Einde inhoudsopgave
Cessie (O&R nr. 70) 2012/VI.2.2.4.1
VI.2.2.4.1 Uitleg
mr. M.H.E. Rongen, datum 01-10-2011
- Datum
01-10-2011
- Auteur
mr. M.H.E. Rongen
- JCDI
JCDI:ADS355243:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Voetnoten
Voetnoten
Zie HR 13 maart 1981, NJ 1981, 635, m.nt. CJHB (Haviltex).
Overdracht of verpanding zou evenmin leiden tot wanprestatie.
Het onoverdraagbaarheidsbeding wordt dan na uitleg aangemerkt als een betalingsen verrekeningsbeding.
Zie over normatieve uitleg van rechtshandelingen: Van Dunné 2004, p. 133 e.v.; Brunner & De Jong 2004, nr. 27 en Van Dunné 1971.
Vgl. het arrest Oryx/Van Eesteren (NJ 2004, 281) waarin de Hoge Raad het goederenrechtelijke effect van het beding van niet-overdraagbaarheid bij vorderingen nu juist heeft bevestigd. Bij lezing van het arrest moet echter worden bedacht dat de vraag naar de uitleg van het beding in de feitelijke instanties niet aan de orde is gekomen.
Zie HR 5 september 1997, NJ 1998, 437, m.nt. PvS.
Met betrekking tot voor het faillissement door de cedent/pandgever ontvangen betalingen kan de vordering van de cessionaris/pandhouder eventueel worden versterkt door middel van een verpanding van de saldi van de bankrekening waarop de betalingen worden geboekt. Indien de pandhouder de bank is waarbij de rekening wordt aangehouden, kan de bank bovendien verrekenen.
Zie o.a.: HR 7 juni 2002, NJ 2002, 608, m.nt. JBMV (Komdeur q.q./Nationale Nederlanden) en HR 27 september 2002, NJ 2002, 620, m.nt. PvS (Vereniging tegen Piramidespelen/Ontvanger).
578. Naar een normatieve uitleg van onoverdraagbaarheidsbedingen. De bewoordingen van het beding van niet-overdraagbaarheid hoeven niet beslissend te zijn voor de uitleg daarvan. Het komt aan op de betekenis die partijen over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen.1 De motieven van partijen om het beding op te nemen in hun overeenkomst kunnen een belangrijke rol spelen bij de uitleg van het beding. Uit deze motieven kan namelijk blijken dat het beding van niet-overdraagbaarheid een meer beperkte strekking toekomt dan het naar zijn bewoordingen heeft.
In veel gevallen zal het beding slechts tot doel hebben zeker te stellen dat de schuldenaar zijn schuld te allen tijde kan voldoen aan de oorspronkelijke schuldeiser of dat de schuldenaar zijn schuld te allen tijde kan verrekenen met een tegenvordering op de oorspronkelijke schuldeiser, dan wel dat hij bepaalde verweermiddelen kan blijven inroepen. In de rechtspraak kan met deze motieven rekening worden gehouden bij de vaststelling van de betekenis en reikwijdte van een onoverdraagbaarheidsbeding. In deze benadering hoeft een onoverdraagbaarheidsbeding niet noodzakelijkerwijs aan overdracht of verpanding in de weg te staan.2 Het voert te ver om op deze plaats een diepgaande analyse te verrichten van de motieven van de in bepaalde sectoren gebezigde onoverdraagbaarheids- en/of onverpandbaarheidsbedingen, maar ik acht het goed mogelijk dat in de rechtspraak in veel gevallen tot een beperkte betekenis van een onoverdraagbaarheidsbeding kan worden geconcludeerd. De Hoge Raad zou daarbij aan een uitspraak in een individueel geval een meer algemene betekenis kunnen toekennen door te overwegen dat onoverdraagbaarheidsbedingen, zoals die worden gebruikt in een bepaalde sector van het handelsverkeer, worden geacht een beperkte betekenis te hebben. Deze betekenis zou dan kunnen zijn dat de vordering overdraagbaar is, maar dat tot de inhoud van de vordering behoort dat de schuldenaar bevrijdend kan betalen aan zijn oorspronkelijke schuldeiser3 en/of te allen tijde een tegenvordering op deze in verrekening kan brengen met zijn schuld.4 Op grond van het “nemo plus” beginsel zijn ook rechtsopvolgers van de schuldeiser gebonden aan deze inhoud van de vordering. Aan het beding wordt aldus een uitleg gegeven die beantwoordt aan de motieven voor het overeenkomen daarvan.
Ik ben mij ervan bewust dat de hier geschetste benadering een (zeer) welwillende houding van de rechtspraak vereist ten aanzien van de uitlegregels en daarnaast de bereidheid om in bepaalde gevallen (de facto) contra legem te oordelen. De hier bepleite uitleg zal in veel gevallen op gespannen voet staan met de bewoordingen van het beding van nietoverdraagbaarheid en bovendien zullen de exacte motieven voor het overeenkomen van het beding vaak niet te achterhalen zijn. En zelfs al zijn ze wel te achterhalen, dan betekent dat nog niet dat schuldenaar en schuldeiser niet de bedoeling hebben gehad de vordering met goederenrechtelijke werking onoverdraagbaar te maken. Immers, ook door de vordering onoverdraagbaar te maken – een mogelijkheid die de wet hen biedt –, kunnen zij hun doel bereiken. Het betreft dan ook veeleer een normatieve uitleg van onoverdraagbaarheidsbedingen, waarbij bovendien in enige mate geabstraheerd wordt van de omstandigheden van het individuele geval.5 In deze benadering wordt er een uitleg gegeven aan het beding van niet-overdraagbaarheid die men als maatschappelijk wenselijk en redelijk beschouwt. Een normatieve uitleg als hier bedoeld, zou erop neerkomen dat art. 3:83 lid 2 BW voor wat betreft het goederenrechtelijke effect van onoverdraagbaarheidsbedingen voor bepaalde gevallen de facto tot een dode letter wordt gemaakt.6
579. Overeenkomstige toepassing van de Ontvanger/Hamm-regel. Het feit dat de vordering niettegenstaande het onoverdraagbaarheids- of onverpandbaarheidsbeding rechtsgeldig kan worden overgedragen of verpand, biedt de cessionaris of pandhouder nog niet de gewenste zekerheid. Ook als het beding wordt geherkwalificeerd tot een betalings- en verrekeningsbeding kan de schuldenaar immers bevrijdend betalen aan de cedent/pandgever. De cessionaris/pandhouder zal echter de opbrengst van de vordering in handen willen krijgen. De rechtspositie van de cessionaris (en de pandhouder) zou verder kunnen worden versterkt, indien de rechtspraak tevens bereid zou zijn om overeenkomstig het arrest Ontvanger/Hamm q.q.7 ‘superpreferentie’ toe te kennen aan de vordering van de cessionaris tot afdracht van tijdens het faillissement van de cedent door de curator van schuldenaren ontvangen betalingen.8 De Hoge Raad lijkt vooralsnog echter niet genegen de Ontvanger/Hamm-regel uit te breiden tot andere gevallen dan die waarin ontvangen betalingen hun grondslag vinden in een ‘onmiskenbare vergissing’ of een daarmee voor toepassing van de Faillissementswet op een lijn te stellen oorzaak.9 Mijns inziens is er niettemin voldoende reden om de Ontvanger/Hamm-regel ook in casu van toepassing te achten. Er is geen goede grond om schuldeisers van de cedent/pandgever te laten profiteren van een beding dat niet bedoeld is te strekken ter bescherming van hun belangen. De curator handelt naar mijn mening onbetamelijk, indien hij de na de mededeling van cessie ontvangen betalingen aan de boedel zou toevoegen, terwijl deze betalingen betrekking hebben op vorderingen die niet tot de boedel behoren. De overige schuldeisers van de failliet zouden daardoor ongerechtvaardigd worden verrijkt. Het feit dat schuldenaren van krachtens beding niet overdraagbare vorderingen na mededeling van cessie (bevrijdend) aan de curator betalen, kan de cessionaris immers niet worden verweten. Dit heeft hij niet in de hand.