De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure
Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/7.3.1:7.3.1 Inleiding
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/7.3.1
7.3.1 Inleiding
Documentgegevens:
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS363627:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Aldus art. 6 lid 1 VWEU. Op grond van art. 6 lid 1 VWEU heeft het Handvest tevens de kracht van een verdrag, zodat het EU-recht niet reeds voorgaat vanwege een ondergeschikte status in de hierarchie van regels.
Art. 52 lid 5 HGEU.
Dit geldt dus niet voor in het Handvest vastgelegde beginselen. Zie Hartkamp 2014, par. 2.1.
Dit alles volgt uit art. 52 lid 1 HGEU.
Mak 2014, p. 323 en 333.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het onverkort toepassen van EU-recht dreigt in voorkomende gevallen te botsen met fundamentele beginselen, zoals mensenrechten. De EU-wetgever wenst echter bij de toepassing van EU-recht rekening te houden met mensenrechten. Het belangrijkste instrument daarbij is het Handvest. Het Handvest past derhalve een mensenrechtelijke correctie toe op het EU-recht (zie daarover ook par. 7.3.3).
De in het Handvest vastgelegde rechten, vrijheden en beginselen worden erkend in de EU.1 Dat betekent onder meer dat bij de uitleg van het EU-recht daarmee rekening kan worden gehouden.2 Daarnaast geldt dat (i) beperkingen op de desbetreffende rechten en vrijheden3 bij wet moeten zijn gesteld en (ii) de wezenlijke inhoud van deze rechten en vrijheden moet worden geëerbiedigd. Dat tweede betekent dan weer dat deze rechten en vrijheden alleen kunnen worden beperkt als (a) dat noodzakelijk is (b) in verband met een door de Unie erkende doelstelling van algemeen belang en/of in verband met de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen en (c) deze doelstelling en/of bescherming ook daadwerkelijk wordt bereikt door deze beperking. In dat kader (d) komt ook betekenis toe aan het evenredigheidsbeginsel.4 Sommige in het Handvest vastgelegde rechten kennen daarnaast nog een eigen beschermingsregime.
Welke invloed het Handvest heeft op het rechtspersonenrecht was onduidelijk op het moment van het afronden van dit onderzoek. Het Handvest heeft in 2009 bindende kracht gekregen, zodat er nog niet veel rechtspraak beschikbaar was.5 Tevens bevat het Handvest weinig hard and fast rules, maar laat het veel ruimte voor interpretatie (zie bijvoorbeeld par. 7.3.2). Niettemin is duidelijk dat verscheidene van de in het Handvest vastgelegde rechten, vrijheden en beginselen van invloed (kunnen) zijn op het rechtspersonenrecht. Een deel van deze rechten en vrijheden correspondeert met rechten en vrijheden uit het EVRM, zoals het recht van eigendom (art. 17 HGEU) en de vrijheid van vereniging (art. 12 HGEU). De inhoud van deze rechten en vrijheden is op grond van art. 53 lid 3 HGEU minstens gelijk aan die van hun evenknie uit het EVRM en kan dus ruimer zijn. Daarnaast zijn in het Handvest rechten en vrijheden vastgelegd die niet in het EVRM voorkomen, zoals de vrijheid van ondernemerschap (art. 16 HGEU).