De geschillenregeling ten gronde
Einde inhoudsopgave
De geschillenregeling ten gronde (VDHI nr. 108) 2011/IV.7:IV.7 Synthese
De geschillenregeling ten gronde (VDHI nr. 108) 2011/IV.7
IV.7 Synthese
Documentgegevens:
prof.mr. C.D.J. Bulten, datum 28-04-2011
- Datum
28-04-2011
- Auteur
prof.mr. C.D.J. Bulten
- JCDI
JCDI:ADS376167:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Aldus ook Kamerstukken 31 058, nr. 3 (MvT), p. 99.
Over een geldigheid van een forumkeuzeclausule in de statuten van een vennootschap: HvJ EG 10 maart 1992, NJ 1996, 279 (Powell Duffryn/Petereit).
De vennootschap mist deze bevoegdheid thans, zie uitdrukkelijk HR 1 februari 2002, NJ 2002, 225 (De Vries Robbé). Zie het consultatiedocument voorontwerp aanpassing enquêterecht op www.minjus.nl.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De geschillenregeling ziet primair op de positie van de aandeelhouders en de overdracht van de aandelen van één van hen. Bij de procedure zijn echter diverse anderen betrokken.
Niet iedere aandeelhouder is bevoegd de uitstotingsvordering in te stellen. Art. 2:336 lid 1 BW vereist dat hij minimaal een derde van het geplaatste kapitaal moet verschaffen, wil hij ontvankelijk zijn. Deze grens is enigszins uit de lucht gegrepen. Het is onduidelijk waarom voor dit kapitaalsvereiste is gekozen. Andere in de wet opgenomen bevoegdheden voor een minderheidsaandeelhouder met een bepaald belang sluiten aan bij tien procent van het geplaatste kapitaal. Zo kan een aandeelhouder die een tiende in handen heeft, een enquêteprocedure starten. Vanwege de grote verwantschap tussen deze procedure en de geschillenregeling, stel ik voor de vordering van art. 2:336 lid 1 BW ook toe te kennen aan een aandeelhouder die tien procent bezit. Boek 2 BW wordt zo meer uniform en het `woud aan minimumgrenzen' vermindert. Overigens geldt dat de uit te stoten gedaagde zijn convertibles niet hoeft over te dragen. Dit brengt mee dat hij zich — na de conversie — weer kan manifesteren als aandeelhouder en de verstoorde verhoudingen kunnen herleven. Ik pleit voor aanpassing van de uitstotingsprocedure op dit punt.
Voor de uittreding geldt dat iedere aandeelhouder de vordering kan instellen. Juist de beknelde minderheidsaandeelhouder, zelfs al heeft hij maar één aandeel, kan met de procedure van art. 2:343 BW een einde maken aan zijn ongelukkige positie.
Er rijzen vraagtekens rond de bevoegdheid van de rechter indien de gedaagde aandeelhouder niet in Nederland woont of zijn zetel heeft. Competentiekwesties en ipr-problemen doemen op. Heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht? Om de mogelijke jurisdictiegeschillen te vermijden, pleit ik voor toepassing van de exclusieve bevoegdheidsbepaling van art. 22 sub 2 EEX-Vo. Het gerecht van de plaats van vestiging van de vennootschap waarin de aandelen worden gehouden, is dan bevoegd om van de vordering kennis te nemen. Deze rechterlijke instantie is dezelfde als de door de geschillenregeling in art. 2:336 lid 3 BW aangewezen rechter. Het nationale materiële recht en de rechterlijke bevoegdheid lopen zo mooi in de pas. Er is sprake van `Gleichlaur.
De reikwijdte van art. 22 sub 2 EEX-Vo is tot op heden niet geheel helder. De vraag of de geschillenregeling onder de in art. 22 sub 2 EEX-Vo genoemde onderwerpen valt, beantwoord ik op grond van de weergegeven argumenten positief. Zekerheid is er echter, zolang het Hof van Justitie EU geen duidelijkheid verschaft, nog niet. Het is derhalve raadzaam een forumkeuze in de statuten van de NV of BV waar de aandelen in worden gehouden, op te nemen.1 Zolang niet duidelijk is of art. 22 sub 2 EEX-Vo geldt, is de statutair aangewezen rechter ingevolge art. 23 EEX-Vo bevoegd, ook indien de gedaagde aandeelhouder zijn woonplaats in het buitenland heft.2
De vennootschap neemt in een geschillenregelingprocedures een bijzondere plaats in. Zij heeft een bijrol. De rechter kan haar veroordelen in de kosten van het deskundigenbericht, tegen welke beslissing zij mag opkomen. Daarnaast fungeert de vennootschap ex art. 997a Rv als doorgeefluik voor de aandeelhouders die niet in de procedure zijn betrokken. Tot slot kan zij een rol spelen bij de levering en de betaling van de over te dragen aandelen, indien de oorspronkelijke veroordeelden in gebreke blijven.
Bij de uitstotingsvordering staat de inbreuk op het belang van de vennootschap door het gedrag van een aandeelhouder ter beoordeling, maar de procedure wordt `over het hoofd van de rechtspersoon' gevoerd. De vennootschap kan uitdrukkelijk niet zelf de vordering instellen, zie lid 2 van art. 2:336 BW. De gedachte is dat zij geen hinder ondervindt van de gedragingen van de aandeelhouder, omdat aan de door haar gehouden aandelen ingevolge art. 2:24d BW geen stemrecht is verbonden. Deze reden overtuigt mij niet. Indien de norm voor uitstoting net zodanig schaden van het vennootschappelijk belang') niet wordt gewijzigd, zie ik niet goed waarom de vennootschap een zich misdragende aandeelhouder niet zou mogen uitstoten. De oplossing moet volgens mij liggen in de toekenning van de bevoegdheid aan de rechtspersoon een enquêteverzoek in te dienen. In een consultatiedocument voor een nieuwe regeling van het enquêterecht is hierin voorzien, maar dit ontwerp ligt nog op de tekentafel van het ministerie van Justitie.3
De uittredingsvordering (art. 2:343 BW) kan niet tegen de vennootschap worden ingesteld. Met de komst van de Flex-BV wijzigt dit. De vennootschap kan als gedaagde en overnemende partij in de uittredingsprocedure worden gedagvaard. De inkoopbepalingen van art. 2:98 (NV) en 2:207 BW (BV) moeten wel grotendeels in acht worden genomen. De vennootschap mag niet insolvabel worden door de gedwongen verkrijging van eigen aandelen. De wettekst van art. 343 lid 1 Wv FlexBV is echter onduidelijk en de wetsgeschiedenis geeft aanleiding tot vragen. Voor de NV geldt in ieder geval dat een machtiging van de aandeelhoudersvergadering (art. 2:98 lid 4 BW) niet is vereist. Of een uitsluiting of beperking van inkoop in de statuten de uittreding doorkruist, staat niet vast. Volgens mij is het zo dat een rechterlijk uittredingsvonnis een dergelijke bepaling in de statuten doorbreekt. Dit regime zou ook bij de Wv Flex-BV moeten gelden, maar lid 4 van art. 207 Wv FlexBV geldt helaas onverkort in de uittredingsprocedure. De aansprakelijkheid van de bestuurders (en de vervreemder), neergelegd in art. 207 lid 3 Wv Flex-BV is logischerwijze niet van toepassing. Hun afweging is bij een gedwongen inkoop niet aan de orde, het is de rechter die beslist.
De rechter toetst de fmanciële situatie van de vennootschap aan de in art. 2:98 lid 2 en 3 BW (NV) en art. 207 lid 2 Wv Flex-BV neergelegde vereisten voor het vermogen. Zou de vennootschap door deze minimumgrenzen zakken door het bevel tot inkoop, dan mag hij de vordering niet toewijzen. De eisende aandeelhouder moet dan (alsnog) de medeaandeelhouders dagvaarden. De verhouding tussen de uittredingsvordering tegen de vennootschap en de inkooprestricties behoort geregeld te worden in een apart artikellid. Mijn voorstel is de volgende bepaling in art. 343 Wv Flex-BV op te nemen:
(lid 5)
De rechter wijst de vordering jegens de vennootschap niet toe, indien artikel 98 en 207 verkrijging van de aandelen door de vennootschap in de weg staan. Lid 4 van artikel 98 en leden 3 en 4 van artikel 207 blijven hierbij buiten toepassing. De statutenwijziging die na het instellen van de vordering tot stand is gebracht en nadelig is voor de eiser, blijft ook buiten toepassing.
De stemgerechtigde vruchtgebruiker en de pandhouder kan met de derde vordering van de geschillenregeling (art. 2:342 BW) het stemrecht worden ontnomen. Deze vordering tot gedwongen overdracht van stemrecht is in de praktijk van weinig tot geen belang gebleken. Procedures op grond van art. 2:342 BW zijn tot op heden niet gevoerd. Ik pleit mede daarom voor afschaffmg van de procedure.
Tot slot zijn er naast de aandeelhouders en de vennootschap nog 'overige betrokkenen'. De eerste groep bestaat uit de aandeelhouder ten titel van beheer en de certificaathouder. Het uitgangspunt is dat certificering de toepassing van de geschillenregeling niet onmogelijk mag maken. De huidige regeling van de positie van het administratiekantoor en de certificaathouder is echter verre van eenvoudig.
Om de situatie van de aandeelhouder ten titel van beheer en de certificaathouder overzichtelijker te maken dan nu het geval is, stel ik voor hun positie in een apart wetsartikel te verduidelijken. De laatste zin van art. 2:336 lid 2 BW kan worden geschrapt. Ook lid 6 van art. 2:341 BW en art. 2:343 lid 8 BW mogen verdwijnen. De door mij voorgestelde wijzigingen monden uit in een volgend artikel:
(De certificaathouder)
(i) De (bewilligde) certificaathouder is bevoegd de uitstotingsvordering van artikel 336 in te stellen indien hij certificaten houdt die ten minste een derde van het geplaatste kapitaal vertegenwoordigen. Indien de (bewilligde) certificaathouder gezamenlijk met een aandeelhouder of een andere (bewilligde) certificaathouder aandelen of certificaten houdt die tezamen ten minste een derde van het geplaatste kapitaal vertegenwoordigen, is hij eveneens bevoegd de uitstotingsvordering in te stellen.
(ii) De (bewilligde) certificaathouder die door gedragingen van een aandeelhouder zodanig in zijn rechten of belangen wordt geschaad dat het voortduren van zijn certificaathouderschap in redelijkheid niet meer van hem kan worden gevergd, kan van die aandeelhouder in rechte vorderen dat zijn certificaten overeenkomstig artikel 343 worden overgenomen.
(iii) Zijn de aandelen (met medewerking van de vennootschap) gecertificeerd, dan bepaalt de rechter de gevolgen van de door hem bevolen overdracht van de aandelen.
De resterende betrokkenen vormen het rariteitenkabinet van de geschillenregeling. De pandhouder die een pandrecht op de aandelen toekomt en de vruchtgebruiker vallen onder de eerste categorie. De aandelen waarop hun beperkte recht rust,
kunnen voorwerp van overdracht worden. De gevolgen zijn dan voor deze beperkt gerechtigden niet altijd even prettig, maar ook niet onoverkomelijk. De in de literatuur bepleitte versterking of aanpassing van hun positie vind ik niet nodig. Het beperkt recht heeft zaaksgevolg en dat is voor de bescherming van hun belang bij de uitstoting of uittreding afdoende.
De laatste categorie betreft de ondernemingsraden. De ondernemingsraad van de eisende aandeelhouder in een uitstotingsprocedure heeft mogelijk ex art. 25 lid 1 sub b WOR een adviesrecht indien een andere onderneming (die van de vennootschap van art. 2:335 BW) wordt overgenomen. Voor de uittreding geldt wellicht hetzelfde, omdat het dan om het afstoten van zeggenschap gaat. Dit is een theoretische discussie, omdat in de praktijk een probleem met de ondernemingsraad zich tot nu toe nog nooit heeft voorgedaan.