Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/9.6.2
9.6.2 Objectieve en subjectieve factoren
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS499530:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 11 december 2008 (Panovits t. Cyprus), NJ 2009, 215 (m.nt. Reijntjes), § 67.
EHRM 10 maart 2009 (Bykov t. Rusland), § 101. In die zaak was het Hof niet ervan overtuigd dat ‘the obtaining of evidence was tainted with the element of coercion or oppression which in the Allan case the court found to amount to a breach of the applicant’s right to remain silent’ (§ 102).
Vgl. Feteris, aant. onder EHRM 7 oktober 1988 (Salabiaku t. Frankrijk), FED 1990/420, pt. 4. Daarin stelt hij het persoonsgebonden karakter van delicten aan de orde in het kader van het gebruik van bewijsvermoedens.
Zie Ramage 2013. Over andere strafzaken meldt zij dat ‘[t]here have been recent suicides during four different Serious Fraud Office Investigations, illustrating that suspects, even intelligent, advised, wealthy suspects, can be vulnerable to the strains of such investigations. In the SFO case R v Peter Young [2003], Peter Young became extremely mentally ill due to the strain of the investigation.’
De rechtspraak van het EHRM bevat aanwijzingen dat het de objectieve kenmerken van de persoon van de verdachte meeweegt bij de vaststelling of de op hem uitgeoefende dwang toelaatbaar is. Vgl. de zaak Panovits waarin het onder verwijzing naar klagers leeftijd op het moment dat hij werd verhoord, overweegt dat de wijze waarop het vooronderzoek wordt vormgegeven ertoe moet strekken om onder meer gevoelens van intimidatie en geremdheid van de minderjarige te verminderen.1
De zaak Allan illustreert dat ook meer subjectieve persoonskenmerken een rol kunnen spelen. De schending van art. 6 EVRM steunt in deze zaak onder meer op de omstandigheid dat de politie klagers celgenoot ertoe aanzette om gebruik te maken van zijn (geestelijke) toestand. Die was na opeenvolgende en langdurige perioden van verhoor verzwakt.2 Ook met betrekking tot dergelijke, subjectieve persoonskenmerken geldt dat uit de rechtspraak niet duidelijk volgt in welke mate het Hof die meeweegt bij de vaststelling of dwang tot zelfbelasting toelaatbaar is.
Goed voorstelbaar is dat de persoon van de verdachte een belangrijker rol zal spelen, naarmate een strafbare handeling naar zijn aard meer met de persoon van de verdachte samenhangt (vgl. diefstal, fraude of moord) en andersom (vgl. een snelheidsovertreding of een te laat ingediende belastingaangifte). Bij ernstiger delicten, waarop in de regel zwaardere sancties zijn gesteld, is het persoonsgebonden karakter in het algemeen sterker dan bij lichte overtredingen (die licht(er) bestraft plegen te worden).3
Het ligt op de weg van klager om over minder goed kenbare, subjectieve kenmerken voldoende feiten te stellen. Zowel in de klachtprocedure voor het Hof zelf als de daaraan voorafgaande (nationale) procedure(s). Zo zou Ernest Saunders vanwege de strafzaak tegen hem twee zenuwinzinkingen hebben gehad.4 Dit is niet terug te lezen in het arrest van het Hof. Blijft de vraag of het Hof wel adequaat de persoonlijke omstandigheden en kenmerken kan vaststellen, ook of zelfs wanneer de klager ter zake de nodige feiten stelt.