Einde inhoudsopgave
Aanvullen van subjectieve rechten (O&R nr. 109) 2019/13.5
13.5 Ruimte voor partijafspraken
mr. drs. T.E. Booms, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. T.E. Booms
- JCDI
JCDI:ADS296786:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie meer uitgebreid over dit onderwerp du Perron 1999, p. 101 e.v.; Asser/Sieburgh 2018, para. 514 e.v.
Zie over het doen van afstand van wilsrechten Snijders 1999, p. 584-585; Spierings 2016, p. 330, die beiden de mogelijkheid noemen om afstand te doen van het wilsrecht om een vordering te verrekenen. Deze mogelijkheid wordt ook expliciet genoemd door de wetgever in Parlementaire Geschiedenis Boek 6, p. 495.
In soortgelijke zin Aaftink 1974, p. 70, die echter een ander onderscheid van wilsrechten hanteert dan dat ik hier doe. Een soortgelijke redenering kan ook worden gevonden bij Huizingh 2016, p. 227-228, die betoogt dat na een contractsoverneming de overnemer niet alleen de wilsrechten kan uitoefenen die de overdrager (nog) had, maar ook de wilsrechten die hem uit hoofde van de wet toekomen.
537. Anders dan bij afhankelijke rechten (zie meer uitgebreid paragraaf 14.6) en kwalitatieve rechten (zie meer uitgebreid paragraaf 15.6) het geval is, hebben partijen geen invloed op de omschrijving van de wilsrechten die toekomen aan de rechthebbende van een subjectief recht en de toepassingsvoorwaarden waaronder dat gebeurt. De reden daarvoor is dat deze omschrijving en toepassingsvoorwaarden door de wet worden opgelegd. Iedere afspraak die partijen over het uitoefenen van toebedeelde wilsrechten maken, geldt daarom enkel tussen de partijen die deze afspraak maken. Zo kan bijvoorbeeld tussen een rechthebbende van een vordering en de schuldenaar van deze vordering niet met werking tegen derden worden afgesproken dat voor de vordering geen beslag zal worden gelegd. In hun onderlinge verhouding werkt deze afspraak uiteraard wel. Dit alles volgt simpelweg uit het feit dat overeenkomsten in beginsel geen derden binden.1
538. Ook het doen van afstand van het toebedeelde wilsrecht heeft mijns inziens geen gevolgen voor opvolgende verkrijgers van het subjectieve recht waar het wilsrecht mee samenhangt. Doet de rechthebbende van een vordering bijvoorbeeld afstand van de bevoegdheid om zijn vordering te verrekenen met een vordering van zijn schuldenaar, dan is het voor hem niet meer mogelijk om tot verrekening over te gaan, omdat hem deze bevoegdheid in zijn verhouding tot de schuldenaar niet meer toekomt.2 Draagt hij echter de vordering over, dan kan de opvolgend rechthebbende wederom voldoen aan alle vereisten die de wet stelt om tot verrekening over te gaan.3 Zou dit anders zijn, dan zou het mogelijk zijn om de bescherming die de wetgever aan rechthebbenden van subjectieve rechten wenst te verlenen ‘uit te kleden’, zonder dat een opvolgend verkrijger daarop bedacht hoeft te zijn. Dat verhoudt zich slecht met de ratio achter deze toebedeelde wilsrechten.