Raad zonder raadgevers?
Einde inhoudsopgave
Raad zonder raadgevers? (SteR nr. 42) 2018/7.3.3:7.3.3 ‘Wenselijk’
Raad zonder raadgevers? (SteR nr. 42) 2018/7.3.3
7.3.3 ‘Wenselijk’
Documentgegevens:
drs. J.W.M.M.J. Hessels, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
drs. J.W.M.M.J. Hessels
- JCDI
JCDI:ADS574444:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Cf. art. 103 lid 2 GemW.
Cf. art. 107a lid 2 GemW.
Uiteraard is dit laatste afhankelijk van de professionaliteit van de organisatie en de bestuurders, want na afloop van de opdracht tot het verlenen van ambtelijke bijstand zal deze ambtenaar toch weer terugkomen in zijn oude functie.
Zie de paragraaf ‘Ambtelijke bijstand’ in het hoofdstuk ‘Praktische toepassing in Nederlandse gemeenten’.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de categorie ‘Wenselijk’ staan aanbevelingen over aanpassingen in de huidige regelgeving, die de toepassing van deze regels inzichtelijker en transparanter zouden kunnen maken en die bovendien de integriteit van bestuurders, volksvertegenwoordigers en ambtenaren ten goede zouden kunnen komen.
‘Wenselijk’ 1: Uitzonderen fractieondersteuning van bepalingen in titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht
Onder ‘Belangrijk’ 1 in de vorige paragraaf wordt het scenario geschetst om het recht op fractieondersteuning te heroverwegen. Dit kan uitmonden in het schrappen van dit recht – en het aan de individuele gemeenten overlaten of en hoe ze de fractie in hun gemeenteraad financieel en/of inhoudelijk ondersteunen – of in het handhaven ervan, waarbij dan wel door middel van landelijke regelgeving een uniforme toepassing zal moeten worden afgedwongen.
In beide gevallen zal ook bezien moeten worden welke relatie er gelegd moet worden tussen titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht (de ‘subsidietitel’) en de voorwaarden, die gesteld worden aan toekenning, uitbetaling en verantwoording van de financiële fractieondersteuning.
Gezien de grote implicaties, die alle voorwaarden uit de subsidietitel van de Algemene wet bestuursrecht zouden hebben voor ontvanger en verstrekker van deze financiële fractieondersteuning enerzijds en de relatief kleine bedragen, die gemiddeld worden uitbetaald anderzijds, kan overwogen worden om in een extra bepaling in artikel 33 van de Gemeentewet vast te leggen dat op het verstrekken van financiële middelen ten behoeve van de in de raad vertegenwoordigde groeperingen titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing is.
‘Wenselijk’ 2: Aanpassing van de instructies voor de griffier en de secretaris
Als gekozen zou worden voor het toevoegen van een vierde lid aan artikel 33 van de Gemeentewet dat regelt dat het college van burgemeester en wethouders – conform de hun onder de letter c van het eerste lid van artikel 160 van de Gemeentewet toegekende bevoegdheid om regels vast te stellen over de ambtelijke organisatie van de gemeente – regels stelt omtrent het verlenen van ambtelijke bijstand aan ‘de raad en elk van zijn leden’, zou dit uitgewerkt kunnen worden in de instructie voor de gemeentesecretaris.1
In deze instructie kunnen aan de secretaris bevoegdheden toegekend worden om beslissingen te nemen over het al dan niet toekennen van een verzoek tot ambtelijke bijstand en over het ter beschikking stellen van gemeenteambtenaren aan de griffie ter verlening van de gevraagde ambtelijke bijstand. Door het leggen van de beslissingsbevoegdheid ter uitvoering van de regels bij de secretaris kan voorkomen worden dat binnen het college een (politieke) afweging gemaakt wordt over een verzoek van bijvoorbeeld een oppositiepartij. Daarmee verdwijnt ook de oneigenlijke positie van de burgemeester als scheidsrechter in geschillen over de toepassing van ambtelijke bijstand, zoals opgenomen in de huidige modelverordening.
Zoals omschreven in de paragraaf ‘Noodzakelijk’ zullen ook enkele regelingen van de gemeenteraad in dit kader aangepast moeten worden. Als het college van burgemeester en wethouders immers de in het kader van de bepaling onder de letter c van het eerste lid van artikel 160 van de Gemeentewet via het nieuwe vierde lid van artikel 33 van de Gemeentewet voorgeschreven regeling omtrent de ambtelijke bijstand aan de gemeenteraad moet voorleggen voor ‘wensen en bedenkingen’, dan moet de gemeenteraad dit ook inbedden in zijn eigen regelingen.
Allereerst zal de instructie voor de griffier2 hierop aangepast moeten worden. Idealiter zou de secretaris de in het kader van de ambtelijke bijstand ter beschikking te stellen ambtenaar (of ambtenaren) moeten detacheren bij de griffie. Hiermee komt deze ambtenaar onder de jurisdictie te staan van de griffier en legt hij over zijn functioneren verantwoording af aan de griffier en niet meer aan de secretaris en het college van burgemeester en wethouders. Daarmee is ook het probleem opgelost van de dubbele loyaliteit van de ambtenaar.3 In de instructie voor de griffier – en de verordening op de werkgeverscommissie, die het werkgeverschap van de gemeenteraad invult – zal dit verankerd moeten worden.
‘Wenselijk’ 3: aanpassen Reglement van Orde gemeenteraad
In het verlengde van het voorgaande zal ook het Reglement van Orde van de gemeenteraad aangepast moeten worden aan de nieuwe werkwijze.
Er bestaat momenteel te veel onduidelijkheid over de verschillende instrumenten, die de raad tot zijn beschikking heeft voor het verkrijgen van informatie en bijstand.
Allereerst heeft een raadslid zijn eigen verantwoordelijkheid. Hij is gekozen als volksvertegenwoordiger en zal de politieke kaders zelf moeten uitzetten, al dan niet in overleg met zijn fractie in de gemeenteraad.
De Gemeentewet geeft de raad en ieder van zijn leden in de artikelen 169 (voor wat betreft het college van burgemeester en wethouders) en 180 (voor wat betreft de burgemeester) een actief en passief recht op het verkrijgen van inlichtingen. Hier gaat het om feitelijke informatie over het beleid van het college – en de burgemeester – die soms verder kan reiken dan de openbare informatie, die ook krachtens de Wet openbaarheid van bestuur opvraagbaar is.
Vervolgens heeft een fractie krachtens het bepaalde in het tweede lid van artikel 33 van de Gemeentewet recht op ondersteuning. Het betreft hier door de fractie zelf geregelde inhoudelijke ondersteuning voor politieke onderwerpen. In dit kader kan nieuw beleid geformuleerd worden, waarbij de via de fractieondersteuning ingehuurde kennis ingezet kan worden.
Een volgende stap is het inschakelen van de griffie. Dat kan bij procedurele en technische onderwerpen, zoals het checken van een amendement of motie op (juridische) onvolkomenheden. Ook voor advies over het opereren van het raadslid of de fractie binnen de kaders van de politieke mores of de gemeentelijke gebruiken en regels kan een beroep gedaan worden op de griffie. Normaal gesproken zal de griffie geen bijstand verlenen of advies geven over politiek gevoelige zaken.
Tenslotte kan een raadslid of een fractie (of de gehele gemeenteraad) behoefte hebben aan specialistische ondersteuning op een bepaald beleidsterrein. Het gaat dan niet over advies over het ontwikkelen van nieuw beleid, maar wel over de uitwerking van door de desbetreffende fractie (of het raadslid) voorgesteld beleid, waar de inzet van een gemeentelijk specialist voor gewenst is.
Schematisch ziet het er dan als volgt uit:
Deze vijf-trap van informatievoorziening van de gemeenteraad is niet duidelijk uitgewerkt in het Reglement van Orde voor de meeste gemeenteraden. Hierdoor lopen deze trajecten veelal door elkaar heen, wat leidt tot grote onduidelijkheid.
Het recht op inlichtingen conform het derde lid van artikel 160 van de Gemeentewet is heel iets anders dan het recht op ambtelijke bijstand conform het eerste lid van artikel 33 van de Gemeentewet, wat dan weer los staat van de ondersteuning vanuit de griffie conform het eerste lid van artikel 107a van de Gemeentewet en de daaruit voortvloeiende (en in het tweede lid van artikel 107a van de Gemeentewet vereiste) instructie voor de griffier. Dat klinkt logisch, maar in de research voor dit onderzoek bleek dat deze verschillende informatiestromen continu en op alle niveaus met elkaar worden verward.
Het verdient dan ook aanbeveling in het Reglement van Orde van de gemeenteraad deze verschillende informatiestromen te benoemen, te beschrijven en te waarborgen.
‘Wenselijk’ 4: aanpassen integriteitscode raadsleden
Ruim een kwart van de geënquêteerde gemeenten4 geeft aan een ‘laagdrempelig contact’ tussen raadsleden en gemeenteambtenaren te bevorderen. Er zijn nauwelijks gemeenten te vinden, die rechtstreekse informatie-uitwisseling tussen leden van de gemeenteraad en reguliere gemeenteambtenaren als een probleem zien. Totdat er naar aanleiding hiervan een probleem ontstaat. Totdat de verstrekte informatie de wethouder in de problemen brengt. Dan wordt verwezen naar de ‘redelijke eis’ dat een ambtenaar de grens moet onderkennen tussen feitelijke informatie en politiek gevoelige informatie.
Maar die grens is nauwelijks te trekken. Feitelijke informatie kan – voorzien van een politiek sausje – al heel gauw politiek gevoelig worden. En een ambtenaar voelt zich vaak niet vrij om tegen een gerespecteerd raadslid te zeggen dat hij hem bepaalde informatie niet wil geven. Tenzij hij daarin uitdrukkelijk gesteund wordt door het college van burgemeester en wethouders en dit bovendien is vastgelegd in de integriteitscode voor de raadsleden.
Een raadslid is immers geen ‘gewone burger’, die vrij kan handelen binnen de gemeente en vrijuit alle wegen kan bewandelen om zijn (politieke) doel te bereiken. Een raadslid bevindt zich in een bevoorrechte positie. Hij is gekozen als volksvertegenwoordiger en kan daardoor mede richting geven aan het beleid van de gemeente. Hij is niet de gelijke van de gemeenteambtenaar. Hij is weliswaar niet meer zijn leidinggevende of werkgever, maar zijn positie binnen de gemeente is in de praktijk zeker bovengeschikt. De ambtenaar kent wellicht de goede relatie van dit raadslid met de wethouder. Wat gebeurt er dan als hij dit raadslid tegen de haren instrijkt?
Een gemeenteraadslid dient zich van deze bijzondere positie bewust te zijn en een gemeenteambtenaar niet in verlegenheid te brengen door hem vragen te stellen, die feitelijk volgens een andere lijn (schriftelijke of mondelinge vragen, ambtelijke bijstand, griffie-ondersteuning) zouden moeten worden gesteld.
Het verdient dan ook aanbeveling in de integriteitscode voor raadsleden een dienovereenkomstige passage op te nemen over de omgang tussen raadsleden en gemeenteambtenaren.