Einde inhoudsopgave
Besluit activiteiten leefomgeving - Nota van toelichting
§ 4.104 Opslaan van goederen
Geldend
Geldend vanaf 31-08-2018
- Bronpublicatie:
03-07-2018, Stb. 2018, 293 (uitgifte: 31-08-2018, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Inwerkingtreding
31-08-2018
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
03-07-2018, Stb. 2018, 293 (uitgifte: 31-08-2018, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Vakgebied(en)
Omgevingsrecht / Algemeen
Omgevingsrecht / Omgevingswet
Artikel 4.1053 (toepassingsbereik)
Deze paragraaf gaat over het opslaan van goederen, waaronder ook het overslaan van goederen is begrepen. Het opslaan van goederen is onderverdeeld in drie deelactiviteiten:
- —
Het opslaan van goederen waaruit stoffen kunnen lekken;
- —
Het opslaan van goederen waaruit stoffen kunnen uitlogen;
- —
Het opslaan en mengen van stuifgevoelige goederen.
Stuifgevoelige goederen zijn in Bijlage IV bij dit besluit ingedeeld in stuifklasse S1 tot en met S5, variërend van sterk stuifgevoelig tot nauwelijks of niet stuifgevoelig. Onder een gevaarlijke stof wordt conform bijlage I verstaan een gevaarlijke stof die is ingedeeld in een gevarenklasse van de ADR.
Artikel 4.1054 (melding) [artikel 4.3 in samenhang met artikel 4.4, eerste lid, van de wet]
Artikel 4.1054 regelt dat geen stuifgevoelige goederen of goederen waaruit stoffen kunnen lekken of uitlogen mogen worden opgeslagen voordat een melding aan het bevoegd gezag is gedaan. Zie voor de uitleg over het instrument melding paragraaf 3.5 van het algemeen deel van deze nota van toelichting.
Bij deze melding worden de algemene gegevens en bescheiden uit artikel 2.17 gevoegd en de aanvullende gegevens uit het tweede lid gevoegd.
In het derde lid is geregeld dat als bij het verrichten van de activiteit wordt afgeweken van eerder bij de melding verstrekte gegevens en bescheiden, weer een melding moet worden gedaan. Met deze verplichting wordt bereikt, dat gegevens die het bevoegd gezag heeft actueel blijven en dat het bevoegd gezag voorafgaand aan de wijziging op de hoogte is en zo nodig actie kan ondernemen.
Uit het vierde lid volgt dat deze activiteiten niet hoeven te worden gemeld als ze vergunningplichtig zijn. Het bevoegd gezag beschikt dan door de aanvraag van de omgevingsvergunning al over de relevante informatie.
Artikel 4.1055 (aanwijzing modules: eindonderzoek bodem en bodembeschermende voorzieningen)
Tijdens het verrichten van een activiteit moet bodemverontreiniging zoveel mogelijk worden voorkomen. Bodemverontreiniging wordt voorkomen door de activiteit te verrichten boven een bodembeschermende voorziening en in aanvulling daarop maatregelen te nemen. Regels voor het bijhouden van keuringen, controles en onderhoud aan deze bodembeschermende voorzieningen en het bewaren van gegevens staan in de module bodembeschermende voorzieningen.
Degene die een activiteit heeft verricht moet na het verrichten van de activiteit een bodemonderzoek (laten) verrichten om te kijken of er sprake is van bodemverontreiniging. Als dat het geval is, zal diegene de bodemkwaliteit moeten (laten) herstellen.
Artikel 4.1056 (water: voorkomen ontstaan afvalwater)
Water dat onder meer door regenval in contact komt met de opgeslagen goederen is geschikt om te worden gebruikt om bijvoorbeeld goederen die kunnen stuiven te bevochtigen. Zo wordt het ontstaan van extra afvalwater dat geloosd moet worden voorkomen.
Artikel 4.1057 (water: lozingsroutes bij opslaan van goederen die kunnen uitlogen)
Eerste en tweede lid
Artikel 4.1057, eerste lid, bepaalt dat het afvalwater afkomstig van het opslaan van goederen die kunnen uitlogen, wordt geloosd in een vuilwaterriool.
In het tweede lid is bepaald dat als het vuilwaterriool op meer dan 40 meter van de perceelsgrens is gelegen, het afvalwater ook op het oppervlaktewater mag worden geloosd. De 40 meter wordt gerekend vanaf het perceel waar de pleziervaartuigen worden gereinigd. Er is geen plicht om dit afvalwater te lozen, maar als geloosd wordt moet dat via de voorgeschreven route. Het gaat hier immers alleen om het ‘te lozen’ afvalwater; afvalwater kan ook worden afgevoerd naar een verwerker of worden hergebruikt.
Derde lid
Als de specifieke omstandigheden van het geval daar aanleiding toe geven, kan bij maatwerkvoorschrift worden bepaald dat degene die de activiteit verricht via een andere lozingsroute mag lozen. Het bevoegd gezag dat het maatwerkvoorschrift stelt, kan een ander bevoegd gezag zijn dan het bevoegd gezag voor de controle op de naleving op het eerste lid. Lozen op het vuilwaterriool is een milieubelastende activiteit waarvoor de gemeente bevoegd gezag is, maar de waterbeheerder kan bijvoorbeeld bepalen dat lozen in het oppervlaktewater altijd is toegestaan, wat een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam is. De waterbeheerder kan het gebod om te lozen in het vuilwaterriool niet opheffen. In het derde lid is daarom geregeld dat als een alternatieve route via een maatwerkvoorschrift is toegestaan, het niet meer verplicht is gebruik te maken van de voorkeursroute, maar er wel nog gebruik van mag worden gemaakt. Dit lid is van overeenkomstige toepassing op vergunningvoorschriften.

Artikel 4.1058 (water: lozingsroute bij opslaan van goederen waaruit kan lekken)
Eerste lid
Artikel 4.1058, eerste lid, bepaalt dat het afvalwater afkomstig van het opslaan van goederen waaruit kan lekken, wordt geloosd in een vuilwaterriool. Er is geen plicht om dit afvalwater te lozen, maar als geloosd wordt moet dat via de voorgeschreven route. Het gaat hier immers alleen om het ‘te lozen’ afvalwater; afvalwater kan ook worden afgevoerd naar een verwerker of worden hergebruikt.
Tweede lid
Als de specifieke omstandigheden van het geval daar aanleiding toe geven, kan bij maatwerkvoorschrift worden bepaald dat degene die de activiteit verricht via een andere lozingsroute mag lozen. Het bevoegd gezag dat het maatwerkvoorschrift stelt, kan een ander bevoegd gezag zijn dan het bevoegd gezag voor de controle op de naleving op het eerste lid. Lozen op het vuilwaterriool is een milieubelastende activiteit waarvoor de gemeente bevoegd gezag is, maar de waterbeheerder kan bijvoorbeeld bepalen dat lozen in het oppervlaktewater is toegestaan, waardoor het lozen een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam wordt. De waterbeheerder kan het gebod om te lozen in het vuilwaterriool niet opheffen. In het tweede lid is daarom geregeld dat als een alternatieve route via een maatwerkvoorschrift is toegestaan, het niet meer verplicht is gebruik te maken van de voorkeursroute, maar er wel nog gebruik van mag worden gemaakt. Dit lid is van overeenkomstige toepassing op vergunningvoorschriften.

Artikel 4.1059 (water: emissiegrenswaarde lozing in een vuilwaterriool)
Uit goederen die worden op- en overgeslagen kunnen verschillende stoffen uitlogen of lekken. Voor stoffen die vaak in de afvalwaterstroom die op een vuilwaterriool wordt geloosd worden aangetroffen, zijn in artikel 4.1059 emissiegrenswaarden opgenomen. Als het enkel gaat om afvalwater dat is verontreinigd met olie, kan in plaats daarvan kan ook een olieafscheider en slibvangput worden toegepast die aan de genoemde NEN-norm voldoen.
Een slibvangput en olieafscheider, die vóór 2 november 2010 zijn geplaatst, hoeven niet te voldoen aan de NEN-EN 858–1 en 2. Op 2 november 2010 is de voorgaande NEN-norm, NEN 7089, ingetrokken, waardoor er niet naar verwezen kan worden, maar olieafscheiders die aan deze norm voldeden zorgen ook voor een adequate bescherming van het milieu. Van olieafscheiders die geplaatst zijn voor 2 november 2010 wordt aangenomen dat deze via handhaving adequaat zijn. Van belang is wel dat de olieafscheider voldoende gedimensioneerd is, daarom is de voorwaarde opgenomen ze zijn ‘afgestemd op de hoeveelheid water’.
In geval geen of nauwelijks olie wordt gebruikt in het proces of zo zorgvuldig wordt gewerkt dat geen olie in het afvalwater geraakt, kan voldaan worden aan de grenswaarde van 20 mg/l. Er is dan geen voorziening in de vorm van een olieafscheider nodig.
Artikel 4.1060 (water: emissiegrenswaarde lozing op een oppervlaktewaterlichaam)
Na contact met goederen die worden op- en overgeslagen en die kunnen uitlogen, kunnen in het afvalwater verschillende stoffen zitten. Artikel 4.1060 regelt dat bij lekkende goederen mag niet op het oppervlaktewater geloosd worden. Voor stoffen die vaak in de afvalwaterstroom die op een oppervlaktewaterlichaam of op of in de bodem worden geloosd worden aangetroffen, zijn in dit artikel emissiegrenswaarden opgenomen. Deze emissiegrenswaarden zijn een vertaling van de gehalten die met de beste beschikbare technieken kunnen worden bereikt. Het gehalte aan onopgeloste stoffen is een maat voor het functioneren van een bezinkvoorziening. Aan onopgeloste stoffen hechten verschillende verontreinigende stoffen. De emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen is strenger dan bij lozen op een vuilwaterriool, omdat de aanvullende bezinking die in het vuilwaterriool of zuiveringtechnische werk plaatsvindt niet aan de orde is bij directe lozing op oppervlaktewater of in de bodem. Deze waarde is ten opzichte van het Activiteitenbesluit milieubeheer gecorrigeerd tot het niveau van BBT. Door goed gebruik en onderhoud is dit realiseerbaar met de bestaande voorzieningen.
Artikel 4.1061 (water: meetmethoden)
Artikel 4.1061 geeft aan welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd. Er zijn normen opgenomen voor het bemonsteren, conserveren en ontsluiten. Ook zijn de analysemethoden die moeten worden gebruikt voor de stoffen waaraan in de artikelen 4.1059 en 4.1060 emissiegrenswaarden worden gesteld voorgeschreven. De versies van de NEN-EN-normen zijn overigens vastgesteld bij ministeriële regeling.
Als er wordt bemonsterd, moeten de monsters volgens NEN 6600–1 worden geconserveerd om te voorkomen dat in de monsters verandering optreedt voor de te analyseren parameter tussen het moment van bemonstering en het moment van analyse.
Omdat de emissiegrenswaarden die zijn gesteld betrekking hebben op het totaal van opgeloste en niet opgeloste stoffen in het afvalwater, is het van belang dat het monster niet gefilterd wordt en dat de stoffen die zich onopgelost in het afvalwater bevinden meegenomen worden in de analyse.
Artikel 4.1062 (water: riooltekening)
Artikel 4.1062 regelt dat degene die goederen op- en overslaat een riooltekening beschikbaar moet hebben. Hoe die tekening vormgegeven is, is vrijgelaten. De essentie van deze tekening is dat het voor het bevoegd gezag duidelijk wordt hoe het rioolstelsel in elkaar zit en hoe de afvalwaterstromen lopen. Hiermee wordt de mogelijkheid van doelmatige controle van lozingen geborgd. De punten, genoemd onder a, zijn de punten waar het afvalwater voldoet aan de lozingseisen uit de artikelen 4.1059 en 4.1060. De lozingsroutes, genoemd onder c, zijn de voorgeschreven lozingsroutes, bedoeld in de artikelen 4.1057 en 4.1058, of in eventueel maatwerk.
Artikel 4.1063 (bodem: bodembeschermende voorziening bij opslaan goederen waaruit stoffen kunnen lekken)
Om te voorkomen dat bodembedreigende stoffen in de bodem lekken, worden deze goederen boven een vloeistofdichte bodemvoorziening opgeslagen. Bij een lekkage worden de stoffen die op de vloer terechtkomen opgeruimd.
Als wordt voldaan aan de emissiegrenswaarden die zijn genoemd in tabel 4.1059, mag afvalwater direct op het vuilwaterriool worden geloosd zonder zuivering vooraf. Daarnaast hoeft de bedrijfsriolering niet vloeistofdicht te zijn.
Aan het artikel hoeft niet te worden voldaan als er in de paragraaf over autodemontage (paragraaf 4.47) bodemvoorschriften gelden voor de opslag. In die paragraaf staan bodemvoorschriften voor het opslaan van wrakken en gedemonteerde onderdelen en die voorschriften wijken net wat af van de bodemvoorschriften in artikel 4.1063 en 4.1064. Voor de opslag van wrakken en gedemonteerde onderdelen gelden dus niet de voorschriften van artikel 4.1063 en 4.1064 maar de bodemvoorschriften in de paragraaf over autodemontage.
Voor de opslag van andere stoffen dan wrakken of gedemonteerde onderdelen bevat de paragraaf over autodemontage geen bodemvoorschriften. Daarvoor kunnen wel de bodemvoorschriften in deze artikelen gelden.
Artikel 4.1064 (bodem: bodembeschermende voorziening bij opslaan goederen waarbij stoffen kunnen uitlogen)
Dit artikel gaat over goederen die bij contact met water (hemelwater of grondwater) kunnen gaan uitlogen. Degene die de activiteit verricht heeft de keuze welke bodembeschermende voorziening wordt toegepast. De eerste keuze is een vloeistofdichte vloer aan te leggen, waarbij ook het deel van het vuilwaterriool vanaf de afsluiting tot de slibvangput en olieafscheider vloeistofdicht moet zijn. De tweede keuze is een aaneengesloten bodemvoorziening te gebruiken, waarbij de bodemvoorziening tegen inregenen is beschermd.
Voor bepaalde goederen, zoals C-hout met KOMO certificaat, geldt dat ze als bouwmateriaal worden toegepast. Bij de opslag van grotere hoeveelheden hiervan, zal een aaneengesloten bodemvoorziening zonder overkapping een gelijkwaardige maatregel kunnen zijn aan de in het artikel genoemde maatregelen.
Als wordt voldaan aan de emissiegrenswaarden die zijn genoemd in tabel 4.1059, mag afvalwater direct op het vuilwaterriool worden geloosd zonder zuivering vooraf. Daarnaast hoeft de bedrijfsriolering niet vloeistofdicht te zijn.
Aan het artikel hoeft niet te worden voldaan als er in de paragraaf over autodemontage (paragraaf 4.47) bodemvoorschriften gelden voor de opslag. In die paragraaf staan bodemvoorschriften voor het opslaan van wrakken en gedemonteerde onderdelen en die voorschriften wijken net wat af van de bodemvoorschriften in artikel 4.1063 en 4.1064. Voor de opslag van wrakken en gedemonteerde onderdelen gelden dus niet de voorschriften van artikel 4.1063 en 4.1064 maar de bodemvoorschriften in de paragraaf over autodemontage.
Voor de opslag van andere stoffen dan wrakken of gedemonteerde onderdelen bevat de paragraaf over autodemontage geen bodemvoorschriften. Daarvoor kunnen wel de bodemvoorschriften in deze artikelen gelden.
Artikel 4.1065 (lucht: plaats van opslaan en mengen stuifgevoelige goederen)
De opslag en het mengen van stuifgevoelige goederen moet plaatsvinden in gesloten ruimtes. Een gesloten ruimte is bijvoorbeeld een gebouw, silo of gesloten container.
De eisen aan het opslaan en overslaan van goederen zijn onder meer afhankelijk van de mate waarin de goederen kunnen verstuiven. Daartoe zijn goederen waarvoor dat relevant is ingedeeld in de stuifklassen S1 tot en met S5. Goederen met stuifklasse S5 zijn nauwelijks of niet stuifgevoelig. De betekenis van de overige klassen S1 tot en met S4 is als volgt:
Niet bevochtigbaar | Wel bevochtigbaar | |
|---|---|---|
Sterk stuifgevoelig | S1 | S2 |
Licht stuifgevoelig | S3 | S4 |
In bijlage III is een lijst opgenomen met de indeling in stuifklassen van verschillende stuifgevoelige goederen. Voorbeelden van stoffen en hun stuifklasse: strooizout (S5), kalksteen (S5), cement (S1), grond (S4 of S5), roestig schroot (S4), kunstmest (S1 of S3).
In overeenstemming met het Europese referentiedocument (BREF) voor de beste beschikbare technieken voor op- en overslag maakt dit artikel geen onderscheid naar stuifklassen. De hoofdregel is dat alle stuifgevoelige stoffen in gesloten ruimten worden opgeslagen. Dit is een wijziging ten opzichte van het Activiteitenbesluit milieubeheer.
De opslag en het mengen van goederen die behoren tot stuifklassen S1 of S3, en die dus niet bevochtigbaar zijn, moet plaatsvinden in volledig gesloten ruimtes. Stoffen die behoren tot stuifklasse S1 moeten bijvoorbeeld worden opgeslagen in gesloten containers. Dergelijke ruimtes hebben (uitzonderingen daargelaten) geen ventilatie. Stoffen behorend tot stuifklasse S3 kunnen worden opgeslagen in een loods met ventilatiesleuven.
Bij opslag van stuifgevoelige goederen in een volledig gesloten container of ruimte wordt automatisch voldaan aan de emissiegrenswaarde voor totaal stof als bedoeld in artikel 4.1067. Voor de sterk stuifgevoelige goederen (S1 en S2, met inbegrip van houtmot) komt ook opslag in een gesloten container voor met een afzuigpunt, bijvoorbeeld voor pneumatisch transport of om de ruimte op onderdruk te houden. In dat geval is op dat afzuigpunt een filtrerende afscheider nodig en dient het afzuigpunt bovendaks uit te komen om te voldoen aan de emissiegrenswaarde voor totaal stof als bedoeld in artikel 4.1067.
Als goederen van stuifklasse S3, S4 of S5 worden opgeslagen in een silo met ventilatieopeningen of sleuven blijft de emissie doorgaans onder de genoemde massastroom en is een filtrerende afscheider niet nodig. Alleen bij uitzondering (bijvoorbeeld als een geforceerde ventilatie of zichtbare stofemissie plaatsvindt) zijn aanvullende voorzieningen nodig om aan de emissiegrenswaarde voor totaal stof, bedoeld in artikel 4.1067, te voldoen.
Artikel 4.1066 (lucht: geen overslag bij wind van stuifgevoelige goederen)
Bij bepaalde windsnelheden mag geen overslag meer plaatsvinden:
- —
S1 en S2 bij een windsnelheid groter dan 8 meter per seconde,
- —
S3 bij een windsnelheid groter dan 14 meter per seconde.
Voor S4 en S5 is in overeenstemming met het Europese referentiedocument voor de beste beschikbare technieken voor op- en overslag ook een maximale windsnelheid opgenomen. Deze stond niet in het Activiteitenbesluit milieubeheer, maar wel in de Nederlandse emissierichtlijn Lucht (NeR):
- —
S4 en S5 bij een windsnelheid groter dan 20 meter per seconde.
Artikel 4.1067 (lucht: emissie totaal stof bij stuifgevoelige goederen)
Eerste lid
Voor emissies, afkomstig van het opslaan, overslaan en mengen van stuifgevoelige goederen, die naar de buitenlucht worden afgevoerd, geldt de emissiegrenswaarde voor stof van 5 mg/Nm3. Om de artikelen in overeenstemming te brengen met het Europese referentiedocument voor de beste beschikbare technieken voor op- en overslag is de ruimere emissiegrenswaarde uit het Activiteitenbesluit milieubeheer voor kleinere bronnen van 50 mg/Nm3 vervallen. De emissiegrenswaarde is ook van toepassing op discontinue stofemissies.
Tweede lid
Voor emissies uit een container, bulktransportwagen of andere transportmiddel voor pneumatisch transport van stuifgevoelige goederen stuifklasse S1 of S2 geldt een emissiegrenswaarde voor stof van 10 mg/Nm3. De emissiegrenswaarde is ook van toepassing op discontinue stofemissies.
Derde lid
De emissiegrenswaarden zijn niet van toepassing als jaarlijks niet meer dan 100 kg stof wordt geëmitteerd.
Artikel 4.1068 (lucht: maatregelen bij opslaan, mengen en transport van stuifgevoelige goederen)
Eerste en tweede lid
Aan de emissiegrenswaarde voor totaal stof als bedoeld in artikel 4.1067 wordt bij het opslaan en mengen van stuifgevoelige goederen ingedeeld in stuifklassen S1 tot en met S5 in ieder geval voldaan als de ruimte waarin wordt opgeslagen of gemengd op onderdruk wordt gehouden en de lucht door een geschikte filtrerende afscheider wordt gevoerd.
Bij het vullen van een opslagruimte met goederen ingedeeld in stuifklasse S1 en S2 wordt in ieder geval voldaan aan de emissiegrenswaarde voor totaal stof die is genoemd in artikel 4.1067 als het overstortpunt wordt afgezogen en de afgezogen lucht door een geschikte filtrerende afscheider wordt gevoerd.
Voor een toelichting op de filtrerende afscheider wordt verwezen naar paragraaf 4.9 van het algemeen deel van deze toelichting. Degene die de maatregelen toepast hoeft niet door een meting aan te tonen dat aan de emissiegrenswaarde voor totaal stof wordt voldaan.
Derde lid
De maatregelen om bij continu mechanisch transport (bijvoorbeeld band-, schroef- of kettingtransporteurs) stofemissies te voorkomen zijn onderverdeeld naar goederen die worden getransporteerd in een open of in een gesloten transportsysteem.
Goederen die worden getransporteerd in een open systeem worden zo bevochtigd, dat verstuiving wordt voorkomen of de goederen worden afgeschermd tegen windinvloeden met bijvoorbeeld langsschermen, dwarsschermen of halfronde overkappingen.
Bij goederen die worden getransporteerd in een gesloten systeem, waarbij de inlaat- en afwerpzijde van de transporteur zijn omkast, wordt deze omkasting continu afgezogen en het afgezogen stof zoveel mogelijk wordt teruggevoerd in de productstroom. Een andere maatregel bij goederen die worden getransporteerd in een gesloten systeem is de inlaat- en afwerpzijde van de transporteur voorzien van een afscherming in de vorm van bijvoorbeeld windreductieschermen of sproeiers.
Degene die de maatregelen toepast hoeft niet door een meting aan te tonen dat aan de emissiegrenswaarde voor totaal stof wordt voldaan.
Artikel 4.1069 (lucht: maatregelen bij overslaan, laden en lossen van stuifgevoelige goederen)
Dit artikel bevat de erkende maatregelen die voldoende zijn om bij het laden, lossen of overslaan van stuifgevoelige goederen onder de emissiegrenswaarde van artikel 4.1067 te blijven.
Overslaan van goederen door storttrechters
- —
De trechters zijn voorzien van afzuiging.
Daarnaast zijn ook er ook andere mogelijkheden om bij het overslaan van goederen door storttrechters stofverspreiding te voorkomen:
- —
Het bevochtigen van goederen ingedeeld in stuifklasse S2 of S4 met een doelmatige watersproei-installatie;
- —
Het voorzien van storttrechters van doelmatige windreductieschermen bij goederen ingedeeld in stuifklasse S3 en S4;
- —
Het zodanig construeren van storttrechters dat bij het openen van de grijper boven de trechter geen stofverspreiding kan optreden;
- —
Het voorkomen van stofverspreiding bij het uitlooppunt van storttrechters;
- —
Het afstemmen van de capaciteit van de afzonderlijke delen van de verlaadinstallatie; hierbij kan rekening gehouden worden met de maximale vullingsgraad van de trechter, die voor goederen ingedeeld in stuifklasse S1 en S2 bijvoorbeeld 75% bedraagt en voor goederen ingedeeld in stuifklasse S3 en S4 85%.
Laden en lossen met grijpers
- —
De grijpers moeten van de bovenkant zijn afgesloten.
Daarnaast zijn ook er ook andere mogelijkheden om bij het laden en lossen met grijpers stofverspreiding te voorkomen:
- —
Het voorkomen van stofverspreiding in de omgeving van het stortpunt tijdens het openen van de grijper;
- —
Het pas openen van de grijper nadat deze onder de rand van de storttrechter, dan wel onder de rand van de windschermen, is gezakt.
Beladen en lossen van lichters
- —
De lichterbelader is uitgerust met een stortkoker die tot bijna tot op de bodem van het ruim of tot het reeds gestorte materiaal.
Daarnaast zijn ook er ook andere mogelijkheden om stofverspreiding bij het beladen en lossen van lichters te voorkomen:
- —
Het in de stortkoker aanbrengen van remschotten of een dergelijke andere voorziening om de snelheid van het te storten materiaal te reduceren;
- —
Het afzuigen van de stortkoker bij sterk stuifgevoelige goederen;
- —
Het afzuigen van de stortkoker bij het gebruik van een stortkoker met de zogenoemde visbekconstructie waarbij de afgezogen hoeveelheid lucht groter moet zijn dan de hoeveelheid lucht die wordt verplaatst door het stortgoed;
- —
Het pas openen van de grijpers nadat deze voldoende onder de rand van het ruim zijn gezakt.
Laden en lossen met pneumatische elevatoren
- —
De weegbunkers en overstortpunten zijn gesloten uitgevoerd;
- —
Het neergeslagen stof in de overstortpunten wordt regelmatig verwijderd;
- —
De stortschoen moet zijn voorzien van afzuiging.
Stofemissies aan- en afrijdend verkeer
Voor verkeer op en vanaf het opslagterrein zijn geen specifieke eisen opgenomen, al geldt bij het verrichten van een milieubelastende activiteit wel de specifieke zorgplicht van artikel 2.11. Degene die de activiteit verricht kan stofemissies bijvoorbeeld tegengaan door:
- —
Het aantal verkeersactiviteiten op het terrein zo gering mogelijk te houden;
- —
Transport op het terrein zo mogelijk continu mechanisch of pneumatisch te laten plaatsvinden;
- —
Autoverkeer te beperken tot verharde wegen die regelmatig schoongemaakt worden;
- —
Het afschermen van wegen van het onverharde terrein;
- —
De snelheid van voertuigen op het terrein te beperken;
- —
De wegen van het terrein te sproeien;
- —
Voertuigen schoon te spuiten en de banden te reinigen;
- —
De laadruimte van voertuigen zo te benutten, in te delen of af te dekken, dat stofverspreiding door morsgoed op wegen onmogelijk wordt.
Artikel 4.1070 (lucht: meetmethoden bij stuifgevoelige goederen)
Deze bepaling geeft aan welke norm gehanteerd wordt voor het meten van de emissiegrenswaarde. De versies van de NEN-normen die gehanteerd moeten worden, zijn vastgesteld bij ministeriële regeling.
Artikel 4.1071 (lucht: meetplicht en uitzondering meetplicht bij stuifgevoelige goederen)
Aan de emissiegrenswaarde in artikel 4.1067 wordt in ieder geval voldaan als bij het opslaan, overslaan en mengen van goederen ingedeeld in stuifklasse S1 tot en met S5 de maatregelen in de artikelen 4.1068 en 4.1069 worden toegepast. Bij het pneumatisch transport van goederen ingedeeld in stuifklasse S1 tot en met S5 wordt eveneens aan de emissiegrenswaarde voor totaal stof als bedoeld in artikel 4.1067 voldaan als de maatregelen bedoeld in de artikelen 4.1068 en 4.1069 worden toegepast. Een bedrijf hoeft alleen te meten als ze een andere maatregel wil toepassen, om aan te tonen dat ook in dat geval aan de emissiegrenswaarde wordt voldaan.
Artikel 4.1072 (lucht: eenmalige meting bij stuifgevoelige goederen)
Een eenmalige meting bestaat standaard uit drie deelmetingen (of monsternemingen) onder procescondities die representatief zijn voor een normale bedrijfsvoering. Voordat het bevoegd gezag de eenmalige meting aan de emissiegrenswaarde toetst, moet het 95% betrouwbaarheidsinterval van het meetresultaat worden afgetrokken. Het 95% betrouwbaarheidsinterval is een indicatie voor de meetonzekerheid. Het geeft aan dat als deze meting 100 maal wordt herhaald, de gemeten waarde 95 maal binnen het aangegeven interval zal liggen. Het meetresultaat wordt dus ten gunste van het bedrijf gecorrigeerd voor de meetonzekerheid. Als het resultaat van de meting, verminderd met het 95% betrouwbaarheidsinterval, de emissiegrenswaarde niet te boven gaat, is aan de emissiegrenswaarde voldaan.
In zijn algemeenheid geldt dat de meetonzekerheid niet groter hoeft te zijn dan 40% van de gestelde emissiegrenswaarde. Voor componenten waarvoor goede meetmethoden beschikbaar zijn, is de meetonzekerheid in het algemeen ruim onder 20%.
Artikel 4.1073 (lucht: afvoeren emissies bij het opslaan, overslaan en mengen van stuifgevoelige goederen)
Om overlast van emissies bij het opslaan, overslaan en mengen van struifgevoelige goederen te voorkomen of te beperken is de wijze waarop de afvoer van de emissies in de lucht plaatsvindt van belang. Het emissiepunt kan op of naast een gebouw of bouwwerk zijn gelegen, of een (vrijstaande) schoorsteen betreffen. Bij gekanaliseerde emissiepunten kan de uitmonding van het emissiepunt ook nog verschillen. De uitmonding kan naar boven gericht (verticaal) zijn of naar opzij gericht zijn (horizontaal). Voor een zo goed mogelijke verspreiding heeft een naar boven gerichte uitmonding de voorkeur. Daarom is een bovendaks gesitueerde en omhooggerichte afvoer van emissies voorgeschreven.