In de tenlastelegging staat eigenlijk: “en/of spullen heeft weggenomen”. Het hof heeft dit verbeterd gelezen in: “door daarvan voorwerpen weg te nemen”, nu, aldus het hof, de verdachte door deze verbeterde lezing niet in zijn verdediging is geschaad.
HR, 04-07-2017, nr. 15/04944
ECLI:NL:HR:2017:1224
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
04-07-2017
- Zaaknummer
15/04944
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2017:1224, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 04‑07‑2017; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:586, Gevolgd
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2015:4161, Bekrachtiging/bevestiging
ECLI:NL:PHR:2017:586, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 23‑05‑2017
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2017:1224, Gevolgd
Beroepschrift, Hoge Raad, 17‑05‑2016
- Wetingang
art. 149 Wetboek van Strafrecht
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2017-0328
NbSr 2017/313
Uitspraak 04‑07‑2017
Inhoudsindicatie
Grafschennis, art. 149 Sr. Begrip “graf”. Opzet. Levert het afknippen van (onder meer) kunstbloemen grafschennis op? Het oordeel van het hof dat onder graf mede moet worden verstaan de bij een graf behorende, al dan niet onlosmakelijke daarop of daaraan, ter nagedachtenis aan de overledene, aangebrachte eerbetonen en versieringen getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. Mede gelet op de wet en de wetgeschiedenis moet worden aangenomen dat de bepaling in het bijzonder strekt tot bescherming van de jegens een graf verschuldigde eerbied. Het oordeel van het hof dat verdachte door zijn gedragingen op zijn minst bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij daardoor de nagedachtenis van de overledene of van het piëteitsgevoel zijner betrekkingen zou krenken en daardoor (ten minste in voorwaardelijke zin) opzettelijk het graf heeft geschonden is onjuist noch onbegrijpelijk.
Partij(en)
4 juli 2017
Strafkamer
nr. S 15/04944
NA/SG
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 16 oktober 2015, nummer 20/003553-14, in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1954.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J.L.E. Marchal, advocaat te Maastricht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van het middel
2.1.
Het middel klaagt over het oordeel van het Hof dat te dezen sprake is van opzettelijke grafschennis als bedoeld in art. 149 Sr.
2.2.1.
Overeenkomstig de tenlastelegging is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
"hij op 30 juni 2014, in de gemeente Weert, opzettelijk een graf, aan de Molenpoort, heeft geschonden."
2.2.2.
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
"1. Het ambtsedig proces-verbaal van Politie Eenheid Limburg, District Midden-Limburg, Basiseenheid Weert/Nederweert, nr. PL2300-2014061745-1, d.d. 16 juli 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant], agent van politie (p. 3-4 van het proces-verbaal met registratienr. PL2300-2014061745), voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als verklaring van [betrokkene 1]:
Pleegdatum/tijd: tussen 1 maart 2013 en 12 juli 2014.
Ik doe aangifte van vernielingen aan het graf van mijn man. Mijn man is op 1 maart 2013 begraven op het kerkhof aan de Molenpoort in Weert. De vernielingen zijn ongeveer een maand na de begrafenis begonnen. Er zijn onder meer kunstbloemen afgeknipt. Op een gegeven moment waren wij het zat en is er een camera geplaatst. Op de beelden is te zien dat een mannelijk persoon van rond de 60 jaar naar het graf van mijn man loopt en dit vernielt. Ik herken deze man niet, mijn dochter [betrokkene 2] mogelijk wel.
2. Het ambtsedig proces-verbaal van Politie Eenheid Limburg, District Midden-Limburg, Basiseenheid Weert/Nederweert, nr. PL2300-2014061745-2, d.d. 16 juli 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant], agent van politie (p. 5 van het proces-verbaal met registratienr. PL2300-2014061745), voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als verklaring van [betrokkene 2]:
Ik heb de camerabeelden naar aanleiding van de vernielingen aan en op het graf van mijn vader bekeken. Ik herken de man mogelijk als zijnde [verdachte]. Ik herken hem aan zijn gezicht, bril, haardracht en uitdrukking. [verdachte] is werkzaam voor de belastingdienst in Roermond en Maastricht. Mijn vader heeft een conflict met hem gehad over een belastingschuld.
3. Het ambtsedig proces-verbaal van Politie Eenheid Limburg, District Midden-Limburg, Basiseenheid Weert/Nederweert, nr. PL2300-201406i745-3, d.d. 18 juli 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant], agent van politie (p. 8-10 van het proces-verbaal met registratienr. PL23 00-2014061745), voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als verklaring van de verdachte:
Ik ben hier naar aanleiding van een vernieling. Ik ben erop geattendeerd dat er een filmpje op internet circuleerde waarop ik te zien ben.
Ik ben werkzaam bij de Belastingdienst. Ik ben enkele jaren geleden betrokken geweest bij de belastingheffingen van de familie [van betrokkenen].
Op 30 juni 2014 ben ik naar het kerkhof, gelegen aan de Molenpoort in Weert, gegaan. Ik liep langs het graf waar [betrokkene 3] begraven ligt. Ik las de teksten op het graf en bekeek de versiering. De kunstbloemen op het graf stonden in vazen.
Ik trok aan een stengel van één van de bloemen.
Ik heb vervolgens de bloem van de stengel afgetrokken. Ik heb dit nogmaals herhaald bij een andere bloem."
2.2.3.
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte aldaar het woord gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal gehechte pleitnota. Deze pleitnota houdt, voor zover in cassatie van belang, in:
"Voorts moet worden vastgesteld dat het element "opzettelijk" in artikel 149 Sr voorafgaand aan het element "schenden" en dat betekent volgens vaste jurisprudentie dat de opzet dan ook gericht moet zijn op dat schenden derhalve op de baldadigheid en op het krenken van de nagedachtenis van de overledene of het krenken van de piëteitsgevoel van zijn betrekkingen.
In de onderhavige zaak van [verdachte] kan van een opzettelijk schenden in die zin geen sprake zijn.
[verdachte] heeft al eerder verklaard dat de enige reden waarom hij twee bloemknoppen heeft afgetrokken en meegenomen, is geweest dat hij thuis, onder andere ter vergelijking op internet, de kosten daarvan wilde achterhalen of daar inzicht in krijgen. Men kan dit te verregaand noemen. Men kan het beroepsdeformatie noemen. Maar men kan het in ieder geval niet noemen het opzettelijk schenden of krenken van de nagedachtenis of van het piëteitsgevoel van de nabestaanden.
Er is dus geen sprake van schenden in de zin van de wet.
Evenmin is er sprake van opzet op schenden in de zin van de wet.
Reden voor zijn handelen heeft [verdachte] reeds aangegeven.
Bij dit alles komt ook dat ook de uiterlijke verschijningsvorm van het handelen van [verdachte] absoluut niet de verschijningsvorm heeft van het opzettelijk krenken van de nagedachtenis van de overledene of van het piëteitsgevoel van zijn betrekkingen.
In dat verband is significant dat eerst geruime tijd later, aan de hand van - kennelijke - camerabeelden ontdekt is dat er iets gebeurde met betrekking tot de bloemen die op het graf stonden.
Dat betekent ook dat geruime tijd lang op zichzelf niets te zien was van het feit dat er twee bloemknoppen uit twee bloemenbossen verwijderd waren.
Ook uit dit gegeven kan en moet worden afgeleid en geconcludeerd dat het verwijderen van twee bloemknoppen, dat geruime tijd niet is opgevallen, niet de bedoeling heeft gehad om nagedachtenis of het piëteitsgevoel te krenken.
Het ligt immers voor de hand dat iemand die de nagedachtenis of het piëteitsgevoel zou willen krenken, dat heel zichtbaar zou doen."
2.2.4.
Het Hof heeft dienaangaande het volgende overwogen en beslist:
"Met betrekking tot het gebeuren op 30 juni 2014 heeft het volgende te gelden. De verdachte heeft bij zijn verhoor door de politie op 18 juli 2014, alsmede ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep, erkend dat hij op de ten laste gelegde dag
twee kunstbloemen, die deel uitmaakten van een grote bos die zich op het onderhavige graf bevond, van hun steel heeft afgetrokken. Op een ter terechtzitting in hoger beroep getoond filmfragment, afkomstig van de website 'Youtube', is te zien (...), dat de verdachte om zich heen kijkt, zich vervolgens bukt, zijn armen tussen een bos bloemen steekt en vervolgens een op het oog knippende beweging maakt.
Uit de inhoud van het procesdossier kan worden opgemaakt dat het hier gaat om kunstbloemen die zich bevonden in aan het grafmonument vastgelijmde granieten vazen. Thans ligt de vraag voor of vorenomschreven handelen kan worden bestempeld als het opzettelijk schenden van een graf, althans als het opzettelijk en wederrechtelijk vernielen of beschadigen van enig op een begraafplaats opgericht gedenkteken.
Blijkens de wetsgeschiedenis moet het delict 'grafschennis' als bedoeld in artikel 149 Wetboek van Strafrecht in het bijzonder worden gezien als een delict ter bescherming van de piëteit. Onder het woord 'graf' in de zin van artikel 149 van het Wetboek van Strafrecht zal dan ook moeten worden verstaan: 'een plaats waar een lijk begraven ligt', waaronder mede dienen te worden begrepen al die onderdelen van het graf waarmee de piëteit van de rustplaats van de overledene tot uitdrukking wordt gebracht. Het ligt daarom voor de hand om onder het woord 'graf' in voormelde betekenis mede te verstaan de plaats waar de lijkkist met daarin het lijk begraven ligt, de aarde rondom die lijkkist, de lijkkist op zich, de grafsteen c.q. het grafmonument op het graf, alsmede de daarbij behorende, al dan niet onlosmakelijk daarop of daaraan, ter nagedachtenis aan de overledene, aangebrachte eerbetonen en versieringen zoals beelden, foto's, planten en bloemen. Met betrekking tot dat laatste begrip is van geen enkel belang de vraag of het gaat om natuurlijke bloemen of kunstbloemen. Op het graf aangebrachte rouwbloemen zijn per definitie een uiting van liefde en respect voor de overledene en zijn ook tekens van medeleven en deelneming.
Onder 'schenden' in de zin van artikel 149 van het Wetboek van Strafrecht moet blijkens de bestaande jurisprudentie worden verstaan: het schenden van de integriteit van het graf. Gelet op voormelde wetsgeschiedenis lijkt bij de beoordeling of daarvan sprake is, in het bijzonder van belang te zijn de beantwoording van de vraag of sprake is van opzettelijke krenking van de nagedachtenis van de overledene en/of van het piëteitsgevoel zijner betrekkingen.
De verdachte heeft zowel bij zijn verhoor in het kader van het opsporingsonderzoek als ter terechtzitting met betrekking tot de reden waarom hij voormelde kunstbloemen van het onderhavige graf heeft verwijderd, verklaard -zakelijk weergegeven- (onder meer) dat hij de bloemen mee naar huis wilde nemen om, via internet, een idee te krijgen over de prijs daarvan om op die manier een indicatie te krijgen van het inkomen van de betrokkenen.
In redelijkheid kan aan deze verklaring van de verdachte geen enkel geloof worden gehecht. Op geen enkele wijze valt immers in te zien hoe aan de hand van de prijs van een -gelet op de inhoud van de vordering van de benadeelde partij dienaangaande niet erg kostbaar- boeket kunstbloemen als de onderhavige een idee kan worden verkregen van de hoogte van het inkomen van één of meer bij de overledene betrokken personen, noch daargelaten de vraag of bij de verdachte enige duidelijkheid kon bestaan omtrent de vraag van wie het betreffende boeket afkomstig was.
Door onder voormelde omstandigheden opzettelijk kunstbloemen van het onderhavige graf te verwijderen heeft de verdachte op zijn minst bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij daardoor de nagedachtenis van de overledene of van het piëteitsgevoel zijner betrekkingen zou krenken.
Op grond van het vorenstaande is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte (ten minste in voorwaardelijke zin) opzettelijk het onderhavige graf heeft geschonden.
Bijgevolg wordt het verweer verworpen."
2.3.1.
De tenlastelegging is toegesneden op art. 149 Sr. Deze bepaling luidt:
"Hij die opzettelijk een graf schendt of enig op een begraafplaats opgericht gedenkteken opzettelijk en wederrechtelijk vernielt of beschadigt, wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie."
2.3.2.
Mede gelet op de plaatsing van art. 149 in Titel V (Misdrijven tegen de openbare orde) van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht alsmede de in de conclusie van de Advocaat-Generaal sub 14 vermelde geschiedenis van de totstandkoming van het artikel, moet worden aangenomen dat deze bepaling in het bijzonder strekt tot bescherming van de jegens een graf verschuldigde eerbied.
2.4.1.
Het Hof heeft geoordeeld dat onder het bestanddeel 'graf' mede moeten worden begrepen de bij een graf behorende, al dan niet onlosmakelijk daarop of daaraan, ter nagedachtenis aan de overledene, aangebrachte eerbetonen en versieringen zoals beelden, foto's, planten en bloemen. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting.
2.4.2.
Het Hof heeft vastgesteld dat de verdachte twee kunstbloemen die zich in een vaas op het onderhavige graf bevonden, van hun steel heeft getrokken. Het Hof heeft de door de verdachte voor die gedraging gegeven verklaring ongeloofwaardig geacht en geoordeeld dat de verdachte, door de bloemen aldus van het graf te verwijderen, op zijn minst bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij daardoor de nagedachtenis van de overledene of van het piëteitsgevoel zijner betrekkingen zou krenken en daardoor (ten minste in voorwaardelijke zin) opzettelijk het onderhavige graf heeft geschonden. Dat oordeel geeft niet blijk van miskenning van hetgeen hiervoor onder 2.3.2 is vooropgesteld en het is evenmin onbegrijpelijk.
2.5.
Het middel faalt.
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en E.F. Faase, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 juli 2017.
Conclusie 23‑05‑2017
Inhoudsindicatie
Grafschennis, art. 149 Sr. Begrip “graf”. Opzet. Levert het afknippen van (onder meer) kunstbloemen grafschennis op? Het oordeel van het hof dat onder graf mede moet worden verstaan de bij een graf behorende, al dan niet onlosmakelijke daarop of daaraan, ter nagedachtenis aan de overledene, aangebrachte eerbetonen en versieringen getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. Mede gelet op de wet en de wetgeschiedenis moet worden aangenomen dat de bepaling in het bijzonder strekt tot bescherming van de jegens een graf verschuldigde eerbied. Het oordeel van het hof dat verdachte door zijn gedragingen op zijn minst bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij daardoor de nagedachtenis van de overledene of van het piëteitsgevoel zijner betrekkingen zou krenken en daardoor (ten minste in voorwaardelijke zin) opzettelijk het graf heeft geschonden is onjuist noch onbegrijpelijk.
Nr. 15/04944 Zitting: 23 mei 2017 | Mr. E.J. Hofstee Conclusie inzake: [verdachte] |
De verdachte is bij arrest van 16 oktober 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:4161 door het Gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens “opzettelijk een graf schenden” veroordeeld tot vijftig uren taakstraf, subsidiair 25 dagen hechtenis. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte opgelegd, een en ander als nader in het arrest omschreven.
Namens de verdachte heeft mr. J.L.E. Marchal, advocaat te Maastricht, een middel van cassatie voorgesteld.
Het middel klaagt dat het hof zijn bewijsbeslissing met betrekking tot het voorwaardelijk opzet onvoldoende met redenen heeft omkleed.
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
”hij in de periode gelegen tussen 1 maart 2014 en 12 juli 2014, in de gemeente Weert, opzettelijk een graf, aan de Molenpoort, heeft geschonden, althans enig op een begraafplaats, aan de Molenpoort, opgericht gedenkteken opzettelijk en wederrechtelijk heeft vernield of beschadigd door daarvan voorwerpen weg te nemen.”1.
5. Daarvan is bewezenverklaard dat:
“hij op 30 juni 2014, in de gemeente Weert, opzettelijk een graf, aan de Molenpoort, heeft geschonden.”
6. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. Het ambtsedig proces-verbaal van Politie Eenheid Limburg, District Midden-Limburg, Basiseenheid Weert/Nederweert, nr. PL2300-2014061745-1, d.d. 16 juli 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant] , agent van politie (p. 3-4 van het proces-verbaal met registratienr. PL2300-2014061745), voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als verklaring van [betrokkene 1] :
Pleegdatum/tijd: tussen 1 maart 2013 en 12 juli 2014.
Ik doe aangifte van vernielingen aan het graf van mijn man. Mijn man is op 1 maart 2013 begraven op het kerkhof aan de Molenpoort in Weert. De vernielingen zijn ongeveer een maand na de begrafenis begonnen. Er zijn onder meer kunstbloemen afgeknipt. Op een gegeven moment waren wij het zat en is er een camera geplaatst. Op de beelden is te zien dat een mannelijk persoon van rond de 60 jaar naar het graf van mijn man loopt en dit vernielt. Ik herken deze man niet, mijn dochter [betrokkene 2] mogelijk wel.
2. Het ambtsedig proces-verbaal van Politie Eenheid Limburg, District Midden-Limburg, Basiseenheid Weert/Nederweert, nr. PL2300-2014061745-2, d.d. 16 juli 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant] , agent van politie (p. 5 van het proces-verbaal met registratienr. PL2300-2014061745), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven- als verklaring van [betrokkene 2] :
Ik heb de camerabeelden naar aanleiding van de vernielingen aan en op het graf van mijn vader bekeken. Ik herken de man mogelijk als zijnde [verdachte] . Ik herken hem aan zijn gezicht, bril, haardracht en uitdrukking. [verdachte] is werkzaam voor de belastingdienst in Roermond en Maastricht. Mijn vader heeft een conflict met hem gehad over een belastingschuld.
3. Het ambtsedig proces-verbaal van Politie Eenheid Limburg, District Midden-Limburg, Basiseenheid Weert/Nederweert, nr. PL2300-201406i745-3, d.d. 18 juli 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant] , agent van politie (p. 8-10 van het proces-verbaal met registratienr. PL23 00-2014061745), voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als verklaring van de verdachte:
Ik ben hier naar aanleiding van een vernieling. Ik ben erop geattendeerd dat er een filmpje op internet circuleerde waarop ik te zien ben.
Ik ben werkzaam bij de Belastingdienst. Ik ben enkele jaren geleden betrokken geweest bij de belastingheffingen van de familie [van betrokkenen] .
Op 30 juni 2014 ben ik naar het kerkhof, gelegen aan de Molenpoort in Weert, gegaan.
Ik liep langs het graf waar [betrokkene 3] begraven ligt. Ik las de teksten op het graf en bekeek de versiering. De kunstbloemen op het graf stonden in vazen.
Ik trok aan een stengel van één van de bloemen. Ik heb vervolgens de bloem van de stengel afgetrokken. Ik heb dit nogmaals herhaald bij een andere bloem.”
7. Voorts houdt de bestreden uitspraak in:
“Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs
I.
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep, op gronden zoals in de pleitnota verwoord, bepleit dat de verdachte van het overige deel (te weten: het deel ten aanzien waarvan geen nietigheid is bepleit) van de tenlastelegging zal worden vrijgesproken.
Het hof overweegt als volgt.
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk schenden van een graf c.q. aan vernieling of beschadiging van een op een begraafplaats opgericht gedenkteken, in de periode gelegen tussen 1 maart 2014 en 12 juli 2014. Behoudens de aangifte van [betrokkene 1] bevat het procesdossier geen enkele aanwijzing dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan vernielingen en/of beschadigingen van het onderhavige graf/gedenkteken anders dan het feit dat hij op 30 juni 2014 twee kunstbloemen die zich op het graf bevonden van hun steel heeft afgeknipt of daarvan heeft afgetrokken. De verdachte zal daarom voor het overige deel van het ten laste gelegde, voor zover dit ziet op andere feiten, worden vrijgesproken. |
Met betrekking tot het gebeuren op 30 juni 2014 heeft het volgende te gelden. De verdachte heeft bij zijn verhoor door de politie op 18 juli 2014, alsmede ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep, erkend dat hij op de ten laste gelegde dag twee kunstbloemen, die deel uitmaakten van een grote bos die zich op het onderhavige graf bevond, van hun steel heeft afgetrokken. Op een ter terechtzitting in hoger beroep getoond filmfragment, afkomstig van de website ‘Youtube’, is te zien (…), dat de verdachte om zich heen kijkt, zich vervolgens bukt, zijn armen tussen een bos bloemen steekt en vervolgens een op het oog knippende beweging maakt.
Uit de inhoud van het procesdossier kan worden opgemaakt dat het hier gaat om kunstbloemen die zich bevonden in aan het grafmonument vastgelijmde granieten vazen. Thans ligt de vraag voor of vorenomschreven handelen kan worden bestempeld als het opzettelijk schenden van een graf, althans als het opzettelijk en wederrechtelijk vernielen of beschadigen van enig op een begraafplaats opgericht gedenkteken.
Blijkens de wetsgeschiedenis moet het delict ‘grafschennis’ als bedoeld in artikel 149 Wetboek van Strafrecht in het bijzonder worden gezien als een delict ter bescherming van de piëteit.
Onder het woord ‘graf’ in de zin van artikel 149 van het Wetboek van Strafrecht zal dan ook moeten worden verstaan: ‘een plaats waar een lijk begraven ligt’, waaronder mede dienen te worden begrepen al die onderdelen van het graf waarmee de piëteit van de rustplaats van de overledene tot uitdrukking wordt gebracht. Het ligt daarom voor de hand om onder het woord ‘graf’ in voormelde betekenis mede te verstaan de plaats waar de lijkkist met daarin het lijk begraven ligt, de aarde rondom die lijkkist, de lijkkist op zich, de grafsteen c.q. het grafmonument op het graf, alsmede de daarbij behorende, al dan niet onlosmakelijk daarop of daaraan, ter nagedachtenis aan de overledene, aangebrachte eerbetonen en versieringen zoals beelden, foto’s, planten en bloemen. Met betrekking tot dat laatste begrip is van geen enkel belang de vraag of het gaat om natuurlijke bloemen of kunstbloemen. Op het graf aangebrachte rouwbloemen zijn per definitie een uiting van liefde en respect voor de overledene en zijn ook tekens van medeleven en deelneming.
Onder ‘schenden’ in de zin van artikel 149 van het Wetboek van Strafrecht moet blijkens de bestaande jurisprudentie worden verstaan: het schenden van de integriteit van het graf. Gelet op voormelde wetsgeschiedenis lijkt bij de beoordeling of daarvan sprake is, in het bijzonder van belang te zijn de beantwoording van de vraag of sprake is van opzettelijke krenking van de nagedachtenis van de overledene en/of van het piëteitsgevoel zijner betrekkingen.
De verdachte heeft zowel bij zijn verhoor in het kader van het opsporingsonderzoek als ter terechtzitting met betrekking tot de reden waarom hij voormelde kunstbloemen van het onderhavige graf heeft verwijderd, verklaard -zakelijk weergegeven- (onder meer) dat hij de bloemen mee naar huis wilde nemen om, via internet, een idee te krijgen over de prijs daarvan om op die manier een indicatie te krijgen van het inkomen van de betrokkenen.
In redelijkheid kan aan deze verklaring van de verdachte geen enkel geloof worden gehecht. Op geen enkele wijze valt immers in te zien hoe aan de hand van de prijs van een -gelet op de inhoud van de vordering van de benadeelde partij dienaangaande niet erg kostbaar- boeket kunstbloemen als de onderhavige een idee kan worden verkregen van de hoogte van het inkomen van één of meer bij de overledene betrokken personen, noch daargelaten de vraag of bij de verdachte enige duidelijkheid kon bestaan omtrent de vraag van wie het betreffende boeket afkomstig was. Door onder voormelde omstandigheden opzettelijk kunstbloemen van het onderhavige graf te verwijderen heeft de verdachte op zijn minst bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij daardoor de nagedachtenis van de overledene of van het piëteitsgevoel zijner betrekkingen zou krenken. Op grond van het vorenstaande is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte (ten minste in voorwaardelijke zin) opzettelijk het onderhavige graf heeft geschonden.
Bijgevolg wordt het verweer verworpen.”
8. De pleitnota waarop het hof doelt, houdt voor zover hier van belang in:
“Voorts moet worden vastgesteld dat het element "opzettelijk" in artikel 149 Sr voorafgaand aan het element "schenden" en dat betekent volgens vaste jurisprudentie dat de opzet dan ook gericht moet zijn op dat schenden derhalve op de baldadigheid en op het krenken van de nagedachtenis van de overledene of het krenken van de piëteitsgevoel van zijn betrekkingen.
In de onderhavige zaak van [verdachte] kan van een opzettelijk schenden in die zin geen sprake zijn.
[verdachte] heeft al eerder verklaard dat de enige reden waarom hij twee bloemknoppen heeft afgetrokken en meegenomen, is geweest dat hij thuis, onder andere ter vergelijking op internet, de kosten daarvan wilde achterhalen of daar inzicht in krijgen. Men kan dit te verregaand noemen. Men kan het beroepsdeformatie noemen. Maar men kan het in ieder geval niet noemen het opzettelijk schenden of krenken van de nagedachtenis of van het piëteitsgevoel van de nabestaanden.
Er is dus geen sprake van schenden in de zin van de wet.
Evenmin is er sprake van opzet op schenden in de zin van de wet.
Reden voor zijn handelen heeft [verdachte] reeds aangegeven.
Bij dit alles komt ook dat ook de uiterlijke verschijningsvorm van het handelen van [verdachte] absoluut niet de verschijningsvorm heeft van het opzettelijk krenken van de nagedachtenis van de overledene of van het piëteitsgevoel van zijn betrekkingen.
In dat verband is significant dat eerst geruime tijd later, aan de hand van - kennelijke - camerabeelden ontdekt is dat er iets gebeurde met betrekking tot de bloemen die op het graf stonden.
Dat betekent ook dat geruime tijd lang op zichzelf niets te zien was van het feit dat er twee bloemknoppen uit twee bloemenbossen verwijderd waren.
Ook uit dit gegeven kan en moet worden afgeleid en geconcludeerd dat het verwijderen van twee bloemknoppen, dat geruime tijd niet is opgevallen, niet de bedoeling heeft gehad om nagedachtenis of het piëteitsgevoel te krenken.
Het ligt immers voor de hand dat iemand die de nagedachtenis of het piëteitsgevoel zou willen krenken, dat heel zichtbaar zou doen.”
9. Alvorens het middel te bespreken, komt het mij dienstig voor de strekking ervan in cassatie te omlijnen, hoewel ik er meteen aan toevoeg dat ik mij hieronder de vrijheid veroorloof ook daarbuiten op enige andere aspecten van grafschennis in te gaan.
10. In de eerste plaats verdient vooraf opmerking dat hier niet aan de orde is het tenlastegelegde opzettelijk en wederrechtelijk vernielen of beschadigen van enig op een begraafplaats opgericht gedenkteken door daarvan voorwerpen weg te nemen. De vraag wat in dit verband onder “gedenkteken” dient te worden verstaan, behoeft strikt genomen thans geen beantwoording. Niettemin zal ik er straks nog iets over zeggen.
11. In de tweede plaats wordt in cassatie niet bestreden het oordeel van het hof dat onder graf in de zin van art. 149 Sr dienen te worden begrepen “al die onderdelen van het graf waarmee de piëteit van de rustplaats van de overledene tot uitdrukking wordt gebracht”, waaronder het hof mede verstaat “de daarbij behorende, al dan niet onlosmakelijk daarop of daaraan, ter nagedachtenis aan de overledene, aangebrachte eerbetonen en versieringen zoals beelden, foto’s, planten en bloemen”. Dat neemt niet weg dat ik hieronder toch even zal stilstaan bij de rechtsbetekenis die aan het begrip graf wordt toegekend.
12. Wat wordt dan wel in cassatie bestreden? Eigenlijk alleen de mate van motivering van het oordeel van het hof dat in casu sprake is van voorwaardelijk opzet van de verdachte op krenking van de nagedachtenis van de overledene of van het piëteitsgevoel van zijn betrekkingen.
13. Art. 149 Sr, waarin grafschennis als een misdrijf tegen de openbare orde strafbaar is gesteld, luidt:
“Hij die opzettelijk een graf schendt of enig op een begraafplaats opgericht gedenkteken opzettelijk en wederrechtelijk vernielt of beschadigt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.”
14. Deze strafbepaling is ontleend aan art. 43 sub 5° van de Begrafeniswet van 10 april 1869 (oud, Stb. 65), dat zijn oorsprong vond in art. 360 van de toenmalige Code Pénal.2.Overigens kende vóór de invoering van de Begrafeniswet van 1869 het Ontwerp van een wetboek op het strafregt voor het Koningrijk der Nederlanden van 23 april 1827 een art. 155 dat als volgt luidde: “Op gelijke wijze zullen worden gestraft, die zich aan het schenden van begraafplaatsen of grafsteden, of aan het wegnemen of vervoeren van lijken uit dezelve, schuldig maken”.3.Het valt op dat in dit ontwerp al wordt gesproken van “schenden” (violation), een term die tot op de dag van vandaag is gehandhaafd. Dat geldt niet voor “begraafplaatsen” en “grafsteden”, hoewel de aanduiding begraafplaats nog wel voorkwam in art. 43 sub 5° van de Begrafeniswet van 1869. In deze bijzondere wet was (in bedoeld sub 5°) strafbaar gesteld: “Het schenden van graven en begraafplaatsen.” Had eertijds onder vigeur van het Franse recht nog een juridisch dispuut plaatsgevonden over de vraag of de strafbepaling van art. 160 Code Pénal ook betrekking had op de lijkkist alvorens deze in het graf is neergelaten4.en op honende, lasterende of beledigende woorden tegen de overledene geuit, in het proefschrift van H.C.M. van Westerloo uit 1871, getiteld “De strafbepalingen in de Nederlandsche Begrafeniswet, Amsterdam” valt te lezen dat toen inmiddels algemene erkenning had gevonden dat: “Alleen door daden kan men plegen eene schending van graven of begraafplaatsen” (p. 69). In de tekst van art. 163 van de “Ontwerpen van een wetboek van strafregt en daartoe behoorende wetten met toelichting” van de Staatscommissie- De Wal was de begraafplaats verdwenen: "Hij die graven schendt, wordt gestraft met gevangenisstraf van hoogstens negen maanden”. In dit ontwerp hadden de strafbare feiten uit de Begrafeniswet van 1869 hun (nieuwe) plaats gevonden. Voorts blijkt uit de onderlinge gedachtewisseling dat de leden van de Staatscommissie-De Wal de schending van graven voornamelijk als een delict tegen de piëteit aanmerkten.5.In de toelichting op het ontwerp-art. 163 (art. 161 ORO) rept de Staatcommissie-De Wal voorts van de kwalificatie grafschennis en laat zij weten dat niet meer van “begraafplaatsen” gewaagd wordt omdat: “Zoo scherp begrensd en sluitend het begrip van grafschennis is, even onbepaald en onbeteekend is het schenden ener begraafplaats, eig. eene elliptische uitdrukking voor het schenden of beschadigen van voorwerpen die zich op eene begraafplaats bevinden. De algemeene bepaling tegen vernieling of beschadiging van goederen (art. 385)6., met verzwaring voorzoover eenig gedenkteeken mogt geschonden zijn (art. 386 n°. 3), is daarvoor genoegzaam”.7.Deze opvatting werd door minister Modderman van Justitie in de memorie van toelichting bij art. 161 ORO – uiteindelijk art. 149 Sr – overgenomen. Niettemin ondervond de door de Staatscommissie-De Wal ontworpen redactie een aantal wijzigingen. Zo werd de zaakvernieling met betrekking tot “gedenkteekenen op (…) begraafplaatsen opgerigt” (art. 386 n° 3; art. 380 n°. 3 ORO) overgebracht naar art. 149 Sr en werd graven enkelvoudig graf. En voorts werd op aanraden van de Commissie van Rapporteurs het woord opzettelijk bijgevoegd. Dat was blijkens de memorie van toelichting nodig, want: “Een graf kan ook bij ongeluk geschonden worden, bijv. bij het delven van een ander graf in de onmiddellijke nabijheid”.8.Wat wel bleef staan – van begin tot eind – is, als gezegd, “schenden” of een vervoeging daarvan. Ik kom daarop aanstonds terug.
15. Eerst kort iets over de vraag wat thans naar Nederlands recht onder graf pleegt te worden verstaan. Noyon/Langemeijer/Remmelink omschrijven dit delictsbestanddeel van art. 149 Sr als de “ruimte die de lijkkist met haar inhoud bergt, alsmede wat tot dekking of als kenteken van het graf dient, de daarop geworpen aarde en de grafsteen of het monument; ook een grafkelder in zijn geheel”.9.Een grafkuil of een grafkelder is op zichzelf nog geen graf. Dat wordt hij pas wanneer er in begraven of bijgezet is. “Er bestaat geen graf, zolang er niet begraven is”, aldus Noyon/Langemeijer/Remmelink. Het woord begraven impliceert dat het graf gesloten is. Ik haal in dit verband de woorden aan van Keijzer in zijn noot onder HR 2 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0799, NJ 2013/29: “Pas door het sluiten van het graf (‘zand erover’) wordt een overledene aan de aarde en daarmee aan het verleden toevertrouwd”.10.De Hoge Raad heeft in voormeld arrest echter een zekere uitbreiding gegeven aan die omschrijving van het begrip graf door het volgende te overwegen:
“Het Hof heeft vastgesteld dat de verdachte het nog geopende graf van zijn partner is ingegaan, het deksel van de kist heeft gehaald, zijn overleden partner heeft aangeraakt en vastgehouden. Het Hof heeft geoordeeld dat de verdachte aldus de integriteit van het graf heeft geschonden en dat deze handelingen kunnen worden gekwalificeerd als grafschennis in de zin van art. 149 Sr. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.”
16. Grafschennis vereist het schenden van het graf. Het werkwoord of de term schenden is in het onderhavige verband goed gekozen. Daarin liggen immers twee belangrijke strafrechtelijke begrippen besloten: zowel het opzet als de wederrechtelijkheid.11.Met Noyon/Langemeijer/Remmelink kan dan ook worden opgemerkt dat de toevoeging “opzettelijk” in de delictsomschrijving eigenlijk overbodig is. Ik citeer:
“Schenden van een graf ligt niet in elke daad die de integriteit van het graf aanrandt. Vgl. in dit verband met name art. 29, 30, 31 resp. art. 63, 64 en 65 Wet op de lijkbezorging. Zo bepaalt art. 31 dat op last van de houder van een begraafplaats tien jaar, nadat in het graf laatstelijk een lijk is geplaatst graven geruimd kunnen worden. Art. 150 van ons wetboek stelt het opgraven van lijken dan ook alleen strafbaar indien het wederrechtelijk gedaan wordt. Geen van deze handelingen kan zonder het verstoren van het graf verricht worden.
Schenden onderstelt dus hetzij baldadigheid, hetzij opzettelijk krenken van de nagedachtenis des overledenen of van het piëteitsgevoel zijner betrekkingen. Daarom had de minister niet behoeven te voldoen aan de wens der Commissie van Rapporteurs 'opzettelijk' toe te voegen, omdat een graf bij ongeluk geschonden kan worden, bijv. bij het delven van een ander graf in de onmiddellijke nabijheid. Ook tot uitdrukking van de bedoeling om een graf te raken was die bijvoeging niet nodig, aangezien dit ook in het woord schenden reeds ligt opgesloten. De schending kan dan ook gedaan worden door de eigenaar van het graf, en het is juist van de wetgever gezien, hier niet het vereiste van wederrechtelijkheid te stellen. Grafschennis is steeds wederrechtelijk.”12.
17. In deze passage wordt voorts aannemelijk gemaakt dat grafschending een daad is van hetzij baldadigheid13., hetzij het opzettelijk krenken van de nagedachtenis van de overledene of van het piëteitsgevoel van zijn betrekkingen. Van baldadigheid is in de onderhavige zaak geen sprake, dus deze vorm van schenderij laat ik verder onbesproken.14.Dat grafschennis vooral een delict tegen de piëteit is en dat art. 149 Sr vooral bedoeld is ter bescherming van het piëteitsgevoel voor de rustplaats, is een uitleg die, zoals uit het voorgaande blijkt, steun vindt in de wetsgeschiedenis. De schending kan volgens Noyon/Langemeijer/Remmelink op velerlei wijzen worden begaan: zowel door ondergraving waardoor het graf instort, als door uitgraving van bovenaf, of verplaatsing, omwenteling van de grafsteen en omverwerpen van het monument, voor zover dit laatste niet valt onder beschadigen of vernielen.15.
18. Ik keer terug naar de onderhavige zaak. Het hof heeft allereerst “graf” in de zin van art. 149 Sr gedefinieerd als “een plaats waar een lijk begraven ligt”. Het hof voegt daaraan toe dat daaronder mede worden begrepen “al die onderdelen van het graf waarmee de piëteit van de rustplaats van de overledene tot uitdrukking wordt gebracht”, zoals “de plaats waar de lijkkist met daarin het lijk begraven ligt, de aarde rondom die lijkkist, de lijkkist op zich (ik begrijp: nadat zij in het graf is neergelaten, AG)16., de grafsteen c.q. het grafmonument op het graf, alsmede de daarbij behorende, al dan niet onlosmakelijk daarop of daaraan, ter nagedachtenis aan de overledene, aangebrachte eerbetonen en versieringen zoals beelden, foto’s, planten en bloemen”. Op grond van het voorgaande lijkt mij dit – als gezegd in cassatie niet bestreden – oordeel van het hof niet van een onjuiste rechtsopvatting getuigen. Ik merk overigens op dat in de onderhavige zaak van een op een begraafplaats opgericht gedenkteken geen sprake is, en derhalve ook niet van het (opzettelijk) vernielen of beschadigen daarvan.17.
19. Voorts heeft het hof overwogen dat schenden ziet op de integriteit van het graf en is het bij de beoordeling daarvan in het bijzonder van belang of sprake is van opzettelijke krenking van de nagedachtenis van de overledene en/of van het piëteitsgevoel zijner betrekkingen. Daarmee heeft het hof het juiste beoordelingskader weergegeven.
20. In zijn noot onder HR 2 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0799, NJ 2013/29 merkt Keijzer op dat het hof in die zaak aan de term schendt in art. 149 Sr goed beschouwd een onjuiste betekenis had gegeven, door op de enkele grond van schending van de integriteit van het graf reeds grafschennis aan te nemen, nu het gedrag van de verdachte daar, zij het onbehouwen, juist van piëteit jegens de overledene getuigde. Die verdachte had kennelijk dronken in het nog open graf van zijn partner gestaan, kennelijk zelf het deksel van de kist opengerukt, op het gezicht van zijn partner geaaid, haar vastgehouden en gezegd “V., wordt wakker”. De Hoge Raad toonde zich minder kritisch en zag ’s hofs kwalificatie door de vingers, aldus Keijzer, die daaraan toevoegt dat de Hoge Raad mogelijk tot een ander oordeel was gekomen indien het desbetreffende cassatiemiddel scherper was geformuleerd en duidelijker was toegelicht.18.
21. Welnu, dat is in de onderhavige zaak wel het geval, in die zin dat het middel aanvoert dat, nu niet elke schending van de integriteit van een graf ook zonder meer een schending van een graf in de zin van art. 149 Sr oplevert, het hof nader had dienen te motiveren waarom in deze zaak sprake is van voorwaardelijk opzet op krenking van de nagedachtenis van de overledene of van het piëteitsgevoel van zijn betrekkingen.
22. Vaststaat dat de verdachte willens en wetens tweemaal een kunstbloem van de steel heeft afgetrokken dan wel afgeknipt. Die handelingen heeft hij opzettelijk verricht. In zoverre onderscheidt grafschennis zich niet van een eenvoudige vernieling en/of beschadiging van een goed als bedoeld in art. 350 Sr. Het verschil zit in het beschermde belang. Dat is bij, kort gezegd, zaakvernieling de bescherming van het ongestoorde genot of gebruik van een goed door degene aan wie dat goed (geheel of ten dele) toebehoort. Daarom gaan de overwegingen van het hof verder: “Door onder voormelde omstandigheden opzettelijk kunstbloemen van het onderhavige graf te verwijderen heeft de verdachte op zijn minst bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij daardoor de nagedachtenis van de overledene of van het piëteitsgevoel zijner betrekkingen zou krenken”. In het verlengde van het opzettelijk verwijderen van de kunstbloemen, kon het hof, gelijk het heeft gedaan, in het verband van de bedoelde schending tenminste voorwaardelijk opzet op de krenking van de nagedachtenis of het piëteitsgevoel aannemen. Daarbij heeft het hof niet onbegrijpelijk in aanmerking genomen dat aan de verklaring van de verdachte – dat hij de bloemen mee naar huis wilde nemen om, via internet, een idee te krijgen over de prijs daarvan om op die manier een indicatie te krijgen van het inkomen van de betrokkenen – in redelijkheid geen enkel geloof kan worden gehecht.19.
23. Op grond van het voorgaande kom ik tot de slotsom dat het bestreden oordeel van het hof toereikend is gemotiveerd en dat de bewezenverklaring voldoende met redenen is omkleed.
24. Het middel faalt.
25. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
26. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 23‑05‑2017
Luidende: “Quiconque se sera rendu coupable de violation de tombeaux ou de sépultures”.
Kamerstuk II 1826/27, nr. XXIII, ondernummer 2, blad 606. In de Franse versie: “Seront punis des mêmes peines ceux, qui se seront rendus coupables de violation de sépultures on de mausolées, ou d’enlèvement de cadavres.”
Vgl. NLR, a.w., aant. 3 bij art. 149 Sr: “Er bestaat geen graf, zolang er niet begraven is. De mening dat ook de lijkkist, alvorens zij in het graf nedergelaten en bedekt is, als graf beschouwd moet worden omdat niet juist het graf, maar het lijk beschermd wordt, kan dus evenmin juist geacht worden voor onze wet als voor art. 360 CP (oud). De premisse is trouwens onjuist. Niet het lijk als zodanig, maar het piëteitsgevoel voor de rustplaats wordt beschermd. Lijkschennis is bij ons als misdrijf niet bekend.”
N. Keijzer wijst daarop in zijn annotatie onder HR 2 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0799, NJ 2013/29. Zie nader A.J.A. van Dorst e.a. (red.), Notulen van de Staatscommissie voor de zamenstelling van een Wetboek van Strafregt (kort aangeduid als de Staatscommissie-De Wal, AG), Deel II, p. 273. In dezelfde zin NLR, aant. 3 bij art. 149 Sr: “Niet het lijk als zodanig, maar het piëteitsgevoel voor de rustplaats wordt beschermd”.
’s-Gravenhage: gebr. Belinfante’s, 1875, Memorie van Toelichting, p. 139.
H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, Haarlem: Tjeenk Willink, tweede deel, 1881, p. 99.
Zie ook de rechtsvergelijkende beschouwingen van Keijzer in de bedoelde noot.
Zie over de wederrechtelijkheid de conclusie van mijn ambtgenoot Vegter vóór HR 2 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0799, NJ 2013/29.
Zie ook de memorie van toelichting bij de Begrafeniswet van 1869, Bijlagen TK 1867/68, p. 106.
NLR, aant. 3 bij art. 149 Sr voegt daar nog aan toe: “en bedekt is”. Maar dat is thans niet meer juist, volgt althans niet uit HR 2 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0799, NJ 2012/29 m.nt. Keizer.
Vgl. NLR, aant. 5 bij art. 349 Sr: “Een gedenkteken is een voorwerp, gemaakt tot herdenking van iemand of iets. Daaronder vallen in de eerste plaats monumenten opgericht ter herinnering aan iemand die ter plaatse is begraven. Het behoeft niet een zichtbare voorstelling van de begravene te zijn. Een grafsteen, zijn naam vermeldende, strekt evenzeer tot herdenking als een meer pompeus monument. Een kruis op een graf, ook al wordt er bij gebreke van opschrift bij het publiek niet de herinnering aan een bijzondere persoon door opgewekt, valt onder het begrip. Daar[en]tegen niet de op het graf geplante bloemstruik, die meer tot versiering strekt”.
Ik wijs er nog op dat de vraag waarop het opzet gericht moet zijn, in dat arrest niet aan de orde is gekomen en dat de Hoge Raad zich daarover niet heeft uitgelaten.
Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen volgt overigens dat de verdachte in het verleden een conflict heeft gehad met de overledene.
Beroepschrift 17‑05‑2016
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CASSATIESCHRIFTUUR
Inzake:
[requirant],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1954,
wonende te [postcode] [woonplaats],
[adres].
Advocaat: mr. J.L.E. Marchal,
Hertogsingel 83 (6211 NE),
Postbus 2934 (6201 NA) Maastricht.
Edelhoogachtbaar College,
Ondergetekende, mr. J.L.E. Marchal, advocaat te Maastricht, door requirant tot cassatie bepaaldelijk gevolmachtigd tot ondertekening en indiening van deze cassatieschriftuur, heeft de eer ter zake het door het Gerechtshof 's‑Hertogenbosch op 16 oktober 2015 onder parketnr. 20-003553-14 ten laste van requirant gewezen arrest, het navolgende middel van cassatie voor te stellen:
Middel I.
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd, waarvan niet-naleving nietigheid meebrengt.
In het bijzonder zijn geschonden de artikelen 350, 358, 359 en 415 Sv en artikel 149 Sr. Het Hof heeft wettig en overtuigend bewezen verklaard dat requirant tenminste in voorwaardelijke zin opzettelijk een graf heeft geschonden op grond dat requirant, door opzettelijk kunstbloemen van een graf te verwijderen, op zijn minst bewust de aanmerkelijke kans aanvaard heeft dat hij daardoor de nagedachtenis van de overledene of het piëteitsgevoel van zijn betrekkingen zou krenken.
's Hof's bewijsbeslissing met betrekking tot het voorwaardelijk opzet op het krenken van de nagedachtenis van de overledene of op het piëteitsgevoel van zijn betrekkingen, is echter onvoldoende met redenen omkleed, met name in het licht van hetgeen namens requirant is aangevoerd.
Toelichting:
a.
Met een verwijzing naar Noyon/Langemeijer/Remmelink1. en met verwijzing naar de noot van Keijzer onder het arrest van Uw Raad van 2 oktober 20122., is namens requirant betoogd dat niet elke schending van de integriteit van het graf een schending van een graf in de zin van artikel 149 Sr. oplevert doch dat voor schending in de zin van artikel 149 Sr. vereist is hetzij baldadigheid hetzij opzettelijk krenken van de nagedachtenis van de overledene of van het piëteitsgevoel van zijn betrekkingen.
Ook het Hof oordeelt dat voor de vraag of van ‘schenden’ in de zin van artikel 149 Sr. sprake is, het in het bijzonder van belang is of er sprake is van opzettelijke krenking van de nagedachtenis van de overledene en/of van het piëteitsgevoel zijn er betrekkingen. Ook het Hof is derhalve van oordeel dat niet elke schending van de integriteit van het graf een schending in de zin van artikel 149 Sr. oplevert.
Uw Raad heeft geoordeeld bij arrest van 14 januari 20143. dat het niet of onvoldoende voeren van een administratie niet zonder meer de aanmerkelijke kans op verkorting van de rechten van schuldeisers doet ontstaan en dat het Hof deswege een nadere motivering had dienen te plegen.
Nu niet elke schending van de integriteit van een graf ook zonder meer een schending van een graf in de zin van artikel 149 Sr. oplevert, had het Hof nader dienen te motiveren waarom in casu sprake was van voorwaardelijk opzet op krenking van de nagedachtenis van de overledene of van het piëteitsgevoel van zijn betrekkingen.
b.
Requirant heeft bij pleitnotities (pag. 7) betoogd dat van opzettelijk krenken van de nagedachtenis van de overledene of van het piëteitsgevoel van zijn betrekkingen geen sprake is geweest.
Ten eerste omdat requirant verklaard heeft ‘dat de enige reden waarom hij twee bloemknoppen heeft afgetrokken en meegenomen, is geweest dat hij thuis, o.a. ter vergelijking op internet, de kosten daarvan wilde achterhalen of daar inzicht in krijgen’. Voorts omdat ‘ook de uiterlijke verschijningsvorm van het handelen van requirant absoluut niet de verschijningsvorm heeft van het opzettelijk krenken van de nagedachtenis van de overledene of van het piëteitsgevoel van zijn betrekkingen’.
In dat verband is er in het bijzonder op gewezen dat eerst geruime tijd later aan de hand van — kennelijk — camerabeelden ontdekt is dat er iets gebeurde met betrekking tot de bloemen die op het graf stonden. Geruime tijd lang is op zichzelf niets te zien geweest van het feit dat er twee bloemknoppen uit twee bloemenbossen verwijderd waren. Ook uit dat gegeven kan en moet worden afgeleid en geconcludeerd dat het verwijderen van twee bloemknoppen, dat geruime tijd niet is opgevallen, niet de bedoeling heeft gehad om de nagedachtenis of het piëteitsgevoel te krenken, aldus de stellingen van requirant.
Het Hof heeft niet weersproken dat het bewuste handelen van requirant absoluut niet de verschijningsvorm had van het opzettelijk krenken van de nagedachtenis van de overledene of van het piëteitsgevoel van zijn betrekkingen. Het Hof heeft evenmin weersproken dat geruime tijd lang op zichzelf niets te zien was van het feit dat er twee bloemknoppen uit twee bloemenbossen verwijderd waren.
In cassatie dient derhalve van deze, door requirant gestelde en door het Hof niet weersproken feiten te worden uitgegaan.
Het Hof acht desondanks voorwaardelijk opzet op het krenken van de nagedachtenis van de overledene of van het piëteitsgevoel van zijn betrekkingen bewezen en overweegt daartoe: ‘door onder voormelde omstandigheden opzettelijk kunstbloemen van het onderhavige graf te verwijderen heeft de verdachte op zijn minst bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij daardoor de nagedachtenis van de overledene of van het piëteitsgevoel zijn betrekkingen zou krenken.’
Wat heeft het Hof nu bedoeld met ‘onder voormelde omstandigheden’?
De hiervoor in aanmerking komende omstandigheden, zoals gereleveerd onder de ‘bijzondere overwegingen omtrent het bewijs’ zijn en kunnen slechts zijn dat requirant erkend heeft dat hij op de ten laste gelegde dag twee kunstbloemen, die deel uitmaakten van een grotere bos, die zich op het onderhavige graf bevond, van hun steel heeft afgetrokken (pag. 4, laatste alinea van het arrest) en voorts dat het Hof aan de verklaring van requirant met betrekking tot de reden waarom hij de kunstbloemen van het graf heeft verwijderd, geen enkel geloof hecht.
Onbegrijpelijk is echter hoe het Hof uit de enkele overweging dat het Hof aan de verklaring van requirant geen enkel geloof hecht, het bewijs kon afleiden dat requirant bewust de aanmerkelijke kans op krenking van de nagedachtenis van de overledene of van het piëteitsgevoel van zijn betrekkingen heeft aanvaard. Dat klemt te meer nu requirant onweersproken heeft gesteld dat de uiterlijke verschijningsvorm van het handelen van requirant absoluut niet de verschijningsvorm had van het opzettelijk krenken van de nagedachtenis van de overledene of van het piëteitsgevoel van zijn betrekkingen.
Uw Raad heeft bij arrest van 5 december 20064. onder r.o. 3.3 o.a. overwogen:
‘voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg — zoals hier de dood — is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zulk een kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). Of in een concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is van voorwaardelijke opzet zal, indien de verklaringen van de verdachte en/of bijvoorbeeld eventuele getuigenverklaringen geen inzicht geven omtrent hetgeen ten tijde van de gedragingen in de verdachte is omgegaan, afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze is verricht, van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar een uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het — behoudens contra-indicaties — niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard (vgl. HR 25 maart 2003, NJ 2003, 552)’.
Indien het Hof requirants verklaring omtrent zijn bedoelingen al als ongeloofwaardig mocht ter zijde stellen (quod non, waarover later meer) dan bevinden we ons juridisch in de fase dat de verklaring van requirant geen inzicht geeft in hetgeen ten tijde van de gedragingen in hem is omgegaan. Vervolgens zal het dan afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval en met name de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht, waarbij als eerste aan de orde zou komen de uiterlijke verschijningsvorm van de gedragingen van requirant. En ter zake de uiterlijke verschijningsvorm van de gedragingen van requirant is nu net onweersproken gesteld dat die absoluut niet de verschijningsvorm heeft van het opzettelijk krenken van de nagedachtenis van de overledene of van het piëteitsgevoel van zijn betrekkingen. Aldus is onbegrijpelijk waaruit het Hof desondanks tot het bewijs is kunnen komen dat requirant bewust de aanmerkelijke kans aanvaard heeft dat hij de nagedachtenis van de overledene of van het piëteitsgevoel van zijn betrekkingen zou krenken.
Ook aan de ‘aanmerkelijkheid’ van de kans wijdt het Hof geen enkele overweging, zulks terwijl requirant uitdrukkelijk en onweersproken gesteld heeft dat geruime tijd lang op zichzelf niets te zien was van het feit dat er twee bloemknoppen uit twee bloembossen verwijderd waren.
Daaruit kan en moet worden afgeleid dat het handelen van requirant niet gericht is geweest op een zichtbaar effect, waaruit vervolgens is af te leiden dat requirant in elk geval niet bewust de aanmerkelijke kans aanvaard heeft dat hij de nagedachtenis van de overledene of het piëteitsgevoel van zijn betrekkingen zou krenken.
Het Hof heeft geoordeeld dat in redelijkheid aan de verklaring van requirant geen enkel geloof kan worden gehecht.
Dat oordeel is onbegrijpelijk.
Allereerst heeft het Hof in dit kader overwogen dat requirant bij zijn verhoor in het kader van het opsporingsonderzoek alsook ter terechtzitting van het Hof verklaard heeft dat hij de bloemen mee naar huis wilde nemen om via internet een idee te krijgen over de prijs daarvan om op die manier een indicatie te krijgen van het inkomen van de betrokkenen. Ter terechtzitting van het Hof heeft requirant echter verklaard: ‘ik heb die kunstbloemen van de stengels getrokken uitsluitend om een beeld te krijgen van de prijs, de kostbaarheid van de bloemen. Dat interesseert mij omdat ik in mijn beroep als belastingambtenaar altijd bezig ben geweest met fiscale vrijplaatsen. Ik ben op die manier in contact geweest met allerlei bevolkingsgroepen. Ik heb mij zoveel mogelijk een professioneel oordeel proberen te verschaffen omtrent de verschillende belastingplichtigen. Ik probeerde branche-informatie te verkrijgen over de bevolkingsgroepen die binnen fiscale vrijplaatsen vielen, ook binnen de woonwagenwereld. Binnen deze cultuur versieren de mensen hun graven op bijzondere wijze. Dat gaat o.a. gepaard met bloemen. Ik wilde weten of de bloemen op het graf van de heer [betrokkene 3] kostbare of mindere kostbare bloemen waren’.
Uit die verklaring van requirant volgt dat het bij requirant om algemene informatie-inwinning in een breder beeld ging, waarbij elk partje informatie een bijdrage kan leveren aan een totaalbeeld van een bepaalde branche.
Waar het Hof overweegt, heel concreet, dat requirant zou hebben verklaard dat hij de bloemen mee naar huis wilde nemen om een idee te krijgen over de prijs daarvan ‘om op die manier een indicatie te krijgen van het inkomen van de betrokkenen’, is dat concreet doel niet uit de verklaring van requirant af te leiden.
Zelfs uit zijn verklaring bij de politie moet afgeleid worden dat het om informatie-inwinning in een breder beeld ging. Requirant verklaart immers aldaar: ‘ik deed dit om thuis te kunnen kijken op internet om een indruk te krijgen hoeveel zo'n boeket zou kosten. Vraag: waarom wilde u dit weten? Antwoord: ‘omdat je dit op een aantal graven ziet. Ik wilde dit weten omdat ik een indicatie wilde hebben over misschien het inkomen van deze personen. Hiermee doel ik niet op het inkomen van de familie [betrokkenenen]’.
Requirant heeft derhalve niet verklaard dat hij een indicatie wilde krijgen van het inkomen van de betrokkenen in casu doch kennelijk over het inkomen van ‘deze personen’ waarmee requirant bedoeld heeft ‘de bevolkingsgroepen die binnen fiscale vrijplaatsen vielen’, als waarover hij ook ter terechtzitting van het Hof verklaard heeft. Waar requirant bij de politie spreekt over ‘een indicatie over misschien het inkomen van deze personen’, duidt de toevoeging van het woord ‘misschien’ duidelijk erop dat de betreffende informatie-inwinning slechts een klein onderdeeltje betrof dat ‘misschien’ dan wel uiteindelijk mede iets zou kunnen zeggen over inkomen.
Voor requirant was het bij de belastingdienst absoluut niet ongebruikelijk om zoveel mogelijk informatie te vergaren en op te slaan en een informatiepositie op te bouwen en daardoor een beeld te verkrijgen over ‘de bevolkingsgroepen’, waarover requirant ter terechtzitting van het Hof verklaard heeft, dan wel over personen.
Het Hof overweegt dan: ‘op geen enkele wijze valt immers in te zien hoe aan de hand van de prijs van één — gelet op de inhoud van de vordering van de benadeelde partij diengaangaande niet erg kostbaar — boeket kunstbloemen als de onderhavige een idee kan worden verkregen van de hoogte van het inkomen van één of meer bij de overledene betrokken personen, nog daargelaten de vraag of bij de verdachte enige duidelijkheid kon bestaan omtrent de vraag van wie het betreffende boeket afkomstig was’.
Vooreerst moet worden opgemerkt en vastgesteld dat blijkens het proces-verbaal der terechtzitting van 2 oktober 2015 nimmer aan requirant de vraag gesteld is door het Hof of en op welke manier requirant, door de prijs van kunstbloemen te kennen, een idee zou kunnen verkrijgen omtrent de hoogte van het inkomen van betrokken personen. Indien die vraag door het Hof aan requirant gesteld zou zijn, zou requirant absoluut hebben geantwoord dat daardoor uiteraard niet een idee omtrent het inkomen verkregen kan worden. En dan had requirant nog eens extra duidelijk kunnen maken dat het om informatie-inwinning in zijn algemeenheid ging en dat het hier slechts een klein onderdeeltje betrof om uiteindelijk op lange termijn tot een breder beeld te komen. Blijkens het proces-verbaal der terechtzitting heeft het Hof evenmin aan requirant de vraag gesteld of bij hem enige duidelijkheid kon bestaan omtrent de vraag van wie het betreffende boeket afkomstig was. Zou dat wel gebeurd zijn dan had requirant daar dan zijn antwoord op kunnen geven.
En dan had requirant nog eens kunnen benadrukken dat het om algemene informatie-inwinning ging, waarbij, bij het vergaren ervan, niet altijd en direct duidelijk is of die informatie bruikbaar is en zo ja op welke wijze.
Het Hof betrekt — eveneens onbegrijpelijkerwijs — nog in zijn overwegingen dat blijkens de inhoud van de vordering van de benadeelde partij het om een niet erg kostbaar boeket kunstbloemen ging.
De prijs van het boeket kunstbloemen, zoals die bleek uit de vordering benadeelde partij, was, zegt requirant dan maar cynisch, aan hem op het moment van handelen niet bekend.
Het Hof heeft de ongeloofwaardigheid van de verklaring van requirant niet rechtstreeks uit diens verklaringen kunnen afleiden doch uit een onjuiste interpretatie daarvan en uit vraagtekens (die slechts ongeloofwaardigheid uitdrukken) die het Hof geplaatst heeft bij vragen en situaties die in het geheel niet ter beantwoording zijn voorgelegd aan requirant, waarmee in wezen zelfs requirants recht op hoor en wederhoor geschonden is. Dat het Hof niet zo ‘makkelijk’ requirants verklaring omtrent zijn bedoelingen als ongeloofwaardig ter zijde mocht schuiven klemt te meer nu onweersproken is gebleven dat de uiterlijke verschijningsvorm van de handelingen van requirant in elk geval niet de krenking van de nagedachtenis of van het piëteitsgevoel is geweest, weshalve requirant derhalve in elk geval een andere bedoeling gehad moet hebben dan krenking van de nagedachtenis of van het piëteitsgevoel.
Maastricht, 17 mei 2016.
Mr. J.L.E. Marchal
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 17‑05‑2016
Noyon/Langemeijer/Remmelink, 7de druk, aantekening 2 op artikel 149 Sr.
Noot N. Keijzer onder Hoge Raad 2 oktober 2012, NJ 2013, no. 29.
Hoge Raad 14 januari 2014 ECLI: NL: HR: 2014: 54.
Hoge Raad 5 december 2006, ECLI: NL: HR: 2006: AZ1668, NJ 2006, 663.