Belanghebbende drijft een onderneming in de vorm van een eenmanszaak onder de naam [naam4] . Zij verstrekt juridisch advies en zij verricht met name diensten voor gedupeerden van aandelenlease-transacties.
2.2.
Voor de betaling van die diensten spreekt belanghebbende met de cliënten af dat zij vooraf aan belanghebbende een vast bedrag betalen voor een gesprek, de vaste kosten en kosten van de procedure (hierna: de vaste vergoeding) en dat zij achteraf aanvullend een bepaald percentage van het behaalde resultaat (de opbrengst) betalen, dus als sprake is van een positieve schikking of uitspraak (hierna: het bedrag bij winst).
2.3.
De cliënten kunnen kiezen tussen twee hoogtes voor de vaste vergoeding: een laag en een hoog vast bedrag. Indien voor het lage vaste bedrag wordt gekozen, dan zijn de percentages voor het bedrag bij winst hoger dan als voor het hoge vaste bedrag wordt gekozen. In het dossier zit de volgende voorbeeldtekst:
“Geachte…
Hierbij bevestig ik dat [naam4] uw belangen gaat behartigen in een procedure tegen.
U heeft aangegeven een voorkeur te genieten voor formule 2, deze formule houdt het volgende in:
Formule 2
Bij deze formule betaalt u een bedrag van € 900,-. Dit bedrag bestaat uit de kosten voor het gesprek, de vaste kosten en overige door ons gemaakte kosten.
Voor de procedure zelf betaald u dus maar € 775,-. Daarnaast betaald u een percentage over het bedrag dat wij meer voor u binnenhalen ten opzichte van hetgeen u kunt verkrijgen volgens de Duisenberg-regeling.
14% over de eerste € 10.000,-
10% over de volgende € 10.000,-, dus van € 10.000,- tot € 20.000,-
5% over het meerdere vanaf € 20.000,-
Mocht u onverhoopt uw zaak verliezen en de proceskosten van……dienen te betalen, dan zijn die kosten voor uw rekening, deze zijn uiteraard niet inbegrepen.
Zal er in uw zaak sprake zijn van een hoger beroepsprocedure, hetgeen niet waarschijnlijk is, dan vragen wij hiervoor een kleine kostenbijdrage, die nader bepaald wordt.
Wordt met……een schikking getroffen dan bent u onderstaande bedragen en percentages verschuldigd over de schikking. Voor een schikking is altijd uw toestemming nodig.
Betalingswijze
U kiest ervoor om op de volgende wijze te betalen
# Eenmalig overmaken van € 900, op bankrekening [nummer1] binnen 7 dagen na dagtekening onder vermelding van uw dossiernummer.
# Contante betaling van € 125,- na afloop van het gesprek en overmaken van 3 termijnen van € 278,50 (Totaal is dan € 960,50) op bankrekening [nummer1] onder vermelding van uw dossiernummer. De eerste vervaltermijn is de eerste van de maand volgende op de dagtekening.”
2.4.
In het dossier zit een stuk van [naam4] betreffende de aandelenlease procedures. Dit stuk vermeldt – voor zover hier van belang – het volgende:
“(…)
Aandelenlease procedures
[naam4] behartigt zeer voordelig de belangen van aandelenlease gedupeerden in en buiten rechte. Een beoordelingsgesprek om na te gaan of een gerechtelijke procedure haalbaar is kost slechts 125,00 euro. Is het advies om een procedure te voeren negatief, dan worden geen kosten berekend. Bij een positief advies kunt u uit twee ‘no cure, no pay’ offertes kiezen.
Meer informatie hierover vindt u terug bij tarieven.
Voor aandelenlease gedupeerden van [naam5] is een speciale regeling tot stand gekomen, namelijk de veel bekritiseerde Duisenberg-regeling. Het doel van deze regeling is eigenlijk alleen maar om de gedupeerden een korting te geven op de restschuld. [naam6] biedt de Duisenberg-regeling nu ook aan haar klanten aan.
De gedupeerden, die akkoord gaan met de Duisenberg-regeling, kunnen nooit hun inleg terug krijgen, terwijl op grond van een simpele procedure voor de rechtbank sector kanton het contract vernietigd kan worden. Wij raden dan ook af het Duisenberg-voorstel te accepteren, maar een procedure op te starten om uw inleg terug te krijgen en ervoor te zorgen dat uw restschuld kwijtgescholden wordt dan wel dat deze aan u wordt terugbetaald, indien u deze al hebt betaald.
Wilt u uw geld terug? Maak dan nu een afspraak met ons door het aanvraagformulier in te vullen.
Of stuur uw vraag per email naar: info@ [naam4] .nl
Angst om een procedure te starten?
Door de ‘no cure, no pay’ offertes die gehanteerd worden kunt u zelf de kosten in de hand houden. U bepaalt welke offerte u kiest.
In de procedure wordt op deskundige wijze uw situatie aan de rechter voorgelegd. Hierbij wordt gebruik gemaakt van alle beschikbare juridische argumenten. Hierop kunnen de advocaten van de bank reageren. Hierna hebben of de advocaten of de juristen van beide partijen de mogelijkheid om hun eindconclusie in het geschil voor te leggen aan de rechter. Uiteindelijk doet de rechter uitspraak.
Al het werk wordt door ons gedaan. U hoeft in de meeste gevallen niet zelf niet aanwezig te zijn bij een zitting.
(…)
Tarieven aandelenlease procedures
Formule 1
Bij deze formule, ‘no cure, no pay’, betaalt u een bedrag van € 495,-*. Dit bedrag bestaat uit de kosten voor het gesprek, de vaste kosten (bedrijfsvoering etc.) en overige door ons gemaakte kosten. Voorts betaalt u, na een schikking of uitspraak, een percentage over hetgeen wij voor u bewerkstelligen. Blijkt tijdens het gesprek dat wij u niet kunnen helpen, dan betaalt u niks!
29 % over de eerste euro 10.000,-
21 % over de volgende euro 10.000,- dus tot euro 20.000,-
12 % over de daarop volgende euro 20.000,- tot euro 30.000,-
9 % over het meerdere van euro 30.000,-
Formule 2
Bij deze gemengde formule betaalt u een bedrag van € 995,-*. Dit bedrag bestaat uit de kosten voor het gesprek, de vaste kosten (bedrijfsvoering etc.) en overige door ons gemaakte kosten. Voorts betaalt u, na een schikking of uitspraak, een percentage over hetgeen wij voor u bewerkstelligen. Blijkt tijdens het gesprek dat wij u niet kunnen helpen, dan betaalt u niks!
20 % over de eerste euro 10.000,-
15 % over de volgende euro 10.000,- dus tot euro 20.000,00
12 % over de daarop volgende euro 20.000,- tot euro 30.000,-
9 % over het meerdere van euro 30.000,-
(…)”
2.5.
De opbrengst van een procedure wordt naar een bankrekening van [naam7] overgemaakt. [naam4] betaalt vervolgens de opbrengst minus het bedrag bij winst, dat in de algemene voorwaarden wordt aangeduid als “no cure, no pay” bedrag, door aan de cliënt.
2.6.
Belanghebbende heeft alleen omzetbelasting voldaan over de vaste vergoeding die zij aan haar cliënten heeft gefactureerd. Over het bedrag bij winst, dat zij heeft ontvangen bij een gunstige afloop, heeft zij geen omzetbelasting voldaan. Zij heeft alle ontvangen bedragen, inclusief de “no cure no pay” bedragen, wel aangegeven in haar aangifte inkomstenbelasting.
2.7.
Op 23 november 2015 is bij belanghebbende een boekenonderzoek ingesteld waarbij onder andere de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2011 tot en met 31 december 2014 is onderzocht. De bevindingen van het boekenonderzoek zijn vastgelegd in een rapport met dagtekening 23 mei 2016. De conclusie van het rapport is dat ook omzetbelasting moet worden voldaan over het bedrag bij winst. Voor de inkomstenbelasting is in zoverre een teruggaaf verleend, omdat de alsnog te betalen omzetbelasting in mindering is gebracht op de inkomsten.
2.8.
Op 25 juni 2016 zijn de naheffingsaanslagen 2011 en 2012-2014 opgelegd.
3. Geschil
3.1.
In geschil is of omzetbelasting is verschuldigd over het bedrag bij winst.
3.2.
Belanghebbende stelt, onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ) van 10 november 2016, C-432/15, Baštová, ECLI:EU:C:2016:855, dat het gaat om winstdelingen en dat die winstdelingen geen vergoedingen zijn voor haar werkzaamheden. Volgens belanghebbende staan deze winstdelingen niet in een rechtstreeks verband met de door haar geleverde prestaties. Een gunstige uitspraak of schikking kan wel het gevolg zijn van de werkzaamheden van belanghebbende, maar dat wil niet zeggen dat de financiële vergoedingen tegenprestaties zijn voor de werkzaamheden. Voor haar werkzaamheden is al een tegenprestatie bedongen (het vaste bedrag) en voor dezelfde werkzaamheden wordt door haar niet nogmaals een vergoeding bedongen. Belanghebbende verwijst voor de uitleg van de met de cliënten gesloten overeenkomst en de betekenis daarvan naar de zogeheten Haviltex-maatstaf, die is neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158.
3.3.
De Inspecteur stelt dat ook het bedrag bij winst een vergoeding is voor een prestatie en dat een rechtstreeks verband bestaat met de dienstverlening door belanghebbende. De totale vergoeding wordt in twee keer voldaan. Al wat belanghebbende bedingt en ontvangt, behoort tot de vergoeding voor de door haar geleverde prestatie. Volgens de Inspecteur maakt het geen verschil dat een gedeelte van de vergoeding afhankelijk is van het resultaat en dat vooraf onzeker is of dat deel van de vergoeding wordt ontvangen.
4. Beoordeling van het geschil
4.1.
Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968 wordt de belasting berekend over de vergoeding. Ingevolge het tweede lid van dit artikel is de vergoeding het totale bedrag dat - of voor zover de tegenprestatie niet in een geldsom bestaat, de totale waarde van de tegenprestatie welke - ter zake van de levering of de dienst in rekening wordt gebracht, de omzetbelasting niet daaronder begrepen. Ingeval ter zake van de levering of de dienst meer wordt voldaan dan hetgeen in rekening is gebracht, komt in plaats daarvan in aanmerking hetgeen is voldaan.
4.2.
Voor de kwalificatie van een dienst als een “handeling onder bezwarende titel” is alleen vereist dat een rechtstreeks verband bestaat tussen deze dienst en een door de belastingplichtige daadwerkelijk ontvangen tegenprestatie. Een dergelijk rechtstreeks verband bestaat wanneer tussen de verrichter en de ontvanger van de dienst een rechtsbetrekking bestaat in het kader waarvan over en weer prestaties worden uitgewisseld, en de door de dienstverrichter ontvangen vergoeding de werkelijke tegenwaarde vormt voor de ten behoeve van de ontvanger verrichte dienst (zie HvJ 10 november 2016, C432/15 (Baštová), ECLI:EU:C:2016:855, punt 28, HvJ 3 maart 1994, C16/93 (Tolsma), ECLI:EU:C:1994:80, punten 13 en 14, en HvJ 29 oktober 2015, C-174/14 (Saudaçor), ECLI:EU:C:2015:733, punt 32).
4.3.
De omstandigheid dat het bestaan van een vergoeding onzeker is, volstaat om de rechtstreekse band tussen de ten behoeve van de ontvanger verrichte dienst en de vergoeding die eventueel wordt ontvangen, te verbreken (zie HvJ 10 november 2016, C432/15, Baštová, ECLI:EU:C:2016:855, punt 29, HvJ 3 maart 1994, C16/93, Tolsma, ECLI:EU:C:1994:80, punt 19, en HvJ 27 september 2001, C-16/00, Cibo Participations, ECLI:EU:C:2001:495, punt 43).
4.4.
In de zaak Tolsma (HvJ 3 maart 1994, C16/93, Tolsma, ECLI:EU:C:1994:80, punt 17) was sprake van een onzekere vergoeding omdat tussen Tolsma en voorbijgangers geen sprake was van een overeenkomst op grond waarvan zij gehouden waren een vergoeding te geven voor de muziek die Tolsma ten gehore bracht. Deze voorbijgangers gaven vrijwillig geld. In de zaak Cibo Participations was het bedrag van het dividend onvoorzienbaar en het recht op dividend enkel het gevolg van het houden van de deelnemingen en niet afhankelijk van een dienst die wordt verricht door een aandeelhouder. In Baštová (HvJ 10 november 2016, C432/15, Baštová, ECLI:EU:C:2016:855, punt 38) bestaat de onzekerheid omdat (punt 37) het prijzengeld slechts in de wacht kan worden gesleept indien een bijzondere prestatie wordt neergezet en wanneer in zekere zin alle omstandigheden meevallen.
4.5.
Het Hof is van oordeel dat sprake is van een dienst onder bezwarende titel. Belanghebbende komt, anders dan in de zaak Tolsma, met cliënten overeen dat zij juridische procedures voor de cliënten voert waarvoor de cliënt naast een vaste vergoeding ook een bedrag verschuldigd is bij een succesvolle afloop van de procedure. De hoogte van het bedrag dat een cliënt aan belanghebbende dient te vergoeden, is een percentage van het behaalde resultaat. Gelet op een en ander bestaat naar het oordeel van het Hof een rechtstreeks verband tussen de vergoeding die belanghebbende ontvangt en de door haar verrichte dienst. Dat het al dan niet ontvangen van dit bedrag en de hoogte van het bedrag afhankelijk is van het resultaat van de procedure en het aldus vooraf onzeker is of dit bedrag zal worden ontvangen, maakt niet dat er geen rechtstreeks verband bestaat. Het hier aan de orde zijnde geval onderscheidt zich daarmee van het geval van het Baštová-arrest. In dat arrest werd geoordeeld dat er voor de aan de orde zijnde dienst (de terbeschikkingstelling van het paard) als zodanig geen directe vergoeding werd ontvangen; tussen het wel ontvangen bedrag (prijzengeld) en die dienst (de terbeschikkingstelling van het paard) werd geen rechtstreeks verband aanwezig geoordeeld. In het onderhavige geval is wel sprake van een vergoeding die rechtstreeks verband houdt met de dienst als zodanig (werkzaamheden in verband met het voeren van een juridische procedure). Anders dan in het Baštová-arrest is in onderhavige geval geen sprake van een bedrag dat alleen in de wacht wordt gesleept indien een bijzondere prestatie wordt neergezet waarbij alle omstandigheden mee moeten zitten. Het bedrag bij winst behoort derhalve tot de vergoeding die belanghebbende ontvangt als tegenprestatie voor haar juridische werkzaamheden.
4.6.
Gelet op het vorenstaande heeft de Inspecteur de naheffingsaanslagen terecht opgelegd. Hetgeen belanghebbende overigens nog heeft aangevoerd, doet aan deze conclusie niet af. Het Hof merkt daarbij nog op dat artikel 7:12 van de Awb op de bezwaarfase ziet, zodat dit artikel niet relevant is voor een gesteld motiveringsgebrek van de Rechtbank. Artikel 121 van de Grondwet is uitgewerkt in artikel 8:77 van de Awb en aan de voorwaarden van artikel 8:77 van de Awb is voldaan.
Heffingsrente/Belastingrente
4.7.
Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de heffingsrente/belastingrente. Belanghebbende heeft hiertegen geen zelfstandige materiële grieven aangevoerd. Het hoger beroep is ook in zoverre ongegrond.
Slotsom Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.
5. Griffierecht en proceskosten
Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.
6. Beslissing
Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E. Keulemans, voorzitter, mr. B.F.A. van Huijgevoort en mr. P. van der Wal, in tegenwoordigheid van mr. C.E. te Brake als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 november 2021
De griffier is verhinderd de uitspraak De voorzitter,
te ondertekenen.
(A.E. Keulemans)
Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 9 november 2021
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Uitspraak 31‑03‑2020
Inhoudsindicatie
Uitspraak op verzet. Niet tijdige betaling griffierecht. Niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende in verzuim is geweest bij de niet tijdige betaling van het griffierecht. Verzet gegrond.
Partij(en)
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummers 18/01246 en 18/01247
uitspraakdatum: 31 maart 2020
Uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer
op het verzet van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen de met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) gedane uitspraak van de zevende enkelvoudige belastingkamer van dit Hof van 9 april 2019 op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 12 november 2018, met nummers AWB 17/2062 en AWB 17/2063 in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Enschede.
1. Procesverloop en behandeling verzet
1.1.
Bij de in verzet bestreden uitspraak van de zevende enkelvoudige belastingkamer van dit Hof is het hoger beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet-betalen van griffierecht. Belanghebbende heeft daartegen verzet aangetekend.
1.2.
In overleg met belanghebbende heeft de zitting geen doorgang gevonden.
1.3.
Tot de stukken waarop het Hof bij de beoordeling van het verzet acht slaat behoren onder meer het hogerberoepschrift, het verzetschrift en de aanvullingen op het verzetschrift.
2. Vaststaande feiten en de gronden van het verzet
2.1.
Belanghebbende heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 12 november 2018.
2.2.
Bij brief van 4 januari 2019 heeft het Hof aan belanghebbende meegedeeld dat het hogerberoepschrift ambtshalve is gesplitst en dat er meerdere zaken zijn aangemaakt. Daarbij is tevens meegedeeld dat zal worden volstaan met het éénmaal heffen van griffierecht voor beide zaken en dat het griffierecht zal worden geheven in de zaak met nummer 18/01246.
2.3.
Bij brief van 21 februari 2019 heeft de griffier belanghebbende eraan herinnerd dat deze ter zake van het instellen van het hoger beroep een griffierecht is verschuldigd van € 253. In de brief is vermeld dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken dient te zijn overgemaakt op de in de brief vermelde bankrekening. De griffier heeft belanghebbende er verder op gewezen dat bij niet tijdige betaling het hoger beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard.
2.4.
De vorenbedoelde brief is door het Dienstencentrum Rechtspraak aangetekend verzonden naar het laatstelijk bij Hof bekende adres van belanghebbende ( [a-straat 1] , [Z] ). Uit de van PostNL/Track en Trace afkomstige informatie kan worden afgeleid dat de zending op maandag 25 februari 2019 om 11:55 uur op voornoemd adres is afgeleverd. Tot het dossier behoort echter geen stuk waaruit blijkt dat voor ontvangst van de zending is getekend.
2.5.
Het verschuldigde griffierecht is niet binnen vier weken na 21 februari 2019 betaald.
2.6.
Bij de in verzet bestreden uitspraak van de zevende enkelvoudige belastingkamer van dit Hof is belanghebbendes hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard.
2.7.
Op 21 mei 2019 is het verschuldigde griffierecht betaald.
2.8.
In het verzetschrift heeft belanghebbende onder meer aangevoerd dat zij de aangetekende brief van 21 februari 2019 niet heeft ontvangen.
3. Beoordeling van het verzet
3.1.
Het niet of niet tijdig betalen van het verschuldigde griffierecht leidt tot niet-ontvankelijkverklaring van het (hoger) beroep, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het (hoger) beroep in verzuim is geweest (artikel 8:41, zesde lid, van de Awb).
3.2.
Zoals het Hof onder de feiten heeft vastgesteld, is belanghebbende bij aangetekende brief uitgenodigd tot betaling van het voor het hoger beroep verschuldigde griffierecht. Uit de van PostNL/Track en Trace afkomstige informatie kan worden afgeleid dat de brief op 25 februari 2019 op het adres van belanghebbende is afgeleverd.
3.3.
Belanghebbende stelt echter dat zij de brief van 21 februari 2019 niet heeft ontvangen. Nu het Hof niet beschikt over informatie waaruit blijkt dat voor ontvangst van de brief is getekend, kan niet worden uitgesloten dat de brief niet op het adres van belanghebbende is bezorgd. Onder die omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat belanghebbende in verzuim is geweest bij de niet tijdige betaling van het griffierecht, zodat het hoger beroep ten onrechte kennelijk niet-ontvankelijk is verklaard.
Slotsom Het verzet is gegrond.
4. Griffierecht en proceskosten
Niet gesteld of gebleken is dat belanghebbende voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten heeft gemaakt.
5. Beslissing
Het Hof:
– verklaart het verzet gegrond,
– verstaat dat de uitspraak van de zevende enkelvoudige belastingkamer vervalt en dat de zaak zal worden voortgezet in de stand waarin het zich bevond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.G.J.M. van Kempen, voorzitter, mr. I. Linssen en mr. P.L.M. van Gorkom, in tegenwoordigheid van drs. S. Darwinkel als griffier.
De beslissing is op 31 maart 2020 in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De voorzitter is verhinderd de
uitspraak te ondertekenen,
(S. Darwinkel)
Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 31 maart 2020.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),
Postbus 20303,
2500 EH DEN HAAG.
Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Uitspraak 09‑04‑2019
Inhoudsindicatie
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens niet betalen griffierecht.
Partij(en)
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
Locatie Arnhem
nummers 18/01246 en 18/01247
uitspraakdatum: 9 april 2019
Uitspraak van de zevende enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 12 november 2018, nummers
AWB 17/2062 en 17/2063, in het geding tussen belanghebbende
en
de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Enschede
1. Ontstaan en loop van het geding
1.1
Het hogerberoepschrift is op 21 december 2018 ontvangen ter griffie van het Hof.
1.2
Bij schrijven van 4 januari 2019 heeft het Hof aan belanghebbende meegedeeld dat het hogerberoepschrift ambtshalve is gesplitst en dat er meerdere zaken zijn aangemaakt. Daarbij is tevens meegedeeld dat zal worden volstaan met het éénmaal heffen van griffierecht voor beide zaken.
1.3
Bij aangetekend schrijven van 21 februari 2019, gericht aan het bij het Hof bekende adres van belanghebbende, heeft de griffier belanghebbende herinnerd aan de verschuldigdheid van het griffierecht. In het schrijven is meegedeeld dat als het verschuldigde bedrag niet binnen vier weken is overgemaakt op de in de brief vermelde bankrekening, belanghebbende het risico loopt dat het hoger beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard.
1.4
De brief van 21 februari 2019 is niet door het Hof retour ontvangen. Uit onderzoek is gebleken dat de brief op 25 februari 2019 is afgeleverd door PostNL.
1.5
Het griffierecht is niet betaald.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het hoger beroep
2.1
Het verschuldigde griffierecht is niet binnen de gestelde termijn bijgeschreven op de rekening die is vermeld in de hiervóór genoemde brief van de griffier. Aldus is het voor het instellen van het hoger beroep verschuldigde griffierecht niet tijdig betaald.
2.2
Er zijn geen omstandigheden aannemelijk geworden op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
2.3
Nu het hoger beroep volgens artikel 8:108, eerste lid juncto 8:41, zesde lid van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) niet-ontvankelijk moet worden verklaard, sluit het Hof het onderzoek en doet het uitspraak op de voet van artikel 8:54 van de Awb. Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk.
3. Kosten
Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.
4. Beslissing
Het Hof verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. van Dongen, lid van de zevende enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van M.H.J. Pince van der Aa als griffier.
De beslissing is op 9 april 2019 in het openbaar uitgesproken.
(M.H.J. Pince van der Aa) | (A. van Dongen) |
Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 9 april 2019.
Ieder van de partijen kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak hiertegen een verzetschrift indienen bij dit Gerechtshof. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen op het verzet te worden gehoord.
Een kopie van deze uitspraak moet bij het verzetschrift worden overgelegd. Het verzetschrift moet zijn ondertekend en ten minste bevatten:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. de vermelding van de uitspraak waartegen het verzet is gericht;
d. de gronden van het verzet, waarbij de bezwaren tegen de uitspraak duidelijk zijn omschreven.
Deze uitspraak vervalt indien het Gerechtshof het verzet gegrond verklaart. De behandeling van het hoger beroep wordt dan voortgezet in de stand waarin het zich bevond toen deze uitspraak werd gedaan