Hof Den Haag, 15-03-2022, nr. 200.295.291/01
ECLI:NL:GHDHA:2025:356
- Instantie
Hof Den Haag
- Datum
15-03-2022
- Zaaknummer
200.295.291/01
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHDHA:2025:356, Uitspraak, Hof Den Haag, 18‑03‑2025; (Herroeping)
ECLI:NL:GHDHA:2022:397, Uitspraak, Hof Den Haag, 15‑03‑2022; (Hoger beroep kort geding)
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2021:4372, Bekrachtiging/bevestiging
- Vindplaatsen
Uitspraak 18‑03‑2025
Inhoudsindicatie
Afwijzing vordering tot herroeping. Uitleg volmacht, geen bedrog.
Partij(en)
GERECHTSHOF DEN HAAG
Afdeling Civiel recht
Zaaknummer : 200.295.291/02
Zaaknummer hoofdzaak : 200.295.291/01
arrest van 18 maart 2025
inzake
[eiser] ,
wonende te [woonplaats] ,
eiser,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. M.A.M. Lem te Breda,
tegen:
EY Advisory Netherlands LLP,
gevestigd te Londen (Verenigd Koninkrijk) en kantoorhoudende te Rotterdam,
verweerder,
hierna te noemen: EYAN,
advocaat: mr. Y. el Harchaoui te Amsterdam.
1. De zaak in het kort
[eiser] heeft in een kort geding bij de rechtbank Rotterdam afgifte gevorderd van een aantal bescheiden die volgens hem bij EYAN berusten. De voorzieningenrechter heeft zich onbevoegd verklaard om van de vordering kennis te nemen op grond van een door EYAN gevoerd arbitrageverweer. Bij arrest van 15 maart 2022 (hierna ook: het bestreden arrest) heeft dit hof het vonnis bekrachtigd. [eiser] vordert in deze procedure herroeping van dit arrest op de grond dat EYAN bedrog heeft gepleegd in de procedure. Het hof wijst de vordering tot herroeping af omdat van bedrog geen sprake is.
2. Het geding
2.1.
Het verloop van het geding blijkt uit de volgende stukken:
- -
de dagvaarding van 31 oktober 2023, waarmee [eiser] herroeping heeft gevorderd van het bestreden arrest
- -
de conclusie van antwoord van EYAN, met producties 1-32
- -
de producties 9-15 van [eiser]
- -
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 17 januari 2025.
2.2.
Het proces-verbaal van de mondelinge behandeling is buiten aanwezigheid van partijen opgemaakt. Zij zijn in de gelegenheid gesteld om eventuele opmerkingen van feitelijke aard over het proces-verbaal te maken. [eiser] heeft van die gelegenheid binnen de gestelde termijn geen gebruik gemaakt. Bij brief van 25 februari 2025 heeft mr. Harchaoui namens EYAN opmerkingen gemaakt over het proces-verbaal, over een drietal uitlatingen van zijn kant. Het hof hecht deze brief aan het proces-verbaal; deze maakt hiermee deel uit van de gedingstukken. De voorgestelde correcties zijn niet te herleiden tot de aantekeningen van de griffier. Het hof kan er echter van uitgaan dat mr. Harchaoui zijn uitlatingen heeft gedaan en/of heeft bedoeld zoals hij in zijn brief schrijft; voor de beoordeling van het geschil maakt het niet uit.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft gelijktijdig met de mondelinge behandeling in zaak 200.343.836/01, tussen dezelfde partijen, plaatsgevonden. In die zaak wordt heden beschikking gegeven.
3. Feiten
3.1.
Afsplitsing EYAN van EYA. [naam bedrijf] B.V. (hierna ook: [naam bedrijf] ), van welke vennootschap [eiser] bestuurder en enig aandeelhouder is, was voorheen partner bij EY Accountants LLP (hierna: EYA) en Ernst & Young Nederland LLP (EYNL). In 2018 heeft de EY-organisatie besloten de consultancyactiviteiten af te splitsen van EYA en onder te brengen in EYAN.
3.2.
Informatievoorziening. Een e-mail van de heer [naam 1] van 11 februari 2019 aan alle EYA-partners met een link naar een FAQ geeft een nadere beschrijving van deze afsplitsing, en vermeldt dat onder meer de heer [naam 2] ( [naam 2] ) deel zal gaan uitmaken van het bestuur van EYAN. Een brief van EYA van 21 maart 2019 aan alle EYA-partners die naar EYAN zouden gaan overgaan, met verdere informatie over de afsplitsing, vermeldt als bijlage onder meer een volmacht. Later heeft EYA nog volmachten nagezonden, die naast de partner-rechtspersoon de DGA daarvan als volmachtgever vermeldt.
3.3.
Volmacht [eiser] (BV). Op 29 maart 2019 heeft [eiser] namens [naam bedrijf] en op 30 maart 2019 opnieuw namens [naam bedrijf] en ook voor zichzelf de volmachten getekend aan ieder lid van de besturen (member of the boards) van EYA en/of EYAN om, kort gezegd, [naam bedrijf] als partner te laten uittreden bij EYA en te laten toetreden bij EYAN (als EYAN Partner), en ook [eiser] bij die toetreding partij te laten worden (als EYAN Professional).
3.4.
EYAN-overeenkomst. Een op 1 april 2019 gedateerd stuk dat als partijen EYAN, [naam bedrijf] en [eiser] vermeldt (hierna ook: de EYAN-overeenkomst) wil die toetreding belichamen. Het stuk is voor alle drie de partijen getekend door [naam 2] : voor [naam bedrijf] en [eiser] , zo vermeldt het stuk, krachtens volmacht. [naam 2] was per 31 maart 2019 bestuurder van EYAN geworden (en was overigens nimmer bestuurder van EYA).
3.5.
Arbitraal beding. De EYAN-overeenkomst verklaart onder meer de zogenaamde AN Rules toepasselijk, die in de daarvan deel uitmakende Fundamental Rules een arbitraal beding bevatten.
3.6.
Onderzoek Van Doorne. Advocatenkantoor Van Doorne heeft in opdracht van de EY-organisatie onderzoek gedaan naar meldingen over misstanden door [eiser] .
3.7.
Opzegging door EYAN. Bij brief van 24 december 2020, geadresseerd aan [naam bedrijf] t.a.v. [eiser] , heeft EYAN medegedeeld de EYAN-overeenkomst op te zeggen per 1 juli 2021.
3.8.
Afgiftevordering. [eiser] heeft in kort geding bij de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam afgifte gevorderd van een aantal bescheiden die volgens hem bij EYAN berusten. De voorzieningenrechter heeft zich onbevoegd verklaard om van de vordering kennis te nemen vanwege het arbitraal beding. Met het bestreden arrest heeft dit hof het vonnis van de voorzieningenrechter bekrachtigd. Naar het hof begrijpt heeft geen van partijen cassatieberoep aangetekend tegen dit arrest, zodat het op 16 juni 2022 in kracht van gewijsde is gegaan.
4. Vordering en grondslagen
[eiser] vordert herroeping van het bestreden arrest. Hij voert daartoe aan dat EYAN bedrog heeft gepleegd in de procedure die tot dat arrest heeft geleid (hierna ook: de hoofdzaak). Dit bedrog heeft volgens [eiser] bestaan, samengevat, uit
- -
bedrog over de exacte gang van zaken rond de afsplitsing van EYAN; en
- -
bedrog over de werkelijke aard van het onderzoek van Van Doorne.
5. Beoordeling
Producties bij de herroepingsdagvaarding maken geen deel uit van het procesdossier
5.1.
De in de herroepingsdagvaarding vermelde producties zijn niet meebetekend en ook niet aangebracht op de rol. Tegenover de betwisting van EYAN heeft [eiser] niet aangetoond dat deze producties wel anderszins in het kader van deze procedure aan EYAN zijn toegezonden. [eiser] heeft de producties wel gefourneerd, maar het hof kan ze om de hiervoor vermelde redenen niet rekenen tot het procesdossier. Overigens heeft dit geen relevantie voor de beoordeling van de zaak, omdat de gestelde inhoud van deze producties hetzij niet door EYAN is betwist, hetzij zonder betekenis is voor de voorliggende geschilpunten.
Juridisch kader
5.2.
Een (vonnis of) arrest dat in kracht van gewijsde is gegaan, kan op vordering van een partij worden herroepen (onder meer) als het berust op bedrog door de wederpartij in het geding gepleegd (art. 382 aanhef en onder a Rv). Van bedrog in deze zin is onder meer sprake wanneer een partij door haar oneerlijke proceshouding belet dat in de procedure feiten aan het licht komen die tot een voor de tegenpartij gunstige afloop van de procedure zou hebben kunnen leiden (HR 4 oktober 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2162). Het rechtsmiddel moet worden aangewend binnen drie maanden nadat de grond voor de herroeping is ontstaan en de eiser tot herroeping daarmee bekend is geworden. De termijn vangt niet aan dan nadat het (vonnis of) arrest in kracht van gewijsde is gegaan (art. 383 lid 1 Rv). Een vordering tot herroeping kan niet met succes worden ingesteld tegen een uitspraak die mede berust op door de wederpartij gepleegd bedrog, als het bedrog reeds tijdens de voorafgaande procedure is ontdekt of bij een redelijkerwijs van de bedrogene te verwachten onderzoek had kunnen worden ontdekt (HR 15 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC0393).
Termijn
5.3.
Het antwoord op de tussen partijen omstreden vraag of de herroepingsdagvaarding binnen de door art. 383 lid 1 Rv gestelde termijn is uitgebracht kan het hof in het midden laten, omdat de herroepingsvordering op inhoudelijke gronden strandt.
Eerste herroepingsgrond: exacte gang van zaken afsplitsing EYAN
5.4.
[eiser] heeft het bedrog als volgt omschreven. EYAN heeft in de memorie van antwoord in de hoofdzaak gesteld dat [naam bedrijf] per 1 april 2014 is toegetreden als partner tot EYA, waarna per 1 april 2019 de consultancyactiviteiten zijn ondergebracht bij EYAN en het partnerschap van [naam bedrijf] is voortgezet bij EYAN door middel van het tekenen van de EYAN-overeenkomst (waarvan het arbitraal beding deel uitmaakte). Dit alles terwijl EYAN wist of behoorde te weten, aldus [eiser] , dat hij op dat moment niet wist, en in redelijkheid ook niet kon weten, hoe de (exacte) gang van zaken was geweest rondom de afsplitsing van de consultancyactiviteiten, hoe de bevoegdheden van de diverse functionarissen van de per 2 januari 2019 nieuw op te richten LLP EYAN waren/zijn geregeld, en hoe dientengevolge de overdracht van de overeenkomst tussen [naam bedrijf] en EYA respectievelijk EYAN exact was geweest.
5.5.
[eiser] heeft in de hoofdzaak het standpunt ingenomen dat het arbitraal beding niet aan hem kan worden tegengeworpen. In de herroepingsdagvaarding heeft hij hiervoor een nieuw argument aangedragen, dat op het volgende neerkomt:
- -
toen [eiser] volmacht verleende – of: dacht volmacht te verlenen – aan het bestuur van EYAN voor de overstap naar EYAN, had EYAN nog geen bestuur;
- -
de volmacht kan dus niet geacht worden te zijn gegeven;
- -
daarom is de EYAN-overeenkomst, of althans het daarvan deel uitmakende arbitraal beding, niet rechtsgeldig (schriftelijk) tussen [eiser] en EYAN overeengekomen.
5.6.
Zou EYAN in de hoofdzaak duidelijkheid hebben gegeven over (onder meer) dit ontbreken van een bestuur van EYAN ten tijde van de volmachtverlening, zo begrijpt het hof het standpunt van [eiser] , dan zou al in die procedure – zie hiervoor, 5.5 – duidelijk zijn geworden dat tussen [eiser] en EYAN geen arbitraal beding gold. De uitkomst zou volgens [eiser] dus anders zijn geweest.
5.7.
Het hof oordeelt hierover als volgt. De vordering op basis van deze eerste herroepingsgrond ontbeert feitelijke grondslag omdat zij uitgaat van een aan ‘het bestuur’ van EYAN gegeven volmacht, terwijl [eiser] volmacht heeft gegeven aan iedere bestuurder (hiervoor, 3.3). Op de mondelinge behandeling heeft [eiser] zijn stellingname weliswaar aangepast door ook te spreken over de volmacht aan [naam 2] (als bestuurder van EYAN, wat hij ten tijde van de volmachtverlening echter nog niet was), maar in zoverre is de herroepingsgrond buiten de termijn van artikel 383 lid 1 Rv aangevoerd, zelfs als veronderstellenderwijs zou worden aangenomen dat de volmacht in kwestie pas ten tijde van de conclusie van antwoord in deze herroepingsprocedure (gedateerd 9 januari 2024) (als productie daarbij) aan [eiser] bekend is geworden.
5.8.
Ook overigens is echter op basis van de eerste herroepingsgrond (zoals aangepast op de mondelinge behandeling) de vordering niet toewijsbaar, om (ten minste) twee redenen: (i) de volmacht is geldig ongeacht de door [eiser] in deze herroepingsprocedure aangevoerde feiten, en (ii) er is geen sprake van bedrog. Het hof licht dit als volgt toe.
5.9. (
(i) Volmacht is geldig. [eiser] was ermee bekend dat [naam 2] bestuurder van EYAN zou worden. Dit stond de e-mail van [naam 1] van 11 februari 2019 aan alle partners (hiervoor, 3.2). De enkele mededeling van mr. Lem op de mondelinge behandeling dat dit stuk eerst met de conclusie van antwoord (als productie daarbij) aan [eiser] bekend is geworden is niet te rijmen met de omstandigheid dat hijzelf deze e-mail als productie 7 bij de inleidende dagvaarding in de hoofdzaak heeft overgelegd. Hoe dan ook, [eiser] heeft doen bepleiten dat hij een volmacht heeft gegeven aan [naam 2] .
5.10.
Het punt dat [eiser] maakt is dat hij die volmacht heeft gegeven aan [naam 2] als bestuurder van EYAN, maar dat die volmacht niet geldig was omdat EYAN op dat moment geen bestuur had. [eiser] bedoelt hiermee mede, naar het hof begrijpt, dat [naam 2] ten tijde van de volmacht geen bestuurder van EYAN was. Het hof is echter van oordeel dat EYAN de volmacht heeft mogen opvatten, zoals door haar bepleit, in die zin , kort gezegd, dat voor het in de volmacht vermelde bestuurderschap niet het moment van volmachtverlening maar dat van uitoefening beslissend was, met andere woorden dat de volmacht was gegeven (mede) aan [naam 2] voor het moment dat deze bestuurder van EYAN zou worden. [eiser] heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn eventuele maar alsdan onjuist gebleken veronderstelling dat [naam 2] reeds ten tijde van de volmachtverlening bestuurder van EYAN was, voor hem destijds relevant was voor het afgeven van die volmacht. In elk geval had EYAN (of [naam 2] ) geen reden om met die eventuele (onjuiste) veronderstelling rekening te houden of de volmacht anders op te vatten. Verder waren de beoogde, aan te gane verbintenissen waar de volmacht op zag ook voldoende bepaald. Van een nietige volmacht is dan ook geen sprake. [naam 2] was op 1 april 2019 bestuurder van EYAN en [eiser] kon op die datum dus schriftelijk en rechtsgeldig (bij volmacht) met EYAN de EYAN-overeenkomst aangaan, inclusief het arbitraal beding.
5.11. (
(ii) Geen bedrog. Zelfs als veronderstellenderwijs zou worden aangenomen dat de volmacht niet geldig was om de door [eiser] nu aangedragen redenen, betekent dat nog niet dat EYAN bedrog heeft gepleegd in de procedure. Daarvoor zou ten minste nodig zijn dat EYAN met het niet-vermelden dat [naam 2] ten tijde van de volmachtverlening nog geen bestuurder van EYAN was, het opzet had om de rechter (of [eiser] ) te misleiden, of dat EYAN wat dit betreft anderszins een oneerlijke proceshouding kan worden verweten. Uit niets blijkt evenwel dat hiervan sprake is. Hierbij is van belang dat EYAN ten minste kon veronderstellen – langs de hiervoor in 5.10 weergegeven lijnen – dat gewoon geldige volmacht was verleend en dat de EYAN-overeenkomst rechtsgeldig was gesloten. Dat EYAN desondanks oneerlijk is geweest bij het niet vermelden van de aanvangsdatum van het bestuurderschap van [naam 2] , is tegen die achtergrond niet aannemelijk. De door [eiser] gestelde toezichtrechtelijke verplichtingen van EYAN om kort gezegd transparant te zijn omtrent haar bestuursstructuur en -bezetting maken dit niet anders.
Tweede herroepingsgrond: werkelijke aard onderzoek Van Doorne
5.12.
[eiser] heeft het bedrog verder als volgt omschreven. EYAN heeft het in de memorie van antwoord in de hoofdzaak doen voorkomen alsof Van Doorne onafhankelijk onderzoek heeft gedaan naar de meldingen van misstanden door [eiser] . Dit onderzoek was volgens [eiser] echter niet onafhankelijk, en ook overigens voldeed het volgens hem niet aan de standaarden die de EY-organisatie in acht diende te (laten) nemen. Volgens [eiser] had het hof in de hoofdzaak geen rekening mogen houden met de volgens [eiser] bedrieglijke stellingen van EYAN op dit vlak.
5.13.
Het hof oordeelt hierover als volgt. Voor een geslaagd beroep op herroeping wegens bedrog moet ten minste aannemelijk zijn dat het bedrog weggedacht, de beslissing anders zou zijn uitgevallen. Daarvan is geen sprake. Het bestreden arrest geeft geen enkel aanknopingspunt dat de stellingen van EYAN omtrent het onderzoek door Van Doorne een rol hebben gespeeld bij de gegeven beslissing, noch is aannemelijk dat deze stellingen [eiser] hebben belet een andere en succesvolle proceshouding in te nemen ten aanzien van het arbitrageverweer van EYAN.
Overige stellingen
5.14.
[eiser] heeft in de herroepingsdagvaarding nog aangevoerd dat hij op het moment van aangaan van de EYAN-overeenkomst niet beschikte over de toepasselijke Fundamental Rules (waarin het arbitraal beding is opgenomen). Hij verbindt aan deze stelling echter geen duidelijke consequenties. Volledigheidshalve overweegt het hof dat EYAN onweersproken heeft aangevoerd dat [eiser] voorafgaand aan zijn volmachtverlening heeft getekend voor de concept-Fundamental Rules van EYAN, die EYAN vervolgens op 31 maart 2019 conform concept heeft vastgesteld. Op 1 april 2019 kon [naam 2] , toen inmiddels bestuurder van EYAN, dus mede namens [eiser] tekenen voor (ontvangst en/of kennisneming van) die Fundamental Rules.
5.15.
Op de mondelinge behandeling heeft [eiser] opmerkingen doen maken met de strekking dat EYAN bedrog heeft gepleegd door het te doen voorkomen dat de afsplitsing van EYAN van EYA in arbeidsrechtelijke zin een overgang van onderneming behelsde, terwijl dat volgens [eiser] niet het geval was. [eiser] verwijst voor dit gestelde bedrog naar de e-mail met FAQ van [naam 1] van 11 februari 2019 en de met de brief van 21 maart 2019 meegezonden volmacht. [eiser] heeft daarbij echter niet (voldoende) duidelijk gemaakt waaruit het bedrog in de procedure volgens hem dan heeft bestaan. Hij heeft ook niet aangeduid dat en hoe, het gestelde bedrog in de procedure weggedacht, in de hoofdzaak tot een andere uitkomst zou zijn gekomen. Ook heeft [eiser] niet toegelicht waaruit zijn ontdekking van het gestelde bedrog heeft bestaan, en dat hij deze ontdekking niet reeds in de hoofdzaak had kunnen en moeten doen, althans eerder dan drie maanden voorafgaand aan de herroepingsdagvaarding zoals die nu is uitgebracht (vlg. hiervoor, 5.2). Overigens heeft [eiser] onvoldoende toegelicht dat en waarom geen sprake was van overgang van onderneming, dan wel wat er concreet mis was met de voorlichting van EYAN op dat vlak.
Proceskosten
5.16.
[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. EYAN heeft voor dat geval gevraagd om [eiser] te veroordelen in de volledige proceskosten, waarmee zij doelt op de kosten van haar advocaat, die volgens haar opgave € 19.283,50 bedragen, exclusief kantoorkosten, en de overige kosten van het geding. EYAN voert hiertoe aan dat [eiser] zich schuldig maakt aan onrechtmatig procederen. Volgens EYAN maakt [eiser] misbruik van procesrecht, gebruikt hij de herroepingsprocedure voor oneigenlijke doeleinden, en handelt hij in weerwil van het overeengekomen arbitraal beding. Meer in het bijzonder voert EYAN aan, samengevat, dat [eiser] al dan niet samen met [naam bedrijf] al vele gerechtelijke procedures tegen EYAN is gestart, dat die vooralsnog steeds zijn afgestuit op het telkenmale rechtsgeldig bevonden arbitraal beding, en dat [eiser] bij het vervolgens starten van de onderhavige herroepingsprocedure wist of althans moest weten dat deze (ook) kansloos was. Volgens EYAN is het nadeel dat zij door al deze procedures lijdt, in termen van kosten van verweer, onevenredig groot.
5.17.
Het hof oordeelt hierover als volgt. Er is een recht op volledige vergoeding van proceskosten indien sprake is van onrechtmatig procederen c.q. misbruik van procesrecht. Hiervan is sprake indien het instellen van de vordering gelet op de evidente ongegrondheid ervan in verband met de betrokken belangen van de wederpartij, achterwege had behoren te blijven. De eiser moet zijn vordering gebaseerd hebben op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door artikel 6 EVRM. Dit geldt overeenkomstig ten aanzien van een verweerder die zich in een geding tegen de vorderingen van de eiser verdedigt.
5.18.
Deze aan de rechtspraak van de Hoge Raad ontleende regels zijn in overeenkomstige zin toepasbaar op het geschil tussen partijen verband houdende met het beroep van EYAN op het arbitraal beding en wat [eiser] daartegen heeft ingebracht, in het kader van de onderhavige herroepingsprocedure. Anders dan EYAN bepleit, levert niet het enkele voeren van een procedure in strijd met de verplichtingen uit een arbitrageovereenkomst een deugdelijke grondslag op voor een verzoek tot volledige vergoeding van proceskosten. Voor de toewijsbaarheid van een verzoek tot volledige vergoeding van proceskosten moet ook ten aanzien van het voeren van zodanige procedure de eis worden gesteld dat sprake is van onrechtmatig procederen c.q. misbruik van procesrecht.
5.19.
Gelet op de terughoudendheid die daarbij past, is het hof van oordeel dat in de onderhavige herroepingsprocedure niet is gebleken van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen aan de zijde van [eiser] . Het gaat uiteindelijk om de uitleg van de door [eiser] gegeven volmacht, die niet was overgelegd in de hoofdzaak waarin EYAN zich verweerde met een beroep op het arbitraal beding in de EYAN-overeenkomst dat krachtens die volmacht tot stand zou zijn gekomen, en de stelling van [eiser] dat hij zich tijdens de hoofdzaak niet bewust was geweest van (onder meer) het ontberen van de hoedanigheid van EYAN-bestuurder van [naam 2] ten tijde van de volmachtverlening. Hoewel het hof anders oordeelt (onder 5.10 hiervoor) over de geldigheid van de volmacht kan niet gezegd worden dat de door [eiser] bepleite nietigheid van de volmacht stoelt op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op door hem aangevoerde stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden.
5.20.
Hieruit vloeit voort dat de juridische kosten waarvan EYAN volledige vergoeding verzoekt slechts op basis van het liquidatietarief voor vergoeding in aanmerking komen.
Slotsom
5.21.
Het hof ziet geen aanleiding tot bewijslevering. [eiser] heeft ook geen specifieke stellingen ingenomen die, indien bewezen, tot een andere uitkomst zouden kunnen leiden. Het hof zal de vordering tot herroeping afwijzen en [eiser] veroordelen in de kosten van het geding volgens het toepasselijke liquidatietarief, aan de zijde van EYAN tot op heden begroot op € 783,- voor het griffierecht en € 2.428,- voor het salaris van de advocaat, totaal € 3.211,-. De nakosten begroot het hof zoals het dictum vermeldt.
6. Beslissing
Het hof:
- -
wijst de vordering tot herroeping af;
- -
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van het geding, aan de zijde van EYAN begroot op € 3.211,- tot op heden, en op € 178,- aan nasalaris voor de advocaat, nog te verhogen met € 92,- indien niet binnen 14 dagen na aanschrijving in der minne aan dit arrest is voldaan en vervolgens betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, en bepaalt dat deze bedragen binnen 14 dagen na de dag van de uitspraak dan wel, wat betreft het bedrag van € 92,-, na de datum van betekening, moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van de betreffende termijn van 14 dagen;
- -
verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
- -
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.W. Frieling, M.D. Ruizeveld en B.R. ter Haar en
is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 maart 2025, in aanwezigheid van de griffier.
Uitspraak 15‑03‑2022
Inhoudsindicatie
In dit kort geding waarin exhibitie wordt gevorderd van diverse documenten, is in eerste aanleg voor alle weren een beroep gedaan op een arbitraal beding. De voorzieningenrechter heeft zich naar het oordeel van het hof terecht onbevoegd verklaard.
Partij(en)
GERECHTSHOF DEN HAAG
Afdeling Civiel recht
Zaaknummer : 200.295.291/01
Zaaknummer rechtbank : C/10/615991 / KG ZA 21-244
arrest van 15 maart 2022
inzake
[appellant] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna te noemen: [appellant] ,
advocaat: mr. M.A.M. Lem te Breda,
tegen:
EY Advisory Netherlands LLP,
gevestigd te Londen (Verenigd Koninkrijk) en kantoorhoudende te Rotterdam,
geïntimeerde,
hierna te noemen: EYAN,
advocaat: mr. P.H.E. Voûte te Amsterdam.
1. Het geding
1.1.
Het verloop van het geding blijkt uit de volgende stukken:
- -
het procesdossier eerste aanleg, waaronder het tussen partijen gewezen vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam van 12 mei 2021 (hierna ook: het bestreden vonnis),
- -
de appeldagvaarding van 31 mei 2021 (tevens inhoudende grieven),
- -
de memorie van antwoord, met producties 10-12,
- -
de producties 13-14 van EYAN,
- -
de producties 30-31 van [appellant] ,
- -
het proces-verbaal van de pleidooizitting van 30 november 2021.
1.2.
Het proces-verbaal van de pleidooizitting van 30 november 2021 is met instemming van partijen buiten hun aanwezigheid opgemaakt. Zij zijn in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken na ontvangst eventuele opmerkingen van feitelijke aard te maken, van welke gelegenheid zij geen gebruik hebben gemaakt.
1.3.
Op de pleidooizitting van 30 november 2021 is de zaak aangehouden in verband met verwijzing naar mediation. Partijen hebben het hof nader bericht dat de mediation niet tot resultaat heeft geleid. EYAN heeft om arrest gevraagd. [appellant] heeft om voortzetting van de mondelinge behandeling dan wel een regiezitting gevraagd. Zij voert daartoe aan dat in een recent arrest, van ná de mondelinge behandeling in de onderhavige zaak van 30 november 2021, de Hoge Raad heeft geoordeeld dat de vraag of al dan niet sprake is van een overeenkomst van opdracht dient te worden beoordeeld aan de hand van de inhoud van de tussen partijen gemaakte afspraken, en de wijze waarop partijen uitvoering aan de inhoud van die gemaakte afspraken hebben gegeven (Haviltex-criterium) (HR 18 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:282).
2. Beoordeling van het verzoek van [appellant] tot voortzetting van de mondelinge behandeling of het houden van een regiezitting
Anders dan [appellant] betoogt, geeft het door hem genoemde arrest van de Hoge Raad geen nieuw criterium, terwijl de kwestie bovendien niet relevant is voor de beoordeling van het onderhavige geschil (vlg. hierna, 3.23). Het hof wijst het verzoek tot voortzetting van de mondelinge behandeling of het houden van een regiezitting daarom af, en zal het geschil inhoudelijk beoordelen.
3. Beoordeling van het hoger beroep
feiten
3.1.
[appellant] heeft voor zichzelf als “EYAN Professional” en namens zijn persoonlijke vennootschap [naam bedrijf] als “EYAN Partner” een overeenkomst gesloten met EYAN, op grond waarvan [naam bedrijf] toetrad (accede) tot EYAN per 1 april 2019 (artikel 2) (hierna ook: de EYAN-overeenkomst).
3.2.
Artikelen 3 en 7 van de EYAN-overeenkomst bepalen het volgende:
“3 The EYAN Professional and the EYAN Partner both individually confirm that it has been supplied with and has read a copy of the AN Members Agreement, the AN Rules and the AN Regulations, and agrees with EYAN and each of the other EYAN Professionals and EYAN Partners (as defined in the AN Rules) to observe, perform and be bound by all the terms of the AN Members Agreement, the AN Rules and the AN Regulations, as these may be amended from time to time in accordance with the terms thereof, as if named as a party to the AN Members Agreement, the AN Rules and the AN Regulations.”
“7 This AN Admission Agreement shall be governed by the laws of the European part of the Netherlands and any disputes which may arise from this AN Admission Agreement shall be settled in accordance with article 25 of the AN Rules.”
3.3.
Artikel 25.1.1 van de Fundamental Rules van EYAN (hierna ook: EYAN-Fundamental Rules) (hierna ook: het arbitraal beding) bepaalt het volgende:
“All disputes arising pursuant to or in connection with the AN Members Agreement, these AN Rules or the AN Regulations, including subsequent agreements and regulations, shall be referred to an arbitrator, pursuant to the rules of the Netherlands Arbitration Institute. The decision resulting therefrom shall be final and binding on the parties. If one of the parties concerned wishes to have a provisionally enforceable decision for urgent reasons, the claim relating thereto shall, to the exclusion of any other court procedure, be heard in summary arbitral proceedings with due observance of the rules of the Netherlands Arbitration Institute.”
3.4.
Bij brief van 24 december 2020, geadresseerd aan [appellant] BV t.a.v. [appellant] , heeft EYAN medegedeeld de EYAN-overeenkomst op te zeggen per 1 juli 2021.
vorderingen en vonnis eerste aanleg
3.5.
In eerste aanleg heeft [appellant] afgifte gevorderd van in de inleidende dagvaarding vermelde bescheiden, op straffe van een dwangsom en met veroordeling van EYAN in de proceskosten. Aan deze vordering legde [appellant] de stelling ten grondslag dat hij belang heeft bij deze bescheiden om, samengevat, zijn rechtspositie te bepalen in verband met de opzegging (zie hiervoor in 3.4) en eventuele schadevergoeding. Hij heeft hierbij een beroep gedaan op artikel 843a Rv en bepalingen van de AVG.
3.6.
Met het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter zich op grond van het arbitraal beding onbevoegd verklaard om van de vordering kennis te nemen, met veroordeling van [appellant] in de kosten.
vordering in het hoger beroep
3.7.
[appellant] vordert vernietiging van het bestreden vonnis en alsnog toewijzing van zijn vordering, dan wel bevoegdverklaring van de voorzieningenrechter en terugwijzing naar deze ter verdere behandeling en beslissing. EYAN concludeert tot bekrachtiging van het bestreden vonnis.
beoordeling van de vordering in het hoger beroep
3.8.
Tussen partijen is niet in geschil dat de “AN Rules” waarnaar artikelen 3 en 7 van de EYAN-overeenkomst verwijzen, (mede) de EYAN-Fundamental Rules zijn.
3.9.
[appellant] voert tegen het bestreden vonnis samengevat de volgende grieven aan:
- -
de voorzieningenrechter heeft miskend dat [appellant] in persoon als partner is toegetreden tot EYAN en eerder ook tot Ernst & Young Nederland LLP (EY NL) en Ernst & Young Accountants LLP (EYA), dat [appellant] zijn winstaandeel weliswaar (indirect) van EY NL ontving maar (nog meer) indirect van EYAN en eerder EYA, en dat EYAN de EYAN-overeenkomst niet aan [appellant] in persoon heeft opgezegd (grieven I en II);
- -
EYAN heeft in eerste aanleg niet vóór alle weren ten aanzien van [appellant] een beroep op het arbitraal beding gedaan (grieven III en IV);
- -
de voorliggende vordering valt buiten de reikwijdte van het arbitraal beding (grief IV);
- -
het arbitraal beding is onredelijk bezwarend en uit dien hoofde vernietigbaar (grief IV);
- -
ten onrechte heeft de voorzieningenrechter overwogen dat [appellant] geen feiten of omstandigheden naar voren heeft gebracht, en ook overigens niet aannemelijk is, dat de gevraagde voorziening niet tijdig in arbitrage kan worden verkregen (grief V).
3.10.
Het hof oordeelt hierover als volgt.
Grieven III en IV: beroep op arbitraal beding niet vóór alle weren aangevoerd
3.11.
Volgens [appellant] heeft EYAN zich in eerste aanleg niet te zijnen aanzien vóór alle weren op het arbitraal beding beroepen. Hij verwijst hiertoe naar § 58 van de conclusie van antwoord van EYAN:
“De Documenten die door [appellant] worden gevorderd, zien niet op een rechtsbetrekking waar [appellant] rechtstreeks partij bij is. [appellant] is uit hoofde van zijn vennootschap [naam bedrijf] een partnership met EY NL en EYAN aangegaan en staat derhalve niet in directe rechtsbetrekking met EY NL en EYAN als natuurlijk persoon. Los van de overige bezwaren die strekken tot een afwijzing van de vordering van [appellant] (reeds vanaf paragraaf 50 besproken en verder uiteengezet vanaf paragraaf 67), had het voor de hand gelegen als de vordering tot afgifte van de Documenten zou zijn ingesteld door zijn vennootschap, [naam bedrijf] , en niet door [appellant] als natuurlijk persoon bij EYAN.”
3.12.
Volgens [appellant] ontkent EYAN met deze woorden het bestaan van een rechtsbetrekking met [appellant] . Dat is volgens hem niet verenigbaar met een beroep op een arbitraal beding, dat juist het bestaan van een rechtsbetrekking impliceert. Een dergelijk beroep, te zijnen aanzien, heeft EYAN volgens [appellant] dan ook niet in de conclusie van antwoord gedaan.
3.13.
Het hof oordeelt hierover als volgt. Aan [appellant] moet worden toegegeven dat de letterlijke tekst van de door hem aangehaalde passage mede inhoudt dat hij als natuurlijk persoon volgens EYAN niet in directe rechtsbetrekking met EYAN staat. Toch kan dit enkele feit niet de conclusie dragen dat het beroep door EYAN op het arbitraal beding faalt.
3.14.
De passage als geheel, in het bijzonder de eerste en derde volzin ervan, maakt duidelijk dat EYAN bedoelt dat de documenten waarop [appellant] met zijn vordering aanspraak maakt volgens haar betrekking hebben op de partnerschapsrelatie tussen EYAN en [naam bedrijf] , en dat [appellant] in díe rechtsbetrekking niet rechtstreeks partij is.
3.15.
In § 5 van haar conclusie van antwoord beschrijft EYAN dat het toetreden van een partner tot EYAN plaatsvindt doordat de persoonlijke vennootschap van de partner de EYAN-overeenkomst tekent en deze in persoon medeondertekent voor wat betreft de verplichtingen die de partner als natuurlijk persoon heeft (o.a. het non-concurrentiebeding, het geheimhoudingsbeding, de Duties of EY Professionals meer algemeen en de IP-clausule). Ook al is het gebruik van de term “partner” (ook) hier enigszins verwarrend, nu EYAN het hier mede heeft over “partner als natuurlijk persoon” terwijl zij overigens bepleit dat juist slechts de vennootschap van de natuurlijke persoon partner (“Partner”) wordt, en niet die natuurlijke persoon zelf, voldoende duidelijk is dat EYAN hier beschrijft dat de natuurlijke persoon ( [appellant] ) de EYAN-overeenkomst met het oog op de eigen verplichtingen voor zichzelf tekent, wat niet anders kan worden begrepen dan dat deze bij die overeenkomst (in zoverre) partij wordt. In § 23 van haar conclusie van antwoord stelt EYAN dat de voorzieningenrechter niet bevoegd is om over de voorgelegde zaak te beslissen omdat partijen geschilbeslechting door middel van arbitrage zijn overeengekomen. Deze stellingname kan niet anders worden begrepen dan dat EYAN hierbij het oog heeft op de partijen in de procedure, dat wil zeggen [appellant] en EYAN. In § 24 beschrijft EYAN dat het arbitraal beding deel uitmaakt van de EYAN-overeenkomst en dat uit dit beding blijkt dat partijen hebben afgesproken dat voor alle geschillen die samenhangen met of voortvloeien uit de EYAN-overeenkomst de arbitrageprocedure dient te worden gevolgd.
3.16.
Kortom: EYAN maakt duidelijk dat [appellant] partij is bij de EYAN-overeenkomst, stelt dat het arbitraal beding daarvan deel uitmaakt, en beroept zich erop dat de rechter zich onbevoegd dient te verklaren omdat zij met [appellant] arbitrage is overeengekomen. Dat maakt voldoende duidelijk dat zij zich ten aanzien van [appellant] (in persoon) op rechterlijke onbevoegdheid wegens (door middel van geschrift bewezen) arbitrage beroept. Tegen deze achtergrond is duidelijk, en moest ook voor [appellant] duidelijk zijn, dat EYAN in § 58 van haar conclusie van antwoord niet bedoeld heeft te stellen dat [appellant] op generlei wijze partij is bij de EYAN-overeenkomst en het daarvan deel uitmakende arbitraal beding.
Grief IV: de vordering valt buiten de reikwijdte van het arbitraal beding
3.17.
[appellant] voert in hoger beroep aan dat de vraag of zijn vordering onder de reikwijdte van het arbitraal beding valt, door middel van uitleg van dat arbitraal beding moet worden bepaald. Zijn vordering formuleert hij in zijn appeldagvaarding als “vordering afschrift bepaalde bescheiden” en de verplichting van EYAN om daaraan te voldoen als “exhibitieplicht”. Dat [appellant] zijn vordering in het hoger beroep ook nog handhaaft op grondslag van bepalingen van de AVG blijkt hieruit niet, en ook overigens niet uit de appeldagvaarding. Op de mondelinge behandeling in het hoger beroep heeft mr. Lem ook bevestigd in de memorie van grieven (lees: appeldagvaarding) niet te zijn ingegaan op de AVG en daarover geen aanvullende grieven in te dienen, en EYAN heeft het – blijkens de mededeling van mr. Voûte op die mondelinge behandeling dat zij niet ingaat op de AVG omdat daartegen niet is gegriefd – klaarblijkelijk ook aldus begrepen. Het hof concludeert op grond hiervan dat de AVG-grondslag in hoger beroep niet meer voorligt. Een ander oordeel zou in strijd komen met de eisen van een goede procesorde (o.m. hoor en wederhoor) nu in een dergelijk geval de grieven van [appellant] verder zouden worden opgerekt dan voor EYAN als wederpartij kenbaar was.
3.18.
Ten betoge dat zijn vordering – voor zover gebaseerd op artikel 843a Rv – niet onder de reikwijdte van het arbitraal beding valt voert [appellant] aan dat nog niet eens sprake is van een geschil (zoals door het arbitraal beding vereist). Hij vraagt juist om de diverse documenten om te kunnen beoordelen of sprake is van een geschil, en zo ja of dit ook voortvloeit uit of verband houdt met de EYAN-overeenkomst (zoals eveneens door het arbitraal beding vereist) – aldus [appellant] . Dit betoog faalt. De aanspraak die [appellant] maakt op de documenten in combinatie met de weigering van EYAN om die te verschaffen (het verweer) kwalificeert reeds als geschil – het geschil waarom het hier gaat. [appellant] stelt niet dat de documenten waarom hij vraagt geen verband houden met (zijn betrokkenheid bij c.q. werkzaamheden onder) de EYAN-overeenkomst. Overigens hebben de gevraagde documenten volgens de stellingen van [appellant] deels ook betrekking op de periode vóór de EYAN-overeenkomst, en houden deze klaarblijkelijk mede verband met (werkzaamheden van [appellant] onder) destijds met EY NL en EYA gesloten overeenkomsten. De vorderingen in deze procedure heeft [appellant] echter ingesteld tegen EYAN, en uit niets blijkt dat de rechtsbetrekking tussen [appellant] en EYAN waarop deze documenten betrekking zouden kunnen hebben, niet voortvloeit uit of verband houdt met de EYAN-overeenkomst.
3.19.
[appellant] voert verder nog aan dat uit het arbitraal beding niet blijkt dat de daarin genoemde “provisionally enforceable decision for urgent reasons” tevens ziet op een artikel 843a Rv-vordering als de onderhavige. Dit is echter niet relevant omdat ook zonder deze clausule de vordering onder de werking van het arbitraal beding valt. Overigens valt niet in te zien waarom een dergelijke vordering (de onderhavige vordering) buiten die omschrijving zou vallen.
Grief IV: het arbitraal beding is onredelijk bezwarend en daarom vernietigbaar
3.20.
[appellant] stelt dat het arbitraal beding, dat kwalificeert als algemene voorwaarde, onredelijk bezwarend en uit dien hoofde vernietigbaar is. Dit standpunt levert geen adequaat verweer op tegen het beroep door EYAN op het arbitraal beding. Immers, een rechtshandeling (in dit geval: een overeengekomen beding) die vernietigbaar is, is geldig zolang deze niet is vernietigd, en van (buitengerechtelijke) vernietiging van het arbitraal beding blijkt in dit geding niet.
3.21.
Ten overvloede overweegt het hof nog als volgt. De stelling van [appellant] dat hij geen partner bij EY kon worden als hij niet voor (ook) het arbitraal beding zou tekenen, kan niet het (voorlopig) oordeel dragen dat het beding onredelijk bezwarend is. De stellingen van [appellant] dat hij moest meewerken aan het optuigen van een fiscale constructie en dat hij in een dwangpositie was komen te verkeren, en dat arbitrage kostbaar is, wat daar ook van zij, maken dat niet anders. Dat zijn advocaat van destijds – die hem naar hij stelt niet over het arbitraal beding heeft geadviseerd – eigenlijk advocaat van EY was, of onder invloed van EY stond, heeft [appellant] tegenover de gemotiveerde betwisting van EYAN onvoldoende onderbouwd. Overigens heeft [appellant] het bij zijn betoog over het onredelijk bezwarend zijn van het arbitraal beding klaarblijkelijk over zijn toetreding tot EYA (en EY NL), terwijl het voorliggende arbitraal beding pas veel later (nader) is overeengekomen, te weten in de EYAN-overeenkomst. Redenen waarom het arbitraal beding als onderdeel van déze overeenkomst onredelijk bezwarend zou zijn, heeft [appellant] niet gegeven. Maar voor zover [appellant] mocht hebben bedoeld dat de genoemde omstandigheden zich ook toen voordeden en dat zijn betoog ook hiervoor geldt, geldt de voorgaande verwerping daarvan dienovereenkomstig.
Grief V: de gevraagde beslissing kan niet of niet tijdig in arbitrage worden gegeven
3.22.
Voor zijn grief dat de gevraagde beslissing niet of niet tijdig in arbitrage kan worden gegeven heeft [appellant] geen argumenten aangedragen, terwijl EYAN juist heeft toegelicht en onderbouwd dat dat wel op zeer korte termijn kan. Deze grief faalt.
Grieven I en II: persoonlijk partnerschap, betaling winstdelen, opzegging EYAN-overeenkomst
3.23.
De stellingen die [appellant] in het kader van zijn grieven I en II aandraagt zijn irrelevant voor de beoordeling van de bevoegdheid, en kunnen daarom onbesproken blijven.
slotsom; proceskosten
3.24.
De conclusie moet luiden dat de grieven falen of niet kunnen leiden tot de gevolgtrekking dat de voorzieningenrechter zich ten onrechte onbevoegd heeft verklaard. Het hof zal het bestreden vonnis bekrachtigen en [appellant] veroordelen in de kosten van het hoger beroep. Het hof begroot deze aan de zijde van EYAN tot op heden op € 272 voor het griffierecht en € 3.342 voor het salaris van de advocaat (3 punten x tarief II hoger beroep), totaal € 3.614. De nakosten begroot het hof zoals het dictum vermeldt.
4. Beslissing
Het hof:
- -
bekrachtigt het bestreden vonnis;
- -
veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep, aan de zijde van EYAN begroot op € 3.614 tot op heden, en op € 163 aan nasalaris voor de advocaat, nog te verhogen met € 85 indien niet binnen 14 dagen na aanschrijving in der minne aan dit arrest is voldaan en vervolgens betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, en bepaalt dat deze bedragen binnen 14 dagen na de dag van de uitspraak dan wel, wat betreft het bedrag van € 85, na de datum van betekening, moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van de betreffende termijn van 14 dagen;
- -
verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
- -
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.J. van Cleef-Metsaars, J.W. Frieling en B.R. ter Haar en
is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 maart 2022, in aanwezigheid van de griffier.