De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer
Einde inhoudsopgave
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/4.6.5:4.6.5 De aanspraken op het Waarborgfonds Motorverkeer naar Nederlands recht
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/4.6.5
4.6.5 De aanspraken op het Waarborgfonds Motorverkeer naar Nederlands recht
Documentgegevens:
mr. F.J. Blees, datum 29-04-2010
- Datum
29-04-2010
- Auteur
mr. F.J. Blees
- JCDI
JCDI:ADS398369:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 198787,19 564, nr. 5, p. 1.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het Nederlandse Waarborgfonds Motorverkeer vindt zijn regeling in hoofdstuk 4 van de Wam.
In vergelijking met de regeling van de Richtlijn kan het waarborgfonds in meer gevallen worden aangesproken: niet alleen in geval van de onbekend gebleven aansprakelijke en het onverzekerde voertuig - onder welke categorie ook worden begrepen de gemoedsbezwaarden, de 'elobikes' en de door andere lidstaten op grond van art. 5 lid 2 van de verzekeringsplicht vrijgestelde motorrijtuigen, alsmede voertuigen die een kenteken van een andere lidstaat dragen dat niet of niet langer met dat voertuig overeenstemt - maar ook in het geval van insolventie van een Wam-verzekeraar. Nederland heeft bovendien gebruikgemaakt van de optie om de verzekeraar toe te staan om zich op een diefstal- of gewelduitsluiting in de polis te beroepen. Met als argument dat de schade dan ten laste van - onder meer - sociale verzekeraars zou komen dan wel ten laste van de benadeelde of zijn nabestaanden zou blijven, heeft de Nederlandse wetgever geen gebruikgemaakt van de mogelijkheid om inzittenden van gestolen motorrijtuigen - als zij daarin geheel vrijwillig hebben plaatsgenomen en het waarborgfonds zou kunnen bewijzen dat zij van de diefstal op de hoogte waren - van toegang tot het waarborgfonds uit te sluiten.1 Een belangrijke rol hebben daarbij de door het Waarborgfonds Motorverkeer verstrekte schadegegevens gespeeld, waaruit zou blijken dat het aantal gevallen waarin het waarborgfonds op een dergelijke uitsluiting een beroep zou kunnen doen, zeer beperkt is. Op deze redenering valt wel wat af te dingen. Kennelijk heeft hier de gedachte dat 'de vervuiler moet betalen' in het achterhoofd van de regering meegespeeld, waarbij de onverlaat die het voertuig steelt kennelijk wordt gezien als deel van de collectiviteit van motorrijtuigbestuurders, terwijl zijn bewust meerijdende passagier als onschuldige derde wordt behandeld. Evenzeer zou hier de nadruk kunnen worden gelegd op de betrokkenheid en de eigen verantwoordelijkheid van de passagier. Anderzijds kan worden toegegeven dat de passagier in het algemeen geen bijdrage zal hebben geleverd aan het ontstaan van het ongeval. Is dat wel het geval, dan kan de rechter aan deze omstandigheid gewicht toekennen en de schadevergoeding dienovereenkomstig beperken.
Ten aanzien van de vraag van de territorialiteit in het kader van het Waarborgfonds Motorverkeer - die uitvoeriger aan de orde zal komen in paragraaf 5.5.3 - zij er nu reeds op gewezen dat het waarborgfonds ook is aan te spreken als een niet-verzekerd Nederlands voertuig een ongeval veroorzaakt in een ander land waar de Nederlandse polis dekking moet verlenen.