Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/6.3
6.3 Ratio
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291060:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Toelichting op art. 5 lid 1 Voorstel voor een zesde richtlijn, V-N 1973/18A, p. 752-753.
Wordt het argument van de Europese Commissie consequent doorgetrokken, dan zou dit betekenen dat de levering van een onbebouwd terrein altijd belast zou moeten zijn, omdat bij de levering van een nieuw gebouw niet alleen btw verschuldigd is over het deel van de vergoeding dat toerekenbaar is aan het bouwrijp maken van de grond, maar ook over de grondcomponent. Naar mijn mening miskent de Europese Commissie met dit argument dat onbebouwde (bouw)terreinen en bebouwde terreinen geen soortgelijke goederen zijn (HvJ EU 4 september 2019, zaak C-71/18, V-N 2019/46.12, r.o. 59 (KPC Herning)). De concurrentieneutraliteit vereist daarom niet dat als de levering van een nieuw gebouw belast is, ook de levering van een onbebouwd, bouwrijp gemaakt terrein belast moet zijn.
M. van der Wulp, ‘Bouwbestemming als toegevoegde waarde?’, BtwBrief 2016/107.
Arthur Andersen, Study on the application of Value Added Tax to the property sector, nr. XXI/96/CB-3021, p. 12 en R. Millar, ‘VAT and Immovable Property: Full Taxation Models and the Treatment of Capital Gains on Owner-Occupied Residences’, in: R. de la Feria (ed.), VAT Exemptions. Consequences and Design Alternatives, Alphen aan den Rijn: Kluwer Law International 2013, p. 302.
E. Bours, Rapport inzake de toepassing van de BTW op transacties in onroerende goederen binnen de Gemeenschap, Europese Commissie: Brussel 1971, p. 99.
Vgl. HvJ EG 28 maart 1996, zaak C-468/93, FED 1996/690, m.nt. Geradts, r.o. 24 (Gemeente Emmen).
Vgl. conclusie A-G Bobek 19 maart 2019, nr. 71/18, ECLI:EU:C:2019:226, punten 61-64 (KPC Herning).
In de toelichting art. 5 lid 1 Voorstel voor een zesde richtlijn legt de Europese Commissie er ten aanzien van de concurrentieneutraliteit de nadruk op dat bij de levering van een nieuw gebouw ook btw wordt geheven over de vergoeding voor het bouwrijp maken van de grond, terwijl uit de conclusie van A-G Bobek is af te leiden dat de concurrentieneutraliteit vereist dat onbebouwde terreinen die (materieel) soortgelijk zijn dezelfde btw-behandeling moeten krijgen. Een tweede verschil is dat A-G Bobek alleen ingaat op de concurrentieneutraliteit, terwijl de Europese Commissie er ook op heeft gewezen dat het in de btw-heffing betrekken van een bouwrijp gemaakt terrein een verstoring van de inwendige neutraliteit voorkomt indien dit terrein wordt geleverd aan een aftrekgerechtigde belastingplichtige.
Op grond van het rechtskarakter van de btw en het beginsel van de fiscale neutraliteit zou het wenselijk zijn om de btw-heffing bij de levering van onbebouwde terreinen te beperken tot bouwrijp gemaakte terreinen (C. Amand, G. Schellman en R. Vermeulen, ‘Immovable Property and VAT Lessons from Past Experience’, International VAT Monitor September/October 2005, p. 334 en M. van der Wulp, ‘Bouwbestemming als toegevoegde waarde?’, BtwBrief 2016/107).
In de toelichting op art. 5 lid 1 Voorstel voor een zesde richtlijn heeft de Europese Commissie toegelicht waarom zij het noodzakelijk achtte om de levering van bouwterreinen te belasten. Hoewel volgens de Europese Commissie grond niet als zodanig kan worden geproduceerd, kan grond wel het voorwerp uitmaken van economische productiehandelingen die aan de grond waarde toevoegen. Een bouwrijp gemaakt terrein heeft meer waarde dan een braakliggend terrein en die meerwaarde vindt zijn oorzaak in de economische bedrijvigheid (lees: het bouwrijp maken van het terrein). Bij de verkoop van een bouwrijp gemaakt terrein wordt geen onderscheid gemaakt tussen de prijs van de maagdelijke grond en de prijs van de hierin begrepen arbeid om dit terrein bouwrijp te maken. Indien de levering van onbebouwde terreinen wordt vrijgesteld, dan blijft bij een levering aan een particulier ook de waarde van de arbeid die aan deze terreinen kan zijn verricht onbelast, terwijl bij de levering van een onbebouwd terrein aan een aftrekgerechtigde belastingplichtige cumulatie op kan treden indien aan dit terrein arbeid is verricht. Bovendien achtte de Europese Commissie het onderscheid tussen bouwrijp gemaakte terreinen en bebouwde terreinen volkomen kunstmatig, omdat in beide gevallen een zekere hoeveelheid arbeid onverbrekelijk met de grond verbonden is. De terreinen blijken uiteindelijk ‘grondstof’ te zijn voor een economische bedrijvigheid. Hoewel de terreinen in strikte zin niet worden verbruikt, dienen zij ofwel ter bevrediging van de behoeften van particulieren (consumptiegoederen) of dienen zij ten behoeve van belastingplichtigen (productiegoederen).1
Uit deze toelichting volgt dat de Europese Commissie de btw-heffing over de levering van bouwterreinen in de eerste plaats wenselijk achtte op grond van het rechtskarakter van de btw. Het belasten van bouwterreinen voorkomt namelijk dat op het eindverbruik van de door belastingplichtigen aan het terrein verrichte (productie)werkzaamheden geen btw drukt. In de tweede plaats achtte de Europese Commissie het belasten van de levering van bouwterrein wenselijk op grond van het beginsel van de fiscale neutraliteit. Het belasten van de levering van bouwterreinen voorkomt cumulatie indien een terrein waaraan door of in opdracht van de leverancier werkzaamheden zijn verricht wordt geleverd aan een aftrekgerechtigde belastingplichtige. Hiermee wordt recht gedaan aan de inwendige fiscale neutraliteit. Daarnaast doet het in de btw-heffing betrekken van bouwterrein volgens de Europese Commissie ook recht aan de concurrentieneutraliteit, omdat de btw-heffing ter zake van de levering van een nieuw gebouw en van het bijbehorend terrein ook het deel van de vergoeding voor het bouwrijp maken van het terrein omvat.2 Het is overigens opmerkelijk dat de Europese Commissie een rechtvaardiging geeft voor het belasten van de levering van bouwterreinen. Een rechtvaardiging voor de vrijstelling voor de levering van niet-bouwterreinen ligt meer in de rede. Het vrijstellen van een belastbare levering is immers de uitzondering op de regel dat een belastbare levering aan btw-heffing is onderworpen. Het is niet ondenkbaar dat het geven van een rechtvaardiging voor het in de btw-heffing betrekken van bouwrijp gemaakte terreinen verband houdt met het feit dat onbebouwde terreinen een vreemde eend in de ‘btw-bijt’ zijn. Onbebouwde terreinen zijn immers – behoudens zeer uitzonderlijke gevallen, zoals de Palmeilanden van Dubai en de Flevo- en Noordoostpolder in Nederland – geen resultaat van productie maar een natuurlijk gegeven.3 Omdat op grond van het rechtskarakter van de btw uitsluitend het eindverbruik van door belastingplichtigen geproduceerde goederen moet worden belast (zie paragraaf 2.4.1.4), is er in beginsel geen reden om de levering van onbebouwde terreinen in de btw-heffing te betrekken.4 Hoe dan ook, uit de toelichting is impliciet af te leiden dat de Europese Commissie (net als Bours5) van mening was dat de rechtvaardiging voor de vrijstelling voor de levering van onbebouwde niet-bouwterreinen is gelegen in het ontbreken van handelingen van belastingplichtigen die aan het onbebouwde terrein waarde hebben toegevoegd.
Zoals uit paragraaf 6.2 volgt, hebben de lidstaten het voorgestelde en gewijzigde art. 4 lid 3, onderdeel c Voorstel voor een zesde richtlijn niet overgenomen. In plaats daarvan is gekozen voor het compromis dat als bouwterrein wordt beschouwd: de door de lidstaten omschreven als zodanig omschreven al dan niet bouwrijp gemaakte terreinen. Uit art. 12 lid 3 Btw-richtlijn volgt dat het ontbreken van handelingen van belastingplichtigen die aan het onbebouwde terrein waarde hebben toegevoegd niet in de weg hoeft te staan aan de kwalificatie van een onbebouwd terrein als een bouwterrein.6 Ook het Hof van Justitie gaat hiervan uit (zie paragraaf 6.5.1). In de richtlijnhistorie en de jurisprudentie van het Hof van Justitie heb ik geen rechtvaardiging kunnen vinden voor het onderscheid van onbebouwde, niet-bouwrijp gemaakte terreinen (lees: maagdelijke terreinen) die wel en maagdelijke terreinen die niet bestemd zijn om te worden bebouwd. Sterker nog, uit de conclusie van A-G Bobek in de zaak KPC Herning leid ik af, dat hij het in de btw-heffing betrekken van een maagdelijk terrein louter vanwege de bestemming om in de toekomst door of voor rekening van de koper te worden bebouwd moeilijk te rechtvaardigen acht op grond van het rechtskarakter van de btw en het beginsel van de fiscale neutraliteit. Dit terrein is immers geen voorwerp geweest van productiehandelingen waarvan het eindverbruik belast dient te worden. Daarnaast heeft het beslissend achten van het bebouwingsvoornemen van de koper na de levering, ongeacht hoe het terrein er materieel uitziet, tot gevolg dat de levering van (materieel) soortgelijke onbebouwde terreinen een verschillende btw-behandeling krijgen.7 Deze bezwaren tegen het beslissend achten van de bouwbestemming van een onbebouwd terrein komen deels overeen met de in de toelichting op art. 5 lid 1 Voorstel voor een zesde richtlijn gegeven argumenten die ervoor pleiten alleen onbebouwde, bouwrijp gemaakte terreinen in de btw-heffing te betrekken.8 Het Hof van Justitie heeft zich tot op heden niet gewaagd aan het formuleren van de ratio legis van de vrijstelling art. 135 lid 1, onderdeel k Btw-richtlijn. Naar mijn mening doet het Hof er verstandig aan om dit zo te laten. Uit art. 12 lid 3 Btw-richtlijn volgt immers dat de levering van maagdelijke terreinen door de lidstaat aangemerkt kan worden als een bouwterrein. Die mogelijkheid is niet in art. 12 lid 3 Btw-richtlijn terechtgekomen omdat hiervoor steun te vinden is in het rechtskarakter van de btw en het beginsel van de fiscale neutraliteit. Integendeel, deze mogelijkheid bestaat ondanks de (uit de richtlijnhistorie blijkende) bezwaren hiertegen op grond van het rechtskarakter van de btw en het beginsel van de fiscale neutraliteit.9 Blijkens de richtlijnhistorie is de enige ‘rechtvaardiging’ voor deze mogelijkheid dat het een compromis is waarmee iedere lidstaat kon leven.