Einde inhoudsopgave
Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen (FM nr. 89) 1999/9.2.0
9.2.0 Introductie
E.J.W. Heithuis, datum 01-12-1999
- Datum
01-12-1999
- Auteur
E.J.W. Heithuis
- JCDI
JCDI:ADS452952:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting (V)
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Voetnoten
Voetnoten
Nader rapport Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. B, blz. 22-23 alsmede de memorie van toelichting Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 3, blz. 21-22. Uiteraard is hierbij art. 20a, zesde lid, onderdeel h, Wet IB (het niet langer aanwezig zijn van een aanmerkelijk belang, zie hoofdstuk 7 onderdeel 7.3.8) uitgezonderd van het vervreemdingsbegrip. Zie de memorie van toelichting Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 3, blz. 69. In (art. 20g Wet IB jo) art. 3f, vierde lid, Uitv.reg. IB lijkt verzuimd om in de laatste volzin de vervreemding als bedoeld in art. 20a, zesde lid, onderdeel h. Wet IB, uit te sluiten van het vervreemdingsbegrip.
Voor de volledigheid merk ik op dat de regeling van het fictieve aanmerkelijk belang tevens doorwerkt naar andere bepalingen in de fiscale wetgeving waar naar de aanwezigheid van een aan merkelijk belang in de zin van de Wet IB wordt verwezen. Zie het Besluit van de staatssecretaris van Financiën van 29 september 1997. nr. DB97/2742M, V-N 1997, blz. 4101 e.v. (vraag H.7). Ik wijs onder meer op: - art. 12a Wet LB (gebruikelijk salaris); - art. 24, vierde lid. Wet IB (gebruikelijke rente en huur); - art. 8, tweede lid, Wet Vpb. (gemengde kostenaftrekbeperking); - art. 4, vierde en vijfde lid, onderdeel c. Wet VB (latente inkomstenbelastingschuldaftrek); - art. 7, derde lid, onderdeel c. Wet VB (ondernemingsvrijstelling); - art. 13a SW (fictieve erfrechtelijke verkrijging in geval van pensioen- en lijfrentelichamen); - art. 20, vijfde lid, onderdeel c, SW (latente inkomstenbelastingschuldaftrek). Deze doorwerking geldt niet voor de regeling van art. 11 Wet Vpb. (beperkte aftrekbaarheid van commissarisbeloningen) en art. 4 Wet BRV (definitie van onroerendezaakvennootschappen). Of deze doorwerking ook geldt voor de belastingverdragen, hangt af van het desbetreffende van toepassing zijnde belastingverdrag. Zie uitgebreider mijn: 49 vragen over het aanmerkelijk belang, Fiscaal Actueel, blz. 148-151, Kluwer, Deventer, 1998.
Het fictieve aanmerkelijk belang, zoals dat onder de oude aanmerkelijkbelangregeling ontstond, kende een tweetal eigenaardigheden:
de omvang van de fictieve aanmerkelijkbelangclaim was gemaximeerd tot de op het moment van gefacilieerde aandelenfusie aanwezige aanmerkelijkbelangwinst;
de fictieve aanmerkelijkbelangclaim eindigde uitsluitend bij het overlijden van de fictief aanmerkelijkbelanghouder en dus niet na ommekomst van een periode van vijf jaren, zoals het geval was bij een aflopend aanmerkelijk belang.
Onder de nieuwe aanmerkelijkbelangregeling is de regeling van het fictieve aanmerkelijk belang ingrijpend gewijzigd. Enerzijds kan in meer situaties een fictief aanmerkelijk belang ontstaan, anderzijds eindigt de fictieve aanmerkelijkbelangclaim niet langer bij het overlijden van de fictieve aanmerkelijkbelanghouder. In het nieuwe aanmerkelijkbelangregime kan in de volgende zes situaties een zgn. fictief aanmerkelijk belang ontstaan:
de (koopopties op) aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen behoren na de overgang krachtens erfrecht of huwelijksvermogensrecht resp. de verdeling van een nalatenschap of een huwelijksgemeenschap binnen twee jaren na het overlijden van de erflater onderscheidenlijk na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap bij de erfgena(a)m(en) resp. de ex-huwelijkspartner niet langer tot een aanmerkelijk belang (art. 20d, derde lid, Wet IB);
de (koopopties op) aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen behoren op enig moment niet langer tot een aanmerkelijk belang (art. 20e, tweede lid, Wet IB);
de in het kader van een gefacilieerde aandelenfusie nieuw uitgereikte aandelen of winstbewijzen behoren niet tot een aanmerkelijk belang (art. 20f, tweede lid, Wet IB);
de (koopopties op) aandelen of winstbewijzen behoren na toepassing van de bedrijfsopvolgingsfaciliteit niet tot een aanmerkelijk belang (art. 20g Wet IB j° art. 3f, vierde lid, Uitv.reg. IB);
de (koopopties op) aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen behoren na de juridische splitsing niet tot een aanmerkelijk belang in de zin van art. 20a Wet IB (art. 68a, zesde lid, Wet IB);
de (koopopties op) aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen behoren na de juridische fusie niet tot een aanmerkelijk belang in de zin van art. 20a Wet IB (art. 68aa, zesde lid, Wet IB).
In al deze situaties zou belastingheffing tot liquiditeitsproblemen bij de belastingplichtige kunnen leiden, aangezien het niet meer voldoen aan de aanmerkelijkbelangcriteria in genoemde situaties veelal niet gepaard gaat met de ontvangst van liquiditeiten. Teneinde de belastingheffing aan te laten sluiten bij het moment waarop de voor het betalen van de belasting benodigde liquiditeiten worden ontvangen, wordt de daadwerkelijke afrekening van de aanmerkelijkbelangclaim uitgesteld tot het moment waarop de aandelen worden vervreemd.1 In bovengenoemde situaties worden de (verkregen) (koopopties op) aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen voorzover het de vervreemdingsvoordelen betreft, geacht tot een aanmerkelijk belang te behoren, zo geen 'echt' of afgeleid aanmerkelijk belang in de zin van art. 20a, derde of vijfde lid, Wet IB aanwezig is.2