Afscheiding van bestanddelen
Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/2.8:2.8 Afscheiding van een bestanddeel in het Duitse recht (conclusie)
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/2.8
2.8 Afscheiding van een bestanddeel in het Duitse recht (conclusie)
Documentgegevens:
mr. J.C.T.F. Lokin, datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS644975:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie Von Jhering (1924), p. 11, die het heeft over de “Gedanke der Zersetzung” als belangrijke taak voor de jurist: “Die mosaische Schöpfungsgeschichte läßt die Erschaffung der Welt ihren Anfang nehmen mit dem Scheiden: im Anfang schied Gott Himmel und Erde, Festes und Flüssiges, Licht und Finsternis. In derselben Weise beginnt auch die juristische Schöpfungsgeschichte des römischen Rechts; ihre ersten Tage gehören ebenfalls dem Werk der Scheidung und Zersetzung.” Zie ook over deze splitsingskunst: Lokin (2018).
Zie §2.7.4.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een wegneemgerechtigde verkrijgt met het Aneignungsrecht het eigendomsrecht van een afgescheiden bestanddeel. Zonder het Aneignungsrecht zou hij geen eigenaar geworden zijn van het losgemaakte bestanddeel, daar de hoofdregel in het Duitse recht luidt dat de eigenaar van de hoofdzaak daarvan eigenaar wordt. Ook de beperkte rechten die rusten op de hoofdzaak komen niet op het afgescheiden bestanddeel terecht. De band die het bestanddeel had met de hoofdzaak lost na de verwijdering niet alleen fysiek op, maar ook juridisch. Het Wegnahmerecht beëindigt door het Aneignungsrecht de continuïteit van de zakelijke rechten van de hoofdzaak op het afgescheiden bestanddeel. Tegelijkertijd luidt het Aneignungsrecht de terugkeer in van de zakelijke positie van de oorspronkelijke eigenaar. Deze verkrijgt via dat recht een nieuw eigendomsrecht. Hier duikt de continuïteitsgedachte van het BGB weer op. Een zakelijk recht mag niet zomaar teniet gaan. Deze gedachte wordt alleen opzij gezet omwille van de rechtszekerheid voor derden, die ervan uit mogen gaan dat op één zaak één eigendomsrecht rust, en omwille van de bescherming van de economische eenheid van een zaak. Soms echter moeten de rechtszekerheid en het behoud van de economische eenheid wijken, opdat de oorspronkelijke situatie van vóór de verbinding kan worden hersteld. De wet bevordert met het toekennen van Wegnahmerechte en Aneignungsrechte de continuïteit van de “oude” zakelijke rechten.
Discussie bestaat over het antwoord op de vraag of iemand een Wegnahmerecht verkrijgt als hij vóór de verbinding geen eigenaar was van de nagetrokken zaak. Sommige juristen volgen een letterlijke uitleg van de wettekst en stellen daarom dat het afscheidingsrecht ook toekomt aan degene die geen eigenaar was. Vanuit de achtergrond van de Wegnahmerechte zou het echter logisch zijn om in ieder geval niet het Aneignungsrecht aan de wegneemgerechtigde toe te kennen indien deze vóór de verbinding geen eigenaar was van de nagetrokken zaak. De afscheidingsrechten willen immers de ongerechtvaardigde “onteigening” teniet doen. Als de verbinder, niet-oorspronkelijke eigenaar na de afscheiding eigenaar wordt van het losgemaakte bestanddeel, dan is deze “onteigening” nog steeds van kracht. De eigenaar van de hoofdzaak is alleen als bevoordeelde vervangen door de wegneemgerechtigde. Anderen stellen daarom dat geen afscheidingsrecht toekomt aan de verbinder, niet-oorspronkelijke eigenaar. Deze zou dan de eigendom verkrijgen van een zaak waarvan hij nooit eigenaar is geweest, zelfs als hij te kwader trouw is.
Een oplossing zou die goldene Mitte kunnen zijn. Hoewel het afscheidingsrecht en het Aneignungsrecht aan elkaar gekoppeld zijn, blijven het twee afzonderlijke rechten. Ze zijn derhalve ook los te koppelen voor de gevallen waarin de wegneemgerechtigde geen eigenaar was vóór de verbinding.1 Deze zou dan toegevoegde zaken mogen afscheiden, zonder dat hij na de afscheiding de eigendom verkrijgt. Hij verkrijgt hoogstens het bezit van de zaak. De oorspronkelijke eigenaar mag na de afscheiding zich de zaak toe-eigenen. Met zijn Aneignungsrecht kan hij de zaak bij de bezitter opeisen met een analoge revindicatie. Zo blijft de oorspronkelijk gerechtigde verbonden met zijn zakelijk recht. Verkrijgt hij de eigendom, dan gaat het daadwerkelijke doel van het Wegnahmerecht in vervulling: de “onteigening” is teruggedraaid. Om de positie van de Aneignungsberechtigte tegen een weigerachtige wegneemgerechtigde te versterken, zou hij een persoonlijke actie tegen de wegneemgerechtigde moeten kunnen instellen om deze te dwingen de toegevoegde zaak af te scheiden. Het Aneignungsrecht gaat echter teniet, als de wegneemgerechtigde de zaak overdraagt aan een verkrijger te goeder trouw, waardoor de Aneignungsberechtigte de hierboven genoemde persoonlijke actie niet kan instellen tegen de verkrijger. Zo komt de rechtszekerheid niet in het gedrang. Als de wegneemgerechtigde beperkte rechten wil vestigen op de losgemaakte zaak vóórdat hij de eigendom door verjaring heeft verkregen, dan kan de beperkt gerechtigde zijn recht uitoefenen tegen de toe-eigeningsgerechtigde.
Een ander discussiepunt in de Duitse literatuur is of het verkregen eigendomsrecht van de Aneignungsberechtigte onbezwaard of bezwaard is met de oorspronkelijke beperkte rechten. Gezien het feit dat het Duitse recht geen dominium dormiens kent, lijkt de conclusie dat een nieuw onbezwaard eigendomsrecht wordt verkregen. De oorspronkelijke eigenaar heeft wel de verplichting om de beperkte rechten van vóór de verbinding te herstellen op die zaak, tenzij hij van deze verplichting verlost is. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer het beperkte recht een pandrecht was en de schuld ten behoeve waarvan het recht was gevestigd is afbetaald of als een vervangend pandobject is gevonden. Uit de discussie over het al dan niet verkrijgen van een onbezwaard eigendomsrecht, is een ander twistpunt ontstaan, namelijk of de beperkt gerechtigde ook gerechtigd is tot het afscheidingsrecht.
Vanuit het perspectief van het Kontinuitätsprinzip is de gedachte dat hij een afscheidingsrecht heeft een aantrekkelijke. Het probleem is echter, dat aan een beperkt gerechtigde niet een Aneignungsrecht kan toekomen. Daarmee verkrijgt men immers alleen het eigendomsrecht en niet een beperkt recht. Een oplossing zou kunnen zijn om een analoge actie aan de beperkt gerechtigde toe te kennen waardoor hij niet het eigendomsrecht, maar een beperkt recht. Feitelijk zou dit neerkomen op het volledige herstel van de oude toestand en zou hetzelfde rechtsgevolg worden bereikt als dat van de afscheiding naar Romeins recht. En waarom niet? Waarom zou een oorspronkelijk beperkt gerechtigde niet dezelfde bescherming mogen krijgen als een oorspronkelijke eigenaar? De continuïteitsgedachte is niet alleen van toepassing op eigendomsrechten, maar op alle zakelijke rechten. Een bewijs daarvoor is te vinden in §1120 BGB, dat stelt dat afgescheiden bestanddelen onder het hypotheekrecht vallen, tenzij deze zijn overgedragen aan een verkrijger te goeder trouw. Ook hier geldt dat de aanspraken van de beperkt gerechtigde komen te vervallen bij een eventuele overdracht aan een verkrijger te goeder trouw of door verjaring, zodat de rechtszekerheid niet in het gedrang komt.
Hoewel goede argumenten zijn te noemen voor het toekennen van een afscheidingsrecht aan een beperkt gerechtigde, lijkt dit recht echter niet voor hem weggelegd. Wieling hield daarvóór al in 1985 een overtuigend pleidooi, maar tevergeefs.2 Uit de wetteksten die gaan over de afscheidingsrechten blijkt niet dat aan een beperkt gerechtigde zo’n recht toekomt, met daarbij een analoog Aneignungsrecht. De afscheidingsrechten vloeien immers in specifieke gevallen voort uit een contract of uit een bezitter-eigenaar verhouding. De beperkt gerechtigde is ten aanzien van het wegneemrecht noch contractspartij noch eigenbezitter. Op die grond stelt een meerderheid in de literatuur dat het Wegnahmerecht door het Aneignungsrecht niet aan de beperkt gerechtigde toekomt. Ook is de kans dat de rechter op grond van §951 BGB een zelfstandig Wegnahmerecht aan de beperkt gerechtigde toekent, op dit ogenblik niet aannemelijk.