De grenzen van het recht op nakoming
Einde inhoudsopgave
De grenzen van het recht op nakoming (R&P nr. 167) 2008/7.4:7.4 Conclusie
De grenzen van het recht op nakoming (R&P nr. 167) 2008/7.4
7.4 Conclusie
Documentgegevens:
mr. D. Haas, datum 02-12-2008
- Datum
02-12-2008
- Auteur
mr. D. Haas
- JCDI
JCDI:ADS382373:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit hoofdstuk heb ik de vraag beantwoord wanneer een schuldenaar zich met succes tegen een vordering tot nakoming kan verweren met de stelling dat nakoming gedeeltelijk of tijdelijk onmogelijk is. Voorts ben ik ingegaan op de betekenis van de begrippen tijdelijke en blijvende onmogelijkheid voor met name het verzuimvereiste.
Als de nakoming van een overeenkomst voor een gedeelte absoluut of relatief onmogelijk is, rijst de vraag wat hiervan de gevolgen zijn. Een schuldeiser kan in principe nakoming vorderen van het nog mogelijke gedeelte en de overeenkomst ontbinden, of omzetten voor het gedeelte dat onmogelijk is geworden. De gevolgen van gedeeltelijke onmogelijkheid kunnen echter zo ingrijpend zijn, dat zij qua rechtsgevolgen met volledige onmogelijkheid moet worden gelijkgesteld. De rechter dient een objectieve maatstaf te hanteren bij de bepaling of de gedeeltelijke onmogelijkheid als volledige onmogelijkheid moet worden behandeld. Niet doorslaggevend is derhalve of de schuldeiser al dan geen subjectief belang heeft bij gedeeltelijke nakoming, maar of de prestatie in technische en juridische zin deelbaar is.
Het tweede deel van dit hoofdstuk ging over de begrippen tijdelijke en blijvende onmogelijkheid. Problematisch is vooral het begrip tijdelijke onmogelijkheid dat enerzijds overeenkomsten vertoont met een vertraging in de nakoming, maar anderzijds verwantschap heeft met de blijvende onmogelijkheid. Ten aanzien van ontbinding concludeerde ik dat de wettelijke uitzondering op het verzuimvereiste bij tijdelijke onmogelijkheid (art. 6:265 lid 2) tot een niet goed te verdedigen incoherentie leidt met de regeling van schadevergoeding. Bij tijdelijke onmogelijkheid dient mijns inziens zowel voor het recht op omzetting als voor de ontbindingsbevoegdheid in beginsel te worden vastgehouden aan het verzuimvereiste en aan de ingebrekestellingsverplichting. Slechts indien op voorhand duidelijk is dat een aanmaning zinloos is, zal een ingebrekestelling achterwege kunnen blijven en treedt het verzuim van rechtswege in. De afgeslankte ingebrekestelling heeft bij omzetting en ontbinding geen toegevoegde waarde. Een afgeslankte ingebrekestelling heeft wel een zinvolle functie indien een schuldeiser vertragingsschade vordert. De ingebrekestelling zonder aanmaning dwingt de schuldeiser aan zijn wederpartij te communiceren dat hij vergoeding van de vertragingsschade verlangt. Dit voorkomt dat de schuldenaar door een vordering tot schadevergoeding wordt overvallen als nakoming weer mogelijk is. De wettelijke grondslag voor het recht op vergoeding van vertragingsschade is art. 6:85 dat het ontstaan van dit recht koppelt aan het verzuimvereiste. Deze koppeling leidt ertoe dat bij blijvende onmogelijkheid de schuldeiser geen recht heeft op vergoeding van vertragingsschade, omdat bij blijvende onmogelijkheid verzuim dan is uitgesloten. Hoewel de rechtsgevolgen voor ontbinding en schadevergoeding uiteenlopen bij tijdelijke en blijvende onmogelijkheid kan de tijdelijke onmogelijkheid in uitzonderlijke omstandigheden met de blijvende onmogelijkheid worden gelijkgesteld. Deze gelijkstelling leidt tot het algehele verlies van de schuldeiser van zijn recht op nakoming en mogelijk tot verlies van zijn recht op schadevergoeding. Vanwege deze ingrijpende gevolgen heeft het de voorkeur om niet te snel tot gelijkstelling te concluderen, maar de schuldenaar in staat te stellen zich op de relatieve onmogelijkheid, de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid, of onvoorziene omstandigheden te beroepen. Van gelijkstelling van tijdelijke met blijvende onmogelijkheid dient mijns inziens in beginsel evenmin sprake te zijn bij de tijdelijke niet-nakoming van een duurverbintenis. Niet-nakoming van een duurverbintenis dient tot gedeeltelijk blijvende onmogelijkheid te leiden. Voor de periode waarin nakoming is uitgebleven, kan de schuldeiser gedeeltelijk ontbinden of omzetten zonder zich om het verzuim te bekommeren. Voor de toekomst geldt mijns inziens in beginsel wel het verzuimvereiste, tenzij de gevolgen van de gedeeltelijke onmogelijkheid zo ernstig zijn, dat zij met de volledige onmogelijkheid kunnen worden gelijkgesteld.