AB 2025/29
Taakverdeling tussen de strafrechter en de bestuursrechter. Materiële of formele rechtskracht. De strafrechter mag in beginsel niet de rechtmatigheid van een besluit toetsen.
HR 12-11-2024, ECLI:NL:HR:2024:1621, m.nt. R. Stijnen
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
12 november 2024
- Magistraten
Mrs. M.J. Borgers, A.L.J. van Strien, A.E.M. Röttgering, M. Kuijer, R. Kuiper
- Zaaknummer
22/03203
- Noot
R. Stijnen
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:ADS995014:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Verkeersrecht / Rijbevoegdheid
Bestuursprocesrecht / Algemeen
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2024:1621, Uitspraak, Hoge Raad, 12‑11‑2024
ECLI:NL:PHR:2024:614, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 11‑06‑2024
Beroepschrift, Hoge Raad, 08‑11‑2023
- Wetingang
Essentie
Taakverdeling tussen de strafrechter en de bestuursrechter. Materiële of formele rechtskracht. De strafrechter mag in beginsel niet de rechtmatigheid van een besluit toetsen.
Samenvatting
Als uitgangspunt heeft te gelden dat aan een besluit van een bestuursorgaan waartegen een met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang open staat, of heeft opengestaan maar niet of niet met succes is gebruikt, in het strafrecht formele rechtskracht toekomt. Dit uitgangspunt geldt met het oog op de rechtszekerheid, het voorkomen van tegenstrijdige uitspraken en in verband met een behoorlijke taakverdeling tussen de strafrechter en de bestuursrechter (vgl. HR 12 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:617). ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.