Procestaal: Engels.
HvJ EU, 07-02-2018, nr. C-304/16
ECLI:EU:C:2018:66
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
07-02-2018
- Magistraten
R. Silva de Lapuerta, C.G. Fernlund, J.-C. Bonichot, S. Rodin, E. Regan
- Zaaknummer
C-304/16
- Conclusie
M. Campos Sánchez-Bordona
- Roepnaam
American Express
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2018:66, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 07‑02‑2018
ECLI:EU:C:2017:524, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 06‑07‑2017
Uitspraak 07‑02‑2018
R. Silva de Lapuerta, C.G. Fernlund, J.-C. Bonichot, S. Rodin, E. Regan
Partij(en)
In zaak C-304/16,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de High Court of Justice of England and Wales, Queen's Bench Division (Administrative Court) [hoge rechterlijke instantie van Engeland en Wales, afdeling van de Queen's Bench (bestuursrechter), Verenigd Koninkrijk] bij beslissing van 11 april 2016, ingekomen bij het Hof op 30 mei 2016, in de procedure
The Queen, op verzoek van:
American Express Company,
tegen
The Lords Commissioners of Her Majesty's Treasury,
in tegenwoordigheid van:
Diners Club International Limited,
MasterCard Europe SA,
wijst
HET HOF (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: R. Silva de Lapuerta, kamerpresident, C. G. Fernlund, J.-C. Bonichot, S. Rodin en E. Regan (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: M. Campos Sánchez-Bordona,
griffier: C. Strömholm, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 27 april 2017,
gelet op de opmerkingen van:
- —
American Express Company, vertegenwoordigd door J. Turner, QC, J. Holmes, QC, L. John, barrister, en I. Taylor, H. Ware en J. Slade, solicitors,
- —
MasterCard Europe SA, vertegenwoordigd door P. Harrison, S. Kinsella en K. Le Croy, solicitors, en S. Pitt en J. Bedford, advocates,
- —
de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door M. Holt, D. Robertson, J. Kraehling en C. Crane als gemachtigden, bijgestaan door G. Facenna, QC, en M. Hall, QC,
- —
de Portugese regering, vertegenwoordigd door L. Inez Fernandes, M. Figueiredo, M. Rebelo en G. Fonseca als gemachtigden,
- —
het Europees Parlement, vertegenwoordigd door P. Schonard en A. Tamás als gemachtigden,
- —
de Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door J. Bauerschmidt, I. Gurov en E. Moro als gemachtigden,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door H. Tserepa-Lacombe, J. Samnadda en T. Scharf als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 6 juli 2017,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging en geldigheid van artikel 1, lid 5, en artikel 2, punt 18, alsook de uitlegging van artikel 2, punt 2, van verordening (EU) 2015/751 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2015 betreffende afwikkelingsvergoedingen voor op kaarten gebaseerde betalingstransacties (PB 2015, L 123, blz. 1).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen American Express Company en de Lords Commissioners of Her Majesty's Treasury (college dat bevoegd is voor het beheer van de schatkist, Verenigd Koninkrijk; hierna: ‘nationale autoriteit’) over de omstandigheden waarin een driepartijenbetaalkaartschema als een vierpartijenbetaalkaartschema moet worden beschouwd overeenkomstig artikel 1, lid 5, van deze verordening.
Toepasselijke bepalingen
Verordening 2015/751
3
In de overwegingen 10, 28, 29 en 43 van verordening 2015/751 staat te lezen:
- ‘(10)
[…] Naast een consequente toepassing van de mededingingsregels op afwikkelingsvergoedingen, zou de regulering van die vergoedingen een betere werking van de interne markt teweegbrengen en bijdragen tot een vermindering van de transactiekosten voor consumenten.
[…]
- (28)
Op kaarten gebaseerde betalingstransacties worden doorgaans uitgevoerd volgens twee belangrijke bedrijfsmodellen, zogeheten ‘driepartijenbetaalkaartschema's’ (kaarthouder — accepterend en uitgevend schema — handelaar) en ‘vierpartijenbetaalkaartschema's’ (kaarthouder — uitgevende bank — accepterende bank — handelaar). Tal van vierpartijenbetaalkaartschema's hanteren een expliciete, meestal multilaterale afwikkelingsvergoeding. Om het bestaan van impliciete afwikkelingsvergoedingen te erkennen en tot de verwezenlijking van gelijke concurrentievoorwaarden bij te dragen, moeten driepartijenbetaalkaartschema's die van betalingsdienstaanbieders als uitgevers of accepteerders gebruikmaken, als vierpartijenbetaalkaartschema's worden aangemerkt en horen zij dezelfde voorschriften in acht te nemen; transparantie- en andere maatregelen in verband met bedrijfsregels dienen op alle aanbieders van toepassing te zijn. Rekening houdend met de specifieke situatie die zich voor dergelijke driepartijenbetaalkaartschema's kan voordoen, is het echter passend te voorzien in een overgangsperiode gedurende welke de lidstaten kunnen beslissen de regels voor het maximum voor afwikkelingsvergoedingen niet toe te passen indien deze schema's in de betrokken lidstaat een zeer beperkt marktaandeel hebben.
- (29)
De uitgiftedienst is gebaseerd op een contractuele relatie tussen de uitgever van het betaalinstrument en de betaler, ongeacht of de uitgever het geld houdt namens de betaler. De uitgever stelt betaalkaarten ter beschikking van de betaler, machtigt tot transacties met terminals of soortgelijke instrumenten en kan betaling aan de accepteerder garanderen voor transacties die conform de regels van het desbetreffende schema worden verricht. Daarom wordt de loutere verdeling van betaalkaarten of technische diensten, zoals het louter verwerken en bewaren van gegevens, niet aangemerkt als uitgifte.
[…]
- (43)
Daar de doelstellingen van deze verordening, met name het vaststellen van uniforme vereisten voor op kaarten gebaseerde betalingstransacties en op kaarten gebaseerde internet- en mobiele betalingen, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, maar wegens de omvang ervan beter op het niveau van de [Europese] Unie kunnen worden bewerkstelligd, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. […]’
4
Artikel 1 van verordening 2015/751, met als opschrift ‘Toepassingsgebied’, dat is opgenomen in hoofdstuk I, ‘Algemene bepalingen’, van deze verordening, bepaalt:
‘[…]
- 3.
Hoofdstuk II is niet van toepassing op:
[…]
- c)
transacties met betaalkaarten die door een driepartijenbetaalkaartschema zijn uitgegeven.
- 4.
Artikel 7 is niet van toepassing op driepartijenbetaalkaartschema's.
- 5.
Een driepartijenbetaalkaartschema dat aan andere betalingsdienstaanbieders een licentie voor de uitgifte van op kaarten gebaseerde betaalinstrumenten of de acceptatie van op kaarten gebaseerde betalingstransacties, of voor beide, verleent, of dat samen met een cobrandingpartner of via een agent op kaarten gebaseerde betaalinstrumenten uitgeeft wordt als een vierpartijenbetaalkaartschema beschouwd. Wat de binnenlandse betalingstransacties betreft kan voor een dergelijk driepartijenbetaalkaartschema evenwel tot 9 december 2018 worden voorzien in een vrijstelling van de verplichtingen van hoofdstuk II, mits de op kaarten gebaseerde betalingstransacties die uit hoofde van dat driepartijenbetaalkaartschema in een lidstaat worden verricht, op jaarbasis niet meer bedragen dan 3 % van de totale waarde van de in die lidstaat verrichte op kaarten gebaseerde betalingstransacties.’
5
Artikel 2 van deze verordening, met als opschrift ‘Definities’, bepaalt:
‘Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
[…]
- 2.
‘uitgever’: een betalingsdienstaanbieder die met een betaler een overeenkomst sluit voor het verstrekken van een betaalinstrument voor het initiëren en het verwerken van diens op kaarten gebaseerde betalingstransacties;
[…]
- 10.
‘afwikkelingsvergoeding’: een vergoeding die voor elke transactie direct of indirect (d.w.z. via een derde) wordt betaald tussen de uitgever en de accepteerder die bij een op kaarten gebaseerde betalingstransactie betrokken zijn. De nettocompensatie of andere overeengekomen vergoeding wordt beschouwd als deel uitmakend van de afwikkelingsvergoeding;
- 11.
‘nettocompensatie’: het nettototaalbedrag aan betalingen, kortingen of stimulansen die een uitgever van het betaalkaartschema, de accepteerder of een andere intermediair in verband met op kaarten gebaseerde betalingstransacties of daaraan gerelateerde activiteiten, heeft ontvangen;
[…]
- 17.
‘vierpartijenbetaalkaartschema’: een betaalkaartschema waarbij de op kaarten gebaseerde betalingstransacties van de betaalrekening van een betaler naar de betaalrekening van een begunstigde worden verricht door tussenkomst van het schema, een uitgever (voor de betaler) en een accepteerder (voor de begunstigde);
- 18.
‘driepartijenbetaalkaartschema’: een betaalkaartschema waarbij het schema zelf diensten aanbiedt voor de acceptatie en de uitgifte en op kaarten gebaseerde betalingstransacties binnen het schema worden verricht van de betaalrekening van een betaler naar de betaalrekening van een begunstigde. Een driepartijenbetaalkaartschema dat aan andere betalingsdienstaanbieders een licentie verleent voor de uitgifte van op kaarten gebaseerde betaalinstrumenten of de acceptatie van op kaarten gebaseerde betalingstransacties, of voor beide, of samen met een cobrandingpartner of via een agent op kaarten gebaseerde betaalinstrumenten uitgeeft, wordt als een vierpartijenbetaalkaartschema beschouwd;
[…]
- 24.
‘betalingsdienstaanbieder’: een natuurlijke persoon of rechtspersoon die gemachtigd is tot het aanbieden van de in de lijst in bijlage bij richtlijn 2007/64/EG [van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 betreffende betalingsdiensten in de interne markt tot wijziging van de richtlijnen 97/7/EG, 2002/65/EG, 2005/60/EG en 2006/48/EG, en tot intrekking van richtlijn 97/5/EG (PB 2007, L 319, blz. 1)] genoemde betalingsdiensten of erkend is als uitgever van elektronisch geld op grond van artikel 1, lid 1, van richtlijn 2009/110/EG [van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de toegang tot, de uitoefening van en het prudentieel toezicht op de werkzaamheden van instellingen voor elektronisch geld, tot wijziging van de richtlijnen 2005/60/EG en 2006/48/EG en tot intrekking van richtlijn 2000/46/EG (PB 2009, L 267, blz. 7)]. Een betalingsdienstaanbieder kan een uitgever, een accepteerder of beide zijn;
[…]
- 28.
‘verwerkingsentiteit’: een natuurlijke persoon of rechtspersoon die diensten voor de verwerking van betalingstransacties aanbiedt;
[…]
- 30.
‘betaalmerk’: elk(e) materie(ë)l(e) of digita(a)l(e) naam, term, teken, symbool of een combinatie daarvan, waaruit blijkt via welk betaalkaartschema op kaarten gebaseerde betalingstransacties worden verricht;
[…]
- 32.
‘cobranding’: het incorporeren van ten minste één betaalmerk en ten minste één niet-betaalmerk op hetzelfde op kaarten gebaseerd betaalinstrument;
[…]’
6
De artikelen 3 en 4 van verordening 2015/751, die behoren tot hoofdstuk II, ‘Afwikkelingsvergoedingen’, van deze verordening, betreffen afwikkelingsvergoedingen voor debetkaarttransacties van consumenten respectievelijk afwikkelingsvergoedingen voor kredietkaarttransacties van consumenten.
7
Artikel 5 van deze verordening, met als opschrift ‘Omzeilingsverbod’, dat eveneens deel uitmaakt van hoofdstuk II, luidt:
‘Voor de toepassing van de in de artikelen 3 en 4 bedoelde maxima wordt elke overeengekomen vergoeding, met inbegrip van de nettocompensatie, waarvan het oogmerk of het effect gelijkwaardig is aan de afwikkelingsvergoeding en die een uitgever met betrekking tot betalingstransacties of daaraan gerelateerde activiteiten ontvangt van het betaalkaartschema, de accepteerder of een andere intermediair, als een deel van de afwikkelingsvergoeding beschouwd.’
8
De artikelen 6 tot en met 12 van verordening 2015/751, die behoren tot hoofdstuk III, ‘Bedrijfsregels’, voorzien in verplichtingen betreffende op kaarten gebaseerde betalingstransacties.
9
Artikel 7 van die verordening, met als opschrift ‘Scheiding tussen het betaalkaartschema en de verwerkingsentiteiten’, bepaalt:
- ‘1.
Betaalkaartschema's en verwerkingsentiteiten:
- a)
zijn onafhankelijk wat betreft de boekhouding, de organisatie en de besluitvormingsprocessen;
- b)
bieden geen gebundelde prijzen aan voor betaalkaartschema- en verwerkingsactiviteiten en passen op die activiteiten geen kruissubsidies toe;
- c)
discrimineren op generlei wijze tussen, enerzijds, hun dochterondernemingen of aandeelhouders en, anderzijds, gebruikers van deze betaalkaartschema's en andere contractuele partners. Zij stellen met name de verlening van een door hen aangeboden dienst op generlei wijze afhankelijk van de aanvaarding door hun contractuele partner van een andere dienst die zij aanbieden.
- 2.
De bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de statutaire zetel van het schema is gevestigd, kan een betaalkaartschema ertoe verplichten een onafhankelijk verslag voor te leggen waaruit blijkt dat het aan lid 1 voldoet.
- 3.
Betaalkaartschema's voorzien in de mogelijkheid dat toelatings- en clearingberichten met betrekking tot afzonderlijke op kaarten gebaseerde betalingstransacties van elkaar worden gescheiden en door verschillende verwerkingsentiteiten worden verwerkt.
- 4.
Elke vorm van territoriale discriminatie in verwerkingsregels die door betaalkaartschema's worden toegepast, is verboden.
- 5.
De verwerkingsentiteiten binnen de Unie zorgen voor technische interoperabiliteit van hun systeem met andere systemen van verwerkingsentiteiten binnen de Unie door [door] internationale of Europese normalisatie-instellingen ontwikkelde normen toe te passen. Daarnaast worden door de betaalkaartschema's geen bedrijfsregels vastgesteld of toegepast die de interoperabiliteit tussen verwerkingsentiteiten binnen de Unie beperken.
[…]’
10
Hoofdstuk IV, ‘Slotbepalingen’, van verordening 2015/751 bevat de artikelen 13 tot en met 18. Artikel 13, met als opschrift ‘Bevoegde autoriteiten’, bepaalt:
- ‘1.
De lidstaten wijzen de bevoegde autoriteiten aan die gemachtigd zijn de handhaving van deze verordening te garanderen; aan deze autoriteiten worden onderzoeks- en handhavingsbevoegdheden verleend.
[…]
- 6.
De lidstaten verlangen van de bevoegde autoriteiten dat zij op doeltreffende wijze toezicht houden op de naleving van deze verordening, hetgeen ook inhoudt dat zij pogingen van de betalingsdienstaanbieders om deze verordening te omzeilen tegengaan, en alle nodige maatregelen nemen om die naleving te waarborgen.’
11
Artikel 14 van deze verordening, met als opschrift ‘Sancties’, bepaalt in lid 1:
‘De lidstaten stellen voorschriften vast inzake de sancties voor inbreuken op deze verordening en nemen de nodige maatregelen voor de daadwerkelijke toepassing ervan.’
12
Artikel 18 van die verordening, met als opschrift ‘Inwerkingtreding’, luidt:
- ‘1.
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
- 2.
De verordening is van toepassing met ingang van 8 juni 2015, met uitzondering van de artikelen 3, 4, 6 en 12, die van toepassing zijn met ingang van 9 december 2015 en van de artikelen 7, 8, 9 en 10, die van toepassing zijn met ingang van 9 juni 2016.’
Richtlijn 2015/2366
13
In de overwegingen 2 en 6 van richtlijn (EU) 2015/2366 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende betalingsdiensten in de interne markt, houdende wijziging van de richtlijnen 2002/65/EG, 2009/110/EG en 2013/36/EU en verordening (EU) nr. 1093/2010 en houdende intrekking van richtlijn 2007/64/EG (PB 2015, L 337, blz. 35), staat te lezen:
- ‘(2)
Het herziene juridisch kader van de Unie inzake betalingsdiensten wordt aangevuld met verordening [2015/751]. […]
[…]
- (6)
Nieuwe voorschriften moeten worden vastgesteld om de leemten in de regelgeving te dichten en tegelijkertijd de juridische duidelijkheid te vergroten en overal in de Unie een consistente toepassing van het wetgevingsraamwerk te garanderen. […]’
14
Artikel 1 van die richtlijn, met als opschrift ‘Onderwerp’, dat behoort tot titel I van deze richtlijn, met als opschrift ‘Onderwerp, toepassingsgebied en definities’, bepaalt in lid 1 het volgende:
‘Bij deze richtlijn worden de voorschriften vastgesteld op grond waarvan de lidstaten onderscheid maken tussen de volgende categorieën van betalingsdienstaanbieders:
[…]
- d)
betalingsinstellingen;
[…]’
15
Artikel 4 van deze richtlijn, met als opschrift ‘Definities’, bepaalt:
‘Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:
[…]
- 3.
‘betalingsdienst’: een of meer in bijlage I vermelde bedrijfswerkzaamheden;
- 4.
‘betalingsinstelling’: een rechtspersoon aan wie overeenkomstig artikel 11 vergunning is verleend om overal in de Unie betalingsdiensten aan te bieden en uit te voeren;
[…]
- 38.
‘agent’: natuurlijke of rechtspersoon die bij de uitvoering van betalingsdiensten voor rekening van een betalingsinstelling optreedt;
[…]’
16
Bijlage I bij richtlijn 2015/2366, met als opschrift ‘Betalingsdiensten’, bepaalt dat de ‘[u]itgifte van betaalinstrumenten en/of acceptatie van betalingstransacties’ een betalingsdienst is als bedoeld in artikel 4, punt 3, van deze richtlijn.
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
17
Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat American Express een internationaal dienstverlenend bedrijf is dat met haar geconsolideerde dochterondernemingen betalingsdiensten, reisarrangementen, valutawisseldiensten en loyaliteitsplatforms aanbiedt aan consumenten en ondernemingen. Daarnaast is het bedrijf wereldwijd, dus ook in de Unie, actief op het gebied van de uitgifte van kaarten en de acceptatie van betalingstransacties. American Express exploiteert samen met haar dochterondernemingen het American Express-betaalkaartschema (hierna: ‘Amex’), een driepartijenbetaalkaartschema. Dit schema heeft cobrandingovereenkomsten en overeenkomsten voor het aanbieden van diensten in de Unie gesloten, wat naargelang van het antwoord van het Hof op de vraag betreffende de uitlegging van artikel 1, lid 5, en artikel 2, punt 18, van verordening 2015/751 tot gevolg kan hebben dat die verordening van toepassing is op een groot aantal door dit schema verrichte transacties, op grond van de uitbreiding via cobranding en via een agent als bedoeld in artikel 1, lid 5, van de verordening.
18
De nationale autoriteit heeft de leiding over Her Majesty's Treasury (departement van de schatkist, Verenigd Koninkrijk). Laatstgenoemde instantie draagt de eindverantwoordelijkheid voor de nakoming van de op het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland rustende verplichtingen inzake de toepassing, de uitvoering en iedere andere vorm van tenuitvoerlegging van verordening 2015/751, met inbegrip van de vaststelling van een sanctieregeling voor inbreuken op de bepalingen van die verordening, overeenkomstig de artikelen 13 en 14 ervan.
19
American Express heeft de verwijzende rechter verzocht om toestemming voor het instellen van een beroep tot toetsing van de rechtmatigheid (judicial review) van ‘het voornemen en/of de verplichting van de [nationale autoriteit] om de uitbreiding via cobranding en/of via een agent toe te passen, uit te voeren of op enigerlei andere manier ten uitvoer te brengen’. Deze rechter heeft de gevraagde toestemming verleend.
20
De verwijzende rechter vraagt zich af of een driepartijenbetaalkaartschema moet worden geacht samen met een cobrandingpartner of via een agent op kaarten gebaseerde betaalinstrumenten uit te geven in de zin van artikel 1, lid 5, en artikel 2, punt 18, van verordening 2015/751, enkel omdat het een overeenkomst heeft gesloten met een cobrandingpartner of met een agent en ongeacht of deze partner of agent een afzonderlijke betalingsdienstaanbieder is die betaalkaarten uitgeeft, of dat het integendeel slechts aldus kan worden beschouwd indien de partner of agent in kwestie zelf een betalingsdienstaanbieder is die in het driepartijenbetaalkaartschema optreedt als uitgever in de zin van artikel 2, punt 2, van die verordening.
21
Bovendien is het volgens deze rechter noodzakelijk om, in het geval dat artikel 1, lid 5, en artikel 2, punt 18, van verordening 2015/751 aldus moeten worden uitgelegd dat een driepartijenbetaalkaartschema moet worden geacht samen met een cobrandingpartner of via een agent op kaarten gebaseerde betaalinstrumenten uit te geven in de zin van deze bepalingen, zelfs wanneer het betrokken driepartijenbetaalkaartschema de uitgever blijft en een beroep doet op een derde om een of meerdere nevenfuncties uit te oefenen ter ondersteuning van de uitgifteactiviteit, uitspraak te doen over het argument van American Express dat deze bepalingen ongeldig zijn wegens een motiveringsgebrek, een kennelijke beoordelingsfout en schending van het evenredigheidsbeginsel.
22
Daarom heeft de High Court of Justice of England and Wales, Queen's Bench Division (Administrative Court) [hoge rechterlijke instantie van Engeland en Wales, afdeling van de Queen's Bench (bestuursrechter), Verenigd Koninkrijk] de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Is de bepaling in [artikel] 1, lid 5, en [artikel] 2, punt 18, van [verordening 2015/751] dat een driepartijenbetaalkaartschema dat samen met een cobrandingpartner of via een agent op kaarten gebaseerde betaalinstrumenten uitgeeft als een vierpartijenbetaalkaartschema wordt beschouwd, alleen van toepassing voor zover de cobrandingpartner of de agent optreedt als de ‘uitgever’ in de zin van artikel 2, punt 2, en overweging 29 van [die] verordening (namelijk ingeval die partner of agent een contractuele relatie onderhoudt met de betaler, op grond waarvan hij zich ertoe verbindt aan de betaler een betaalinstrument te verschaffen om de op kaarten gebaseerde betalingstransacties van de betaler te initiëren en te verwerken)?
- 2)
Indien het antwoord op de eerste vraag ontkennend luidt, zijn […] [artikel] 1, lid 5, en [artikel] 2, punt 18, van […] verordening [2015/751] ongeldig voor zover zij bepalen dat dergelijke regelingen als vierpartijenbetaalkaartschema's worden beschouwd, op grond van:
- a)
niet-nakoming van de motiveringsplicht overeenkomstig artikel 296 VWEU;
- b)
een kennelijke beoordelingsfout, en/of
- c)
schending van het evenredigheidsbeginsel?’
Verzoek om heropening van de mondelinge behandeling
23
Bij akte, neergelegd ter griffie van het Hof op 27 juli 2017, heeft American Express verzocht om heropening van de mondelinge behandeling.
24
Ter ondersteuning van haar verzoek voert zij aan dat de beoordeling van de advocaat-generaal in diens conclusie onjuist is voor zover daarin wordt voorbijgegaan aan bepaalde relevante definities die neergelegd zijn zowel in verordening 2015/751 als in richtlijn 2015/2366, terwijl die twee wetgevingshandelingen elkaar aanvullen en deel uitmaken van een en hetzelfde wetgevingspakket, wat overigens niet wordt betwist door de partijen die aan deze procedure hebben deelgenomen. Deze beoordeling geeft eveneens blijk van een onjuist begrip van de reikwijdte van artikel 5 van deze verordening, in het bijzonder van het hierin voorkomende begrip ‘intermediair’. Voorts is de tekst van punt 98 van de conclusie onvolledig ofwel zijn de in dit punt aangehaalde redenen onderling tegenstrijdig. Ten slotte heeft de door de advocaat-generaal voorgestelde uitlegging van die verordening tot gevolg dat de werkingssfeer van die verordening wordt uitgebreid op een wijze die verder gaat dan om het even welke uitlegging aangevoerd door de partijen die hebben deelgenomen aan de procedure voor het Hof.
25
Volgens vaste rechtspraak van het Hof kan het Hof krachtens artikel 83 van zijn Reglement voor de procesvoering de mondelinge behandeling ambtshalve, op voorstel van de advocaat-generaal dan wel op verzoek van partijen heropenen indien het van oordeel is dat het onvoldoende is ingelicht of dat de zaak moet worden beslecht op basis van een argument waarover tussen partijen geen discussie heeft plaatsgevonden. Het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en het Reglement voor de procesvoering voorzien daarentegen niet in de mogelijkheid voor partijen om opmerkingen in te dienen over de conclusie van de advocaat-generaal (arrest van 28 maart 2017, Rosneft, C-72/15, EU:C:2017:236, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
26
Ter ondersteuning van haar verzoek om heropening van de mondelinge behandeling, beperkt American Express zich in casu in wezen tot het uiten van kritiek op de uitlegging die de advocaat-generaal in zijn conclusie heeft gegeven aan verordening 2015/751. Dit vormt evenwel geen reden die, gelet op de in het vorige punt aangehaalde rechtspraak, de heropening van de mondelinge behandeling kan rechtvaardigen.
27
Bovendien heeft zowel tijdens de schriftelijke behandeling als ter terechtzitting een debat plaatsgevonden omtrent de reikwijdte van de bepalingen van verordening 2015/751 waarvan de uitlegging in de eerste prejudiciële vraag aan de orde komt.
28
Bijgevolg is het Hof, de advocaat-generaal gehoord, van oordeel dat het over alle noodzakelijke gegevens beschikt om de door de verwijzende rechter gestelde vragen te beantwoorden en dat de partijen hun standpunten hebben kunnen uitwisselen over alle voor de beslissing in de onderhavige zaak relevante argumenten.
29
Het verzoek om heropening van de mondelinge behandeling moet dan ook worden afgewezen.
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing
30
Het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie voeren aan dat het verzoek om een prejudiciële beslissing in zijn geheel niet-ontvankelijk is op grond dat, ten eerste, tussen partijen in het hoofdgeding geen reëel geschil bestaat, ten tweede, de nationale rechter in zijn verwijzingsbeslissing niet het minimum aan nodige gegevens meedeelt, aangezien hij noch de relevante feitelijke gegevens toelicht noch uiteenzet waarom hij twijfels heeft over de uitlegging en de geldigheid van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde bepalingen, en, ten derde, het beroep in het hoofdgeding dat strekt tot toetsing van de rechtmatigheid van ‘het voornemen en/of de verplichting’ van de nationale autoriteit om deze bepalingen toe te passen of uit te voeren, een middel vormt om het bij het VWEU ingevoerde stelsel van rechtsmiddelen te omzeilen.
31
Meteen zij eraan herinnerd dat het uitsluitend een zaak is van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing, om, gelet op de bijzonderheden van het geval, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof stelt, te beoordelen. Wanneer de gestelde vragen betrekking hebben op de uitlegging of de geldigheid van een Unierechtelijke regel, is het Hof derhalve in beginsel verplicht daarop te antwoorden (arrest van 16 juni 2015, Gauweiler e.a., C-62/14, EU:C:2015:400, punt 24).
32
Bijgevolg worden vragen die het Unierecht betreffen, vermoed relevant te zijn. Het Hof kan slechts weigeren op een door een nationale rechterlijke instantie gestelde prejudiciële vraag te antwoorden, wanneer de gevraagde uitlegging of toetsing van de geldigheid van een regel van Unierecht kennelijk geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of wanneer het Hof niet beschikt over de feitelijke en juridische gegevens die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven op de gestelde vragen (arrest van 16 juni 2015, Gauweiler e.a., C-62/14, EU:C:2015:400, punt 25).
33
Wat ten eerste de reële aard van het hoofdgeding betreft, zij opgemerkt dat American Express met haar beroep de verwijzende rechter verzoekt om de rechtmatigheid te toetsen van ‘het voornemen en/of de verplichting’ van de nationale autoriteit om de litigieuze bepalingen toe te passen of uit te voeren. In dit verband volgt uit de verwijzingsbeslissing dat partijen in het hoofdgeding het niet eens zijn over de gegrondheid van het beroep. Aangezien de verwijzende rechter die dit meningsverschil moet beslechten van oordeel is dat de uitlegging en de geldigheid van de betrokken verordeningsbepalingen tussen partijen in het hoofdgeding ter discussie staan, blijkt niet duidelijk dat het hoofdgeding niet reëel is [zie naar analogie arresten van 10 december 2002, British American Tobacco (Investments) en Imperial Tobacco, C-491/01, EU:C:2002:741, punten 36 en 38, en 4 mei 2016, Pillbox 38, C-477/14, EU:C:2016:324, punt 17].
34
Voor het overige berusten de argumenten waarmee wordt beoogd aan te tonen dat het hoofdgeding fictief is en waaraan de stelling ten grondslag ligt dat er geen sprake is van een handeling of nalatigheid van een nationale autoriteit die aanleiding kan geven tot een beroep tot rechtmatigheidstoetsing, op een kritische beschouwing van de ontvankelijkheid van het beroep in het hoofdgeding en van de beoordeling van de feiten die de verwijzende rechter heeft verricht met het oog op de toepassing van de in het nationale recht vastgestelde criteria. Het staat evenwel niet aan het Hof om vraagtekens te plaatsen bij deze beoordeling, die in het kader van de onderhavige procedure binnen de bevoegdheid van de nationale rechter valt, noch om te toetsen of de verwijzingsbeslissing in overeenstemming is met de nationale regels betreffende de rechterlijke organisatie en de procesvoering. Die argumenten kunnen dus evenmin volstaan om het in punt 32 van het onderhavige arrest vermelde vermoeden van relevantie te weerleggen (zie naar analogie arrest van 16 juni 2015, Gauweiler e.a., C-62/14, EU:C:2015:400, punt 26).
35
Wat ten tweede het argument betreft dat de verwijzende rechter noch de relevante feiten heeft toegelicht noch heeft uiteengezet waarom hij twijfels heeft over de uitlegging en de geldigheid van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde bepalingen, zij opgemerkt dat volgens artikel 94, onder a), van het Reglement voor de procesvoering elk verzoek om een prejudiciële beslissing ‘een summier overzicht van het voorwerp van het geschil en de relevante feiten zoals die door de verwijzende rechter zijn vastgesteld, althans, ten minste een uiteenzetting van de feitelijke gegevens waarop de vragen berusten’, moet bevatten.
36
In dit verband volstaat het dat het voorwerp van het hoofdgeding en het belang ervan voor de rechtsorde van de Unie blijken uit het verzoek om een prejudiciële beslissing, opdat de lidstaten en andere belanghebbenden opmerkingen kunnen indienen overeenkomstig artikel 23 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en doeltreffend kunnen deelnemen aan de procedure voor het Hof (zie arrest van 8 september 2009, Liga Portuguesa de Futebol Profissional en Bwin International, C-42/07, EU:C:2009:519, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
37
In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat Amex een driepartijenbetaalkaartschema is in de zin van artikel 2, punt 18, van verordening 2015/751, dat cobrandingovereenkomsten en overeenkomsten voor het aanbieden van diensten in de Unie heeft gesloten. Die overeenkomsten hebben echter tot gevolg dat, afhankelijk van het antwoord van het Hof op de prejudiciële vragen, een groot aantal van de door Amex verrichte transacties krachtens artikel 1, lid 5, van verordening 2015/751 onder die verordening kan vallen.
38
De verwijzingsbeslissing bevat dus een korte maar nauwkeurige uiteenzetting van de oorsprong en de aard van het hoofdgeding, waarvan de uitkomst volgens de verwijzende rechter afhangt van de uitlegging en de geldigheid van die bepalingen. Daaruit volgt dat de verwijzende rechter het feitelijke en juridische kader van zijn verzoek om uitlegging van het Unierecht genoegzaam heeft omschreven opdat het Hof op dit verzoek een zinvol antwoord kan geven (zie naar analogie arrest van 7 juli 2016, Genentech, C-567/14, EU:C:2016:526, punt 27).
39
Wat voorts de vraag betreft of de verwijzende rechter voldoende heeft uiteengezet waarom hij twijfels heeft over de uitlegging en de geldigheid van de bepalingen die in het hoofdgeding aan de orde zijn, vloeit uit de geest van samenwerking waarin prejudiciële verzoeken moeten worden gedaan, inderdaad voort dat de nationale rechter in zijn verwijzingsbeslissing de precieze redenen uiteenzet waarom hij het voor de beslechting van het geding noodzakelijk acht dat zijn vragen over de uitlegging of de geldigheid van sommige bepalingen van het Unierecht worden beantwoord (zie in die zin arrest van 4 mei 2016, Pillbox 38, C-477/14, EU:C:2016:324, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
40
Het is dan ook van belang dat de nationale rechter met name nauwkeurig aangeeft waarom hij twijfels heeft over de uitlegging of de geldigheid van sommige bepalingen van het Unierecht, en dat hij uiteenzet op welke gronden die bepalingen volgens hem derhalve ongeldig zouden kunnen zijn. Een dergelijke vereiste volgt tevens uit artikel 94, onder c), van het Reglement voor de procesvoering (zie in die zin arrest van 4 mei 2016, Pillbox 38, C-477/14, EU:C:2016:324, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
41
In casu heeft de verwijzende rechter in zijn verzoek om een prejudiciële beslissing opgemerkt dat de uitlegging van een aantal bepalingen van verordening 2015/751 onduidelijk is, waarbij hij bepaalde argumenten heeft weergegeven die partijen in het hoofdgeding ter zake hebben aangevoerd. Hij heeft eveneens opgemerkt dat het Hof, naargelang van de uitlegging die het aan die bepalingen geeft, reden zou kunnen vinden om zich uit te spreken over de door American Express aangevoerde ongeldigheidsgronden.
42
Hieruit volgt dat de verwijzende rechter niet alleen van oordeel is dat de door partijen in het hoofdgeding aangevoerde argumenten een vraag van uitlegging oproepen waarop het antwoord onzeker is, maar ook dat de door American Express aangevoerde en in de verwijzingsbeslissing weergegeven ongeldigheidsgronden kans van slagen hebben.
43
Wat ten derde het argument betreft dat het in het hoofdgeding ingestelde beroep dat strekt tot toetsing van de rechtmatigheid van ‘het voornemen en/of de verplichting’ van de nationale autoriteit om verordening 2015/751 toe te passen of uit te voeren, een middel vormt om het bij het VWEU ingevoerde stelsel van rechtsmiddelen te omzeilen en, in het bijzonder, de opmerking van het Parlement dat deze autoriteit in de onderhavige zaak geen enkele maatregel heeft genomen tegen Amex, zij eraan herinnerd dat het Hof al meerdere verzoeken om een prejudiciële beslissing over de uitlegging en/of geldigheid van handelingen van afgeleid recht die zijn ingediend in het kader van dergelijke beroepen die strekken tot rechtmatigheidstoetsing (‘judicial review’), ontvankelijk heeft verklaard, met name in de zaken die aanleiding hebben gegeven tot de arresten van 10 december 2002, British American Tobacco (Investments) en Imperial Tobacco (C-491/01, EU:C:2002:741), 3 juni 2008, Intertanko e.a. (C-308/06, EU:C:2008:312), 8 juli 2010, Afton Chemical (C-343/09, EU:C:2010:419), 4 mei 2016, Pillbox 38 (C-477/14, EU:C:2016:324), en 4 mei 2016, Philip Morris Brands e.a. (C-547/14, EU:C:2016:325).
44
Voorts is de mogelijkheid voor particulieren om zich voor de nationale rechter te beroepen op de ongeldigheid van een handeling van de Unie van algemene strekking, niet afhankelijk van de voorwaarde dat voor die handeling reeds uitvoeringsmaatregelen zijn vastgesteld op basis van het nationale recht. In dit verband volstaat het dat bij de nationale rechterlijke instantie een reëel geschil aanhangig is waarin incidenteel de vraag rijst of een dergelijke handeling geldig is. Deze voorwaarde is in het geval van het hoofdgeding vervuld, zoals blijkt uit de punten 21, 33, 34, 41 en 42 van het onderhavige arrest [zie naar analogie arresten van 10 december 2002, British American Tobacco (Investments) en Imperial Tobacco, C-491/01, EU:C:2002:741, punt 40; 16 juni 2015, Gauweiler e.a., C-62/14, EU:C:2015:400, punt 29; 4 mei 2016, Pillbox 38, C-477/14, EU:C:2016:324, punt 19, en 4 mei 2016, Philip Morris Brands e.a., C-547/14, EU:C:2016:325, punt 35].
45
Bijgevolg blijkt het beroep in het hoofdgeding niet te zijn ingesteld om het bij het VWEU ingevoerde stelsel van rechtsmiddelen te omzeilen.
46
Ten slotte kan aan de voorafgaande vaststellingen niet worden afgedaan door het argument van het Parlement en de Commissie dat de onderhavige zaak, die de uitlegging en de geldigheid van een verordening betreft, moet worden onderscheiden van zaken betreffende de uitlegging en de geldigheid van een richtlijn, aangezien een verordening, in tegenstelling tot een richtlijn, rechtstreeks toepasselijk is overeenkomstig artikel 288 VWEU, en de in het hoofdgeding aan de orde zijnde bepalingen in casu bovendien geen enkele tussenkomst van de lidstaten vereisen.
47
Zoals uit punt 37 van het onderhavige arrest blijkt, zullen de antwoorden van het Hof op de gestelde vragen immers bepalen in welke mate driepartijenbetaalkaartschema's, zoals Amex, moeten worden geacht onderworpen te zijn aan de verplichtingen die voortvloeien uit de artikelen 3 tot en met 5 en 7 van verordening 2015/751, die een bepaalde tussenkomst van de lidstaten veronderstellen. In dit verband zij er in het bijzonder aan herinnerd dat de lidstaten, overeenkomstig de artikelen 13 en 14 van deze verordening, de bevoegde autoriteiten aanwijzen die gemachtigd zijn de handhaving van deze verordening te garanderen en waaraan onderzoeks- en handhavingsbevoegdheden worden verleend, en voorts de voorschriften vaststellen inzake de sancties voor inbreuken op deze verordening en de nodige maatregelen nemen voor de daadwerkelijke toepassing ervan. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt overigens dat de nationale autoriteit de leiding heeft over het ministerie van Financiën, dat de eindverantwoordelijkheid draagt voor de uitvoering van de verplichtingen die rusten op het Verenigd Koninkrijk wat betreft elke mogelijke toepassing van verordening 2015/751, overeenkomstig de artikelen 13 en 14 ervan.
48
Gelet op een en ander is het verzoek om een prejudiciële beslissing ontvankelijk.
Eerste vraag
49
Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 1, lid 5, van verordening 2015/751 aldus moet worden uitgelegd dat het in het kader van een overeenkomst tussen een cobrandingpartner of een agent, enerzijds, en een driepartijenbetaalkaartschema, anderzijds, vereist is dat die cobrandingpartner of agent handelt als uitgever in de zin van artikel 2, punt 2, van die verordening, opdat dit schema wordt geacht samen met een cobrandingpartner of via een agent op kaarten gebaseerde betaalinstrumenten uit te geven, en dus wordt aangemerkt als een vierpartijenbetaalkaartschema in de zin van artikel 1, lid 5, van die verordening.
50
Om te beginnen zij opgemerkt dat volgens artikel 1, lid 3, onder c), van verordening 2015/751, hoofdstuk II van die verordening, waarvan de artikelen 3 tot en met 5 voorschriften vaststellen betreffende de maximale afwikkelingsvergoeding voor kaarttransacties van consumenten, niet van toepassing is op ‘transacties met betaalkaarten die door een driepartijenbetaalkaartschema zijn uitgegeven’. Voorts bepaalt artikel 1, lid 4, van deze verordening dat artikel 7 van deze verordening, dat een verplichte scheiding voorziet tussen het betaalkaartschema en de verwerkingsentiteiten, niet van toepassing is op ‘driepartijenbetaalkaartschema's’.
51
Artikel 1, lid 5, van verordening 2015/751 bepaalt echter, zoals artikel 2, punt 18, van deze verordening, waarin wordt voorgeschreven wat moet worden verstaan onder een driepartijenbetaalkaartschema, dat een dergelijk schema als een vierpartijenbetaalkaartschema wordt beschouwd wanneer het ‘aan andere betalingsdienstaanbieders een licentie voor de uitgifte van op kaarten gebaseerde betaalinstrumenten of de acceptatie van op kaarten gebaseerde betalingstransacties, of voor beide, verleent, of […] samen met een cobrandingpartner of via een agent op kaarten gebaseerde betaalinstrumenten uitgeeft’.
52
Hieruit volgt dat een driepartijenbetaalkaartschema er in beginsel niet toe gehouden is de verplichtingen die voortvloeien uit de artikelen 3 tot en met 5 en 7 van verordening 2015/751 na te leven, tenzij het zich bevindt in één van de drie in artikel 1, lid 5, van die verordening bedoelde gevallen, namelijk wanneer het een licentie heeft verleend aan een andere aanbieder van betalingsdiensten voor de uitgifte van op kaarten gebaseerde betaalinstrumenten of de acceptatie van op kaarten gebaseerde betalingstransacties, of voor beide (eerste geval), samen met een cobrandingpartner op kaarten gebaseerde betaalinstrumenten heeft uitgegeven (tweede geval), of via een agent betaalinstrumenten heeft uitgegeven (derde geval). Overeenkomstig de laatstgenoemde bepaling wordt een driepartijenbetaalkaartschema immers in elk van die drie gevallen als een vierpartijenbetaalkaartschema beschouwd.
53
American Express betoogt in de onderhavige zaak dat artikel 1, lid 5, van verordening 2015/751 aldus moet worden uitgelegd dat een driepartijenbetaalkaartschema slechts als een vierpartijenbetaalkaartschema kan worden beschouwd indien in het kader van de betalingstransactie minstens één derde betalingsdienstaanbieder als uitgever of accepteerder handelt, in de hoedanigheid van licentiehouder-uitgever, licentiehouder-accepteerder, cobrandingpartner die in de plaats van het driepartijenbetaalkaartschema de uitgiftetaken op zich neemt of agent die in de plaats van dit schema de uitgiftetaken op zich neemt.
54
In dit verband zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak van het Hof bij de uitlegging van een Unierechtelijke bepaling niet alleen rekening moet worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context en de doelstelling van de regeling waarvan zij deel uitmaakt (arrest van 21 september 2017, Commissie/Duitsland, C-616/15, EU:C:2017:721, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
55
Wat in de eerste plaats de bewoordingen betreft waarin in artikel 1, lid 5, van verordening 2015/751 het tweede en het derde geval zijn omschreven waarin dat artikel voorziet en die het voorwerp vormen van de eerste prejudiciële vraag, zij opgemerkt dat de ‘uitgever’ in artikel 2, punt 2, van verordening 2015/751 gedefinieerd wordt als ‘een betalingsdienstaanbieder die met een betaler een overeenkomst sluit voor het verstrekken van een betaalinstrument voor het initiëren en het verwerken van diens op kaarten gebaseerde betalingstransacties’. In overweging 29 van deze verordening staat te lezen dat ‘[d]e uitgiftedienst […] gebaseerd [is] op een contractuele relatie tussen de uitgever van het betaalinstrument en de betaler, ongeacht of de uitgever het geld houdt namens de betaler’, dat ‘de uitgever […] betaalkaarten ter beschikking [stelt] van de betaler, machtigt tot transacties met terminals of soortgelijke instrumenten en […] betaling aan de accepteerder [kan] garanderen voor transacties die conform de regels van het desbetreffende schema worden verricht’, en dat ‘de loutere verdeling van betaalkaarten of technische diensten, zoals het louter verwerken en bewaren van gegevens, [daarom] niet aangemerkt [wordt] als uitgifte’.
56
Wat betreft het tweede geval waarin artikel 1, lid 5, van verordening 2015/751 voorziet, namelijk het bestaan van een overeenkomst tussen een driepartijenbetaalkaartschema en een cobrandingpartner, moet eraan worden herinnerd dat ‘cobranding’ in artikel 2, punt 32, van die verordening gedefinieerd wordt als ‘het incorporeren van ten minste één betaalmerk en ten minste één niet-betaalmerk op hetzelfde op kaarten gebaseerd betaalinstrument’. Het begrip ‘betaalmerk’ wordt in artikel 2, punt 30, van die verordening op zijn beurt gedefinieerd als ‘elk(e) materie(ë)l(e) of digita(a)l(e) naam, term, teken, symbool of een combinatie daarvan, waaruit blijkt via welk betaalkaartschema op kaarten gebaseerde betalingstransacties worden verricht’.
57
Wat betreft het derde geval waarin artikel 1, lid 5, van verordening 2015/751 voorziet, namelijk het sluiten van een overeenkomst tussen een driepartijenbetaalkaartschema en een agent, is het juist dat die verordening geen definitie geeft van wat wordt verstaan onder ‘agent’. Uit overweging 2 van richtlijn 2015/2366, die eveneens deel uitmaakt van het juridische kader van de Unie voor betalingsdiensten, volgt echter dat dit herziene juridisch kader aangevuld wordt met verordening 2015/751. Verder blijkt uit overweging 6 van deze richtlijn dat de Uniewetgever voornemens was om overal in de Unie een consistente toepassing van het wetgevingsraamwerk betreffende betalingsdiensten te garanderen.
58
Zoals American Express echter heeft opgemerkt, definieert artikel 4, punt 38, van richtlijn 2015/2366 een ‘agent’ als ‘een natuurlijke persoon of rechtspersoon die bij het aanbieden van betalingsdiensten voor rekening van een betalingsinstelling optreedt’, gelet op het feit dat, luidens de bewoordingen van artikel 4, punt 3, van en bijlage I bij die richtlijn, de uitgifte van betaalinstrumenten en/of acceptatie van betalingstransacties worden aangemerkt als betalingsdiensten.
59
Uit de relevante definities van de begrippen ‘cobranding’ en ‘agent’ kan dus niet worden afgeleid dat een cobrandingpartner of een agent die een overeenkomst heeft gesloten met een driepartijenbetaalkaartschema, noodzakelijkerwijs tussenkomt in dit schema als uitgever in de zin van artikel 2, punt 2, van verordening 2015/751.
60
Derhalve moet worden vastgesteld dat, zoals de advocaat-generaal in wezen heeft opgemerkt in de punten 87 en 90 van zijn conclusie, uit de bewoordingen van artikel 1, lid 5, en die van artikel 2, punt 18, van verordening 2015/751 niet uitdrukkelijk blijkt dat de cobrandingpartner of agent zelf betrokken moet zijn in de uitgifteactiviteit. Indien de Uniewetgever de werkingssfeer van dit artikel 1, lid 5, echter had willen beperken, had hij dit uitdrukkelijk kunnen vaststellen (zie naar analogie arrest van 19 maart 2009, Commissie/Italië, C-275/07, EU:C:2009:169, punt 99).
61
Weliswaar staat in overweging 28 van verordening 2015/751 te lezen dat ‘driepartijenbetaalkaartschema's die van betalingsdienstaanbieders als uitgevers of accepteerders gebruikmaken, als vierpartijenbetaalkaartschema's [moeten] worden aangemerkt’, doch hieruit kan niet worden afgeleid dat dit de enige situatie is die binnen de werkingssfeer van artikel 1, lid 5, van deze verordening valt. Zoals uit punt 52 van het onderhavige arrest blijkt, is deze bepaling met name eveneens van toepassing op het geval waarin een driepartijenbetaalkaartschema ‘aan andere betalingsdienstaanbieders een licentie voor de uitgifte van op kaarten gebaseerde betaalinstrumenten of de acceptatie van op kaarten gebaseerde betalingstransacties, of voor beide, verleent’.
62
Bovendien, zoals de advocaat-generaal heeft opgemerkt in punt 90 van zijn conclusie, lijkt uit de bewoordingen van artikel 1, lid 5, van verordening 2015/751, in het bijzonder uit het zinsdeel ‘[e]en driepartijenbetaalkaartschema dat […] op kaarten gebaseerde betaalinstrumenten uitgeeft’, te volgen dat dit schema zelf betrokken is in de uitgifteactiviteit.
63
Wat in de tweede plaats de opzet van deze bepaling betreft, staat het vast dat een driepartijenbetaalkaartschema als een vierpartijenbetaalkaartschema moet worden aangemerkt, met name in het eerste geval bedoeld in deze bepaling, namelijk wanneer dit schema ‘aan andere betalingsdienstaanbieders een licentie voor de uitgifte van op kaarten gebaseerde betaalinstrumenten of de acceptatie van op kaarten gebaseerde betalingstransacties, of voor beide, verleent’.
64
Hieruit volgt, zoals de advocaat-generaal in de punten 77 en 78 van zijn conclusie heeft opgemerkt, dat de situatie waarin een derde een overeenkomst sluit met een driepartijenbetaalkaartschema waarin wordt bepaald dat deze derde op kaarten gebaseerde betaalinstrumenten uitgeeft of accepteert, overeenstemt met dit eerste geval.
65
Bijgevolg moet worden vastgesteld dat de door American Express bepleite uitlegging van het tweede en het derde geval als bedoeld in artikel 1, lid 5, van verordening 2015/751, volgens welke een overeenkomst met een derde slechts onder een van deze gevallen valt wanneer deze derde voor dit schema betaalinstrumenten uitgeeft die gebaseerd zijn op kaarten, ertoe zou kunnen leiden dat deze gevallen vrijwel betekenisloos worden.
66
Bovendien verwijst het eerste geval uitdrukkelijk naar het feit dat de derde waaraan de licentie wordt toegekend eveneens een ‘betalingsdienstaanbieder’ is, terwijl het tweede en het derde geval niet uitdrukkelijk erin voorzien dat de cobrandingpartner of de agent noodzakelijkerwijs een dergelijke dienstverlener is. Bijgevolg kan niet worden uitgesloten dat de cobrandingpartner betrokken kan zijn in andere activiteiten dan betalingsdiensten, en dus in andere activiteiten dan de uitgifte of acceptatie van op kaarten gebaseerde betaalinstrumenten.
67
Wat in de derde plaats de doelstellingen betreft die worden nagestreefd met verordening 2015/751, waarvan de in het hoofdgeding aan de orde zijnde bepalingen deel uitmaken, blijkt uit overweging 43 van deze verordening dat met deze verordening wordt beoogd uniforme vereisten vast te stellen voor op kaarten gebaseerde betalingstransacties en op kaarten gebaseerde internet- en mobiele betalingen. Overeenkomstig overweging 10 van die verordening heeft de regulering van afwikkelingsvergoedingen meer bepaald tot doel een betere werking van de interne markt teweeg te brengen en bij te dragen tot een vermindering van de transactiekosten voor consumenten.
68
Wat de toepasbaarheid van deze regulering op driepartijenbetaalkaartschema's betreft, blijkt uit overweging 28 van verordening 2015/751 dat de Uniewetgever het noodzakelijk heeft geacht dat deze schema's in bepaalde gevallen als vierpartijenbetaalkaartschema's worden beschouwd en dat zij beoordeeld worden volgens dezelfde regels als laatstgenoemde, teneinde rekening te houden met het bestaan van ‘impliciete afwikkelingsvergoedingen’ en om bij te dragen tot de verwezenlijking van ‘gelijke concurrentievoorwaarden’.
69
Bovendien volgt uit talrijke bepalingen van verordening 2015/751, in het bijzonder uit overweging 31, artikel 5 en artikel 13, lid 6, van die verordening, dat die verordening eveneens tot doel heeft te vermijden dat de daarin neergelegde regels worden omzeild, met name die betreffende de vaststelling van maxima voor afwikkelingsvergoedingen.
70
De afwikkelingsvergoeding wordt in artikel 2, punt 10, van verordening 2015/751 ruim gedefinieerd als ‘een vergoeding die voor elke transactie direct of indirect (d.w.z. via een derde) wordt betaald tussen de uitgever en de accepteerder die bij een op kaarten gebaseerde betalingstransactie betrokken zijn’, en deze bepaling preciseert dat ‘[d]e nettocompensatie of andere overeengekomen vergoeding wordt beschouwd als deel uitmakend van de afwikkelingsvergoeding’. De ‘nettocompensatie’ wordt in artikel 2, punt 11, van die verordening omschreven als ‘het nettototaalbedrag aan betalingen, kortingen of stimulansen die een uitgever van het betaalkaartschema, de accepteerder of een andere intermediair in verband met op kaarten gebaseerde betalingstransacties of daaraan gerelateerde activiteiten, heeft ontvangen’.
71
Zoals de Commissie in wezen aanvoert, kan bijgevolg niet worden uitgesloten dat een bepaald type tegenprestatie of voordeel wordt aangemerkt als een impliciete afwikkelingsvergoeding in de zin van overweging 28 van verordening 2015/751, zonder dat de cobrandingpartner of de agent waarmee het driepartijenbetaalkaartschema een overeenkomst heeft gesloten noodzakelijkerwijs betrokken is in de uitgifteactiviteit van het driepartijenbetaalkaartschema. Het kan bijgevolg moeilijk zijn om de doelstellingen van verordening 2015/751, in het bijzonder de doelstelling van artikel 1, lid 5, van die verordening om voor gelijke concurrentievoorwaarden op de markt te zorgen, te verwezenlijken, mochten de situaties waarin de cobrandingpartner of agent niet optreedt als uitgever in de zin van artikel 2, punt 2, van genoemde verordening, hierdoor ontsnappen aan de in de artikelen 3 tot en met 5 en 7 van die verordening neergelegde voorschriften.
72
Wanneer een driepartijenbetaalkaartschema een cobrandingovereenkomst in de zin van artikel 2, punt 32, van verordening 2015/751 of een overeenkomst met een agent in de zin van artikel 4, punt 38, van richtlijn 2015/2366 sluit, dient dit schema bijgevolg overeenkomstig artikel 1, lid 5, van die verordening als een vierpartijenbetaalkaartschema te worden beschouwd, zodat de verplichtingen die voortvloeien uit de artikelen 3 tot en met 5 en 7 van verordening 2015/751 op dit schema van toepassing zijn.
73
Gelet op een en ander dient op de eerste vraag te worden geantwoord dat artikel 1, lid 5, van verordening 2015/751 aldus moet worden uitgelegd dat het in het kader van een overeenkomst tussen een cobrandingpartner of een agent, enerzijds, en een driepartijenbetaalkaartschema, anderzijds, niet vereist is dat die cobrandingpartner of agent handelt als uitgever in de zin van artikel 2, punt 2, van die verordening, opdat dit schema wordt geacht samen met een cobrandingpartner of via een agent op kaarten gebaseerde betaalinstrumenten uit te geven, en dus wordt aangemerkt als een vierpartijenbetaalkaartschema in de zin van artikel 1, lid 5, van die verordening.
Tweede vraag
74
Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 1, lid 5, en artikel 2, punt 18, van verordening 2015/751 ongeldig zijn voor zover zij bepalen dat een driepartijenbetaalkaartschema als een vierpartijenbetaalkaartschema moet worden beschouwd enkel en alleen omdat het een overeenkomst heeft gesloten met een cobrandingpartner of een agent, terwijl deze cobrandingpartner of agent in het kader van die overeenkomst niet handelt als uitgever in de zin van artikel 2, punt 2, van die verordening.
Niet-nakoming van de motiveringsplicht
75
Wat betreft de motiveringsplicht, zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak van het Hof de door artikel 296, lid 2, VWEU vereiste motivering van een handeling van de Unie weliswaar de redenering van degene die de bewuste handeling heeft vastgesteld, duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking moet doen komen, zodat de belanghebbenden de rechtvaardigheidsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en het Hof zijn toezicht kan uitoefenen, maar dat het niet noodzakelijk is dat alle relevante gegevens, feitelijk of rechtens, erin worden gespecificeerd. Voorts moet bij de beoordeling of de motiveringsplicht is nagekomen niet alleen acht worden geslagen op de bewoordingen van de handeling, maar ook op de context ervan en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie regelen (arrest van 16 juni 2015, Gauweiler e.a., C-62/14, EU:C:2015:400, punt 70 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
76
Bovendien heeft het Hof herhaaldelijk geoordeeld dat indien de essentie van de door de instelling nagestreefde doelstelling blijkt uit een handeling van algemene strekking, het te ver zou gaan om voor elke technische keuze een specifieke motivering te verlangen (arrest van 3 maart 2016, Spanje/Commissie, C-26/15 P, niet gepubliceerd, EU:C:2016:132, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
77
In casu komt de logica die ten grondslag ligt aan de gelijkstelling, in bepaalde gevallen, van driepartijenbetaalkaartschema's aan vierpartijenbetaalkaartschema's voldoende duidelijk naar voren uit overweging 28 van verordening 2015/751. Zoals in punt 68 hierboven is opgemerkt, staat in deze overweging immers te lezen dat, om ‘het bestaan van impliciete afwikkelingsvergoedingen te erkennen’ en ‘tot de verwezenlijking van gelijke concurrentievoorwaarden bij te dragen’, driepartijenbetaalkaartschema's als vierpartijenbetaalkaartschema's moeten worden aangemerkt en ertoe gehouden zijn dezelfde voorschriften in acht te nemen, en dat ‘[t]ransparantie- en andere maatregelen in verband met bedrijfsregels […] op alle aanbieders van toepassing [dienen] te zijn’.
78
Bovendien komen in overweging 28, artikel 1, lid 5, tweede zin, en artikel 2, punten 17 en 18, van verordening 2015/751 de verschillen naar voren die bestaan tussen driepartijenbetaalkaartschema's en vierpartijenbetaalkaartschema's en die rechtvaardigen dat driepartijenbetaalkaartschema's slechts gedeeltelijk aan vierpartijenbetaalkaartschema's gelijkgesteld worden voor de toepassing van de regels inzake maxima voor afwikkelingsvergoedingen en inzake de scheiding tussen het betaalkaartschema en de verwerkingsentiteiten.
79
Hieruit volgt, zoals de advocaat-generaal in punt 117 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, dat deze bepalingen, doordat zij de omstandigheden uiteenzetten die ertoe hebben geleid dat driepartijenbetaalkaartschema's gedeeltelijk worden gelijkgesteld aan vierpartijenbetaalkaartschema's, alsook de algemene doelstellingen van deze gelijkstelling, de belanghebbenden in staat stellen om de rechtvaardigingsgronden van deze gelijkstelling te kennen en het het Hof mogelijk maken om zijn toezicht uit te oefenen, hetgeen in overeenstemming is met de in punt 75 van dit arrest in herinnering gebrachte rechtspraak.
80
Overeenkomstig de in de punten 75 en 76 van dit arrest toegelichte rechtspraak was de Uniewetgever dan ook niet verplicht in verordening 2015/751 een motivering op te nemen voor alle technische keuzes die hij heeft gemaakt, en die ten grondslag liggen aan de drie in artikel 1, lid 5, van deze verordening genoemde gevallen.
81
Derhalve kan niet worden aangenomen dat verordening 2015/751 op dit punt is aangetast door een motiveringsgebrek dat met zich meebrengt dat artikel 1, lid 5, en artikel 2, punt 18, van die verordening ongeldig zijn.
Bestaan van een kennelijke beoordelingsfout
82
Blijkens de verwijzingsbeslissing wordt in het hoofdgeding de geldigheid van artikel 1, lid 5, en artikel 2, punt 18, van verordening 2015/751 betwist op grond dat deze bepalingen door een kennelijke beoordelingsfout zijn aangetast. Deze schrijven immers voor dat in het kader van een overeenkomst tussen een cobrandingpartner of een agent, enerzijds, en een driepartijenbetaalkaartschema, anderzijds, deze cobrandingpartner of agent niet noodzakelijk betrokken moet zijn in de uitgifteactiviteit van het driepartijenbetaalkaartschema, opdat dit schema als een vierpartijenbetaalkaartschema wordt beschouwd.
83
Uit de in het kader van de onderhavige procedure aan het Hof verstrekte gegevens blijkt evenwel niet dat de Uniewetgever aldus een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt met betrekking tot artikel 1, lid 5, en artikel 2, punt 18, van verordening 2015/751.
84
Met name, zoals de advocaat-generaal in wezen heeft opgemerkt in de punten 121 tot en met 124 van zijn conclusie, blijkt uit geen van de aan het Hof overgelegde gegevens dat de Uniewetgever een fout heeft gemaakt bij het bepalen van de mate waarin driepartijenbetaalkaartschema's en vierpartijenbetaalkaartschema's aan elkaar moesten worden gelijkgesteld, wat de in de artikelen 3 tot en met 5 en 7 van die verordening neergelegde voorschriften betreft, opdat de in de punten 67 tot en met 69 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte doelstellingen kunnen worden verwezenlijkt.
Schending van het evenredigheidsbeginsel
85
In herinnering dient te worden gebracht dat het evenredigheidsbeginsel volgens vaste rechtspraak van het Hof vereist dat de handelingen van de instellingen van de Unie geschikt zijn om de met de betrokken regeling nagestreefde legitieme doelstellingen te verwezenlijken, en niet verder gaan dan daarvoor noodzakelijk is (arrest van 16 juni 2015, Gauweiler e.a., C-62/14, EU:C:2015:400, punt 67 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
86
Wat het rechterlijke toezicht op de naleving van deze voorwaarden betreft, heeft het Hof erkend dat de Uniewetgever in het kader van de uitoefening van de hem toegekende bevoegdheden over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt op gebieden waarop van hem politieke, economische en sociale keuzes worden verlangd en waarop hij ingewikkelde beoordelingen en afwegingen moet maken. Het gaat er dus niet om of een op een dergelijk gebied vastgestelde maatregel de enige of de best mogelijke maatregel was, aangezien enkel de kennelijke ongeschiktheid daarvan ter verwezenlijking van de door de bevoegde instellingen nagestreefde doelstelling de rechtmatigheid van die maatregel kan aantasten (arrest van 8 juni 2010, Vodafone e.a., C-58/08, EU:C:2010:321, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
87
Aangezien in casu uit geen enkel aan het Hof overgelegd gegeven blijkt dat artikel 1, lid 5, en artikel 2, punt 18, van verordening 2015/751 niet geschikt zijn om de door deze verordening nagestreefde legitieme doelstellingen — zoals in herinnering gebracht in de punten 67 tot en met 69 van dit arrest — te verwezenlijken, moet het argument van de hand worden gewezen dat deze bepalingen in strijd zijn met het evenredigheidsbeginsel doordat zij de gelijkstelling van een driepartijenbetaalkaartschema aan een vierpartijenbetaalkaartschema niet afhankelijk stellen van de voorwaarde dat de betrokken cobrandingpartner of agent als uitgever handelt. Aangezien — zoals is vermeld in punt 71 van het onderhavige arrest — niet kan worden uitgesloten dat in het geval van cobrandingovereenkomsten of agentuurovereenkomsten een bepaald type tegenprestatie of voordeel kan worden vastgesteld, zonder dat de cobrandingpartner of agent noodzakelijkerwijs betrokken is in de uitgifteactiviteit van het betrokken driepartijenbetaalkaartschema, was het in het bijzonder niet kennelijk ongepast, in het licht van die doelstellingen, om de door die verordening vastgestelde maximale afwikkelingsvergoedingen eveneens van toepassing te maken op een dergelijke vergoeding.
88
Uit al het voorgaande volgt dat bij het onderzoek van de tweede vraag niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van artikel 1, lid 5, en artikel 2, punt 18, van verordening 2015/751 kunnen aantasten.
Kosten
89
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:
- 1)
Artikel 1, lid 5, van verordening (EU) 2015/751 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2015 betreffende afwikkelingsvergoedingen voor op kaarten gebaseerde betalingstransacties moet aldus worden uitgelegd dat het in het kader van een overeenkomst tussen een cobrandingpartner of een agent, enerzijds, en een driepartijenbetaalkaartschema, anderzijds, niet vereist is dat die cobrandingpartner of agent handelt als uitgever in de zin van artikel 2, punt 2, van die verordening, opdat dit schema wordt geacht samen met een cobrandingpartner of via een agent op kaarten gebaseerde betaalinstrumenten uit te geven, en dus wordt aangemerkt als een vierpartijenbetaalkaartschema in de zin van artikel 1, lid 5, van die verordening.
- 2)
Bij het onderzoek van de tweede prejudiciële vraag is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van artikel 1, lid 5, en artikel 2, punt 18, van verordening 2015/751 kunnen aantasten.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 07‑02‑2018
Conclusie 06‑07‑2017
M. Campos Sánchez-Bordona
Partij(en)
Zaak C-304/161.
American Express Co.
tegen
The Lords Commissioners of Her Majesty's Treasury,
in tegenwoordigheid van:
Diners Club International Ltd,
MasterCard Europe SA
[verzoek van de High Court of Justice of England and Wales, Queen's Bench Division (Administrative Court) (hogere bestuursrechter van Engeland en Wales, Verenigd Koninkrijk) om een prejudiciële beslissing]
1.
Achter een zo alledaagse en op het eerste gezicht zo eenvoudige transactie als het elektronisch betalen van goederen en diensten, gaat een complex kluwen van rechtsbetrekkingen schuil waar de consument weinig besef van heeft. Bij elke transactie met een betaalkaart zijn naast de consument en de handelaar, minimaal ook de bank of banken van de consument en de handelaar en de exploitant van de gebruikte betaalkaart betrokken.
2.
Een van de belangrijkste aspecten van dergelijke transacties zijn de kosten2. die financiële instellingen in rekening brengen voor de aan consumenten en handelaren verleende diensten ter vergemakkelijking van het gebruik van betaalkaarten. Nadat de Europese Commissie de mededingingsregels had toegepast op de in het betaalsysteem van MasterCard gehanteerde ‘multilaterale afwikkelingsvergoeding’3., heeft het Hof de gelegenheid gehad zich over een dergelijke afwikkelingsvergoeding uit te laten.4.
3.
Aan het Hof wordt thans een ander probleem voorgelegd. Het betreft het onderscheid tussen de twee grote betaalkaartschema's5., namelijk het vierpartijenbetaalkaartschema (het meest gebruikte, in het bijzonder door MasterCard en Visa) en het driepartijenbetaalkaartschema (waar onder meer American Express en Diners Club gebruik van maken).
4.
In verordening (EU) 2015/7516. wordt de afwikkelingsvergoeding in systemen met vier partijen beperkt en wordt ruimte gelaten voor het bepalen van de kosten in systemen met drie partijen. Aangezien de verschillen tussen beide systemen niet duidelijk blijken uit die verordening, wordt het Hof gevraagd om duidelijkheid te verschaffen. Vereist is wel dat het door de verwijzende rechter ingediende verzoek om een prejudiciële beslissing ontvankelijk is.
I. Toepasselijke bepalingen: Unierecht
5.
De afwikkelingsvergoeding is een van de grootste kostenposten bij op kaarten gebaseerde betalingstransacties. Gelet op de tussen de lidstaten bestaande verschillen, die een negatieve impact hadden op de integratie van de Europese markt voor (andere dan contante) betalingen in de detailhandel, heeft de Europese Unie ervoor gekozen tot harmonisatie over te gaan teneinde de hoogte van de afwikkelingsvergoeding te verlagen en het toezicht op de vergoeding te verbeteren.
6.
Vanuit dit streven is de verordening vastgesteld. Het betreft een rechtstreeks toepasselijke regeling, zodat er in beginsel geen nationale uitvoeringsmaatregelen hoeven te worden uitgewerkt (behalve voor de door de lidstaten vast te stellen en op te leggen sancties, welke bevoegdheid expliciet wordt genoemd in artikel 14, lid 1, van de verordening).
7.
In de verordening worden beide betaalkaartschema's vermeld: het vierpartijenbetaalkaartschema en het driepartijenbetaalkaartschema. Met betrekking tot die schema's wordt in de hierna weergegeven overwegingen het volgende gezegd:
- ‘(28)
Op kaarten gebaseerde betalingstransacties worden doorgaans uitgevoerd volgens twee belangrijke bedrijfsmodellen, zogeheten ‘driepartijenbetaalkaartschema's’ (kaarthouder — accepterend en uitgevend schema — handelaar) en ‘vierpartijenbetaalkaartschema's’ (kaarthouder — uitgevende bank — accepterende bank — handelaar). Tal van vierpartijenbetaalkaartschema's hanteren een expliciete, meestal multilaterale afwikkelingsvergoeding. Om het bestaan van impliciete afwikkelingsvergoedingen te erkennen en tot de verwezenlijking van gelijke concurrentievoorwaarden bij te dragen, moeten driepartijenbetaalkaartschema's die van betalingsdienstaanbieders als uitgevers of accepteerders gebruikmaken, als vierpartijenbetaalkaartschema's worden aangemerkt en horen zij dezelfde voorschriften in acht te nemen; transparantie- en andere maatregelen in verband met bedrijfsregels dienen op alle aanbieders van toepassing te zijn. Rekening houdend met de specifieke situatie die zich voor dergelijke driepartijenbetaalkaartschema's kan voordoen, is het echter passend te voorzien in een overgangsperiode gedurende welke de lidstaten kunnen beslissen de regels voor het maximum voor afwikkelingsvergoedingen niet toe te passen indien deze schema's in de betrokken lidstaat een zeer beperkt marktaandeel hebben.
- (29)
De uitgiftedienst is gebaseerd op een contractuele relatie tussen de uitgever van het betaalinstrument en de betaler, ongeacht of de uitgever het geld houdt namens de betaler. De uitgever stelt betaalkaarten ter beschikking van de betaler, machtigt tot transacties met terminals of soortgelijke instrumenten en kan betaling aan de accepteerder garanderen voor transacties die conform de regels van het desbetreffende schema worden verricht. Daarom wordt de loutere verdeling van betaalkaarten of technische diensten, zoals het louter verwerken en bewaren van gegevens, niet aangemerkt als uitgifte.
[…]
- (32)
Consumenten zijn vaak niet op de hoogte van de vergoedingen die handelaren betalen voor het betaalinstrument dat zij gebruiken. Tegelijkertijd kunnen uitgevers er met een aantal stimulansen (in de vorm van onder meer reisvouchers, bonussen, kortingen, terugboekingen, gratis verzekeringen enz.) op aansturen dat consumenten gebruikmaken van betaalinstrumenten, waardoor voor uitgevers hoge vergoedingen worden gegenereerd. Om daaraan tegenwicht te bieden, mogen de maatregelen die ertoe strekken afwikkelingsvergoedingen te beperken, alleen maar betrekking hebben op betaalkaarten die massaproducten zijn geworden, en die handelaren doorgaans moeilijk kunnen weigeren omdat de uitgifte en het gebruik ervan zo wijdverspreid zijn (debet- en kredietkaarten van consumenten). Teneinde tot een doeltreffender marktwerking in de niet-gereglementeerde delen van de sector te komen en de overheveling van activiteiten van de gereglementeerde naar de niet-gereglementeerde delen van de sector te beperken, is het noodzakelijk een reeks maatregelen vast te stellen betreffende, onder meer, het scheiden van schema en infrastructuur, het door de begunstigde sturen van het gedrag van de betaler en de selectieve acceptatie van betaalinstrumenten door de begunstigde.
- (33)
Het aanbrengen van een scheiding tussen schema en infrastructuur moet alle verwerkingsentiteiten in de gelegenheid stellen te concurreren om klanten van de schema's. Aangezien verwerkingskosten een aanzienlijk deel van de totale kosten van kaartacceptatie vertegenwoordigen, is het van belang ervoor te zorgen dat voor deze schakel in de waardeketen van daadwerkelijke concurrentie sprake is. De scheiding van schema en infrastructuur houdt in dat kaartschema's en verwerkingsentiteiten onafhankelijk moeten zijn wat boekhouding, organisatie en besluitvormingsproces betreft. […]’
8.
Artikel 1 van de verordening is opgenomen in hoofdstuk I (‘Algemene bepalingen’) en bepaalt:
- ‘1.
In deze verordening zijn eenvormige technische en bedrijfsmatige vereisten neergelegd voor binnen de Unie verrichte op kaarten gebaseerde betalingstransacties waarbij zowel de betalingsdienstaanbieder van de betaler als de betalingsdienstaanbieder van de begunstigde zich binnen de Unie bevinden.
[…]
- 3.
Hoofdstuk II is niet van toepassing op:
- a)
transacties met commerciële kaarten;
- b)
opnemingen van contanten bij geldautomaten of aan het loket van een betalingsdienstaanbieder, en
- c)
transacties met betaalkaarten die door een driepartijenbetaalkaartschema zijn uitgegeven.
- 4.
Artikel 7 is niet van toepassing op driepartijenbetaalkaartschema's.
- 5.
Een driepartijenbetaalkaartschema dat aan andere betalingsdienstaanbieders een licentie voor de uitgifte van op kaarten gebaseerde betaalinstrumenten of de acceptatie van op kaarten gebaseerde betalingstransacties, of voor beide, verleent, of dat samen met een cobrandingpartner of via een agent op kaarten gebaseerde betaalinstrumenten uitgeeft wordt als een vierpartijenbetaalkaartschema beschouwd. Wat de binnenlandse betalingstransacties betreft kan voor een dergelijk driepartijenbetaalkaartschema evenwel tot 9 december 2018 worden voorzien in een vrijstelling van de verplichtingen van hoofdstuk II, mits de op kaarten gebaseerde betalingstransacties die uit hoofde van dat driepartijenbetaalkaartschema in een lidstaat worden verricht, op jaarbasis niet meer bedragen dan 3 % van de totale waarde van de in die lidstaat verrichte op kaarten gebaseerde betalingstransacties.’
9.
Artikel 2 van verordening 2015/751 bevat een lange lijst van definities van gebruikte begrippen. Voor deze zaak zijn met name van belang de punten 2, 10 tot en met 12, 15 tot en met 18 en 32, die luiden als volgt:
‘Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
[…]
- 2.
‘uitgever’: een betalingsdienstaanbieder die met een betaler een overeenkomst sluit voor het verstrekken van een betaalinstrument voor het initiëren en het verwerken van diens op kaarten gebaseerde betalingstransacties;
[…]
- 10.
‘afwikkelingsvergoeding’: een vergoeding die voor elke transactie direct of indirect (d.w.z. via een derde) wordt betaald tussen de uitgever en de accepteerder die bij een op kaarten gebaseerde betalingstransactie betrokken zijn. De nettocompensatie of andere overeengekomen vergoeding wordt beschouwd als deel uitmakend van de afwikkelingsvergoeding;
- 11.
‘nettocompensatie’: het nettototaalbedrag aan betalingen, kortingen of stimulansen die een uitgever van het betaalkaartschema, de accepteerder of een andere intermediair in verband met op kaarten gebaseerde betalingstransacties of daaraan gerelateerde activiteiten, heeft ontvangen;
- 12.
‘handelarenvergoeding’: een door de begunstigde aan de accepteerder betaalde vergoeding in verband met op kaarten gebaseerde betalingstransacties;
[…]
- 15.
‘betaalkaart’: een categorie van betaalinstrumenten waarmee de betaler een debet- of kredietkaarttransactie kan initiëren;
- 16.
‘betaalkaartschema’: een geheel van regels, praktijken, normen en/of uitvoeringsrichtsnoeren ten behoeve van de uitvoering van op kaarten gebaseerde betalingstransacties dat losstaat van een infrastructuur die of een betaalsysteem dat de werking ervan ondersteunt, en dat een voor de werking van het schema verantwoordelijk(e) specifiek(e) besluitvormingsorgaan, -organisatie of -entiteit omvat;
- 17.
‘vierpartijenbetaalkaartschema’: een betaalkaartschema waarbij de op kaarten gebaseerde betalingstransacties van de betaalrekening van een betaler naar de betaalrekening van een begunstigde worden verricht door tussenkomst van het schema, een uitgever (voor de betaler) en een accepteerder (voor de begunstigde);
- 18.
‘driepartijenbetaalkaartschema’: een betaalkaartschema waarbij het schema zelf diensten aanbiedt voor de acceptatie en de uitgifte en op kaarten gebaseerde betalingstransacties binnen het schema worden verricht van de betaalrekening van een betaler naar de betaalrekening van een begunstigde. Een driepartijenbetaalkaartschema dat aan andere betalingsdienstaanbieders een licentie verleent voor de uitgifte van op kaarten gebaseerde betaalinstrumenten of de acceptatie van op kaarten gebaseerde betalingstransacties, of voor beide, of samen met een cobrandingpartner of via een agent op kaarten gebaseerde betaalinstrumenten uitgeeft, wordt als een vierpartijenbetaalkaartschema beschouwd;
[…]
- 32.
‘cobranding’: het incorporeren van ten minste één betaalmerk en ten minste één niet-betaalmerk op hetzelfde op kaarten gebaseerd betaalinstrument’.
10.
Artikel 3, lid 1, van deze verordening luidt:
‘De afwikkelingsvergoeding die betalingsdienstaanbieders voor debetkaarttransacties bieden of verlangen, bedraagt per transactie niet meer dan 0,2 % van de transactiewaarde.’
11.
Artikel 4 van de verordening luidt als volgt:
‘De afwikkelingsvergoeding die betalingsdienstaanbieders voor kredietkaarttransacties bieden of verlangen, bedraagt per transactie niet meer dan 0,3 % van de transactiewaarde. Voor binnenlandse kredietkaarttransacties kunnen de lidstaten een lagere maximale afwikkelingsvergoeding per transactie vaststellen.’
12.
In artikel 5 van verordening 2015/751 staat te lezen:
‘Voor de toepassing van de in de artikelen 3 en 4 bedoelde maxima wordt elke overeengekomen vergoeding, met inbegrip van de nettocompensatie, waarvan het oogmerk of het effect gelijkwaardig is aan de afwikkelingsvergoeding en die een uitgever met betrekking tot betalingstransacties of daaraan gerelateerde activiteiten ontvangt van het betaalkaartschema, de accepteerder of een andere intermediair, als een deel van de afwikkelingsvergoeding beschouwd.’
13.
Artikel 7, dat niet van toepassing is op driepartijenbetaalkaartschema's, regelt de scheiding tussen het betaalkaartschema en de entiteiten die betalingstransacties verwerken.
II. Hoofdgeding en prejudiciële vragen
14.
American Express Company (hierna: ‘Amex’) is een in New York gevestigd internationaal dienstverlenend bedrijf dat met behulp van dochterondernemingen betalingsdiensten, reisarrangementen, valutawisseldiensten en loyaliteitsplatforms aanbiedt en daarnaast ook wereldwijd, dus ook in de Europese Unie, betaalkaarten uitgeeft en op kaarten gebaseerde betalingstransacties accepteert.
15.
Dit bedrijf exploiteert het American Express-betaalkaartschema, dat is aangemerkt als een driepartijenbetaalkaartschema. Amex heeft in de Unie een aantal cobrandingovereenkomsten en overeenkomsten voor het aanbieden van diensten gesloten met andere organisaties. Op grond daarvan gelden voor de desbetreffende transacties, onverminderd de aan de verordening te geven uitlegging, de in de verordening neergelegde beperkingen voor vierpartijenbetaalkaartschema's.
16.
In een vergelijkbare situatie verkeert Diners Club International Limited, een dochteronderneming van Discover Financial Services, die het driepartijenbetaalkaartschema Diners Club exploiteert en in de bij de verwijzende rechter aanhangige zaak de zienswijze van Amex deelt.
17.
In deze zaak is tevens betrokken MasterCard Europe SA (hierna: ‘MasterCard’), de belangrijkste Europese dochteronderneming van MasterCard Incorporated. Deze onderneming exploiteert onder de naam MasterCard wereldwijd krediet- en debetkaartsystemen met vier partijen. MasterCard heeft verzocht om te mogen interveniëren, welk verzoek door de verwijzende rechter is toegewezen, en bestrijdt de zienswijze van Amex.
18.
Amex heeft de verwijzende rechter verzocht om toetsing van de verplichting en/of het voornemen van Her Majesty's Treasury (ministerie van Financiën van het Verenigd Koninkrijk)7. om in het Verenigd Koninkrijk bepaalde aspecten van artikel 1, lid 5, en artikel 2, punt 18, van de verordening uit te voeren.
19.
De discussie heeft specifiek betrekking op twee van de drie in artikel 1, lid 5, en artikel 2, punt 18, van de verordening genoemde gevallen waarin driepartijenbetaalkaartschema's als een vierpartijenbetaalkaartschema worden beschouwd.
20.
De verwijzende rechter geeft aan dat partijen het eens zijn en ook bij hem geen twijfel bestaat omtrent het eerste in die bepalingen vermelde geval: als een driepartijensysteem aan andere betalingsdienstaanbieders een licentie voor de uitgifte van betaalkaarten of de acceptatie van op kaarten gebaseerde betalingstransacties, of voor beide, verleent, dan wordt het krachtens de verordening gelijkgesteld met een vierpartijensysteem.
21.
De twijfel betreft de andere twee gevallen, namelijk als een driepartijenschema ‘samen met een cobrandingpartner of via een agent op kaarten gebaseerde betaalinstrumenten’ uitgeeft. De verwijzende rechter wenst van het Hof te vernemen of een driepartijenbetaalkaartschema in die gevallen voor de toepassing van de verordening steeds gelijk is te stellen met een vierpartijenbetaalkaartschema (en dus voldoende is dat sprake is van een cobrandingpartner of een agent) dan wel slechts wanneer de cobrandingpartner of agent bovendien een afzonderlijke betalingsdienstaanbieder is en de betaalkaarten uitgeeft.
22.
Ten slotte vraagt de verwijzende rechter, als een driepartijensysteem door het optreden van een cobrandingpartner of een agent een vierpartijensysteem wordt, naar de geldigheid van artikel 1, lid 5, en artikel 2, punt 18, van de verordening.
23.
Tegen deze achtergrond heeft de High Court of Justice of England and Wales, Queen's Bench Division (Administrative Court) (hogere bestuursrechter van Engeland en Wales, Verenigd Koninkrijk) bij beslissing van 30 mei 2016 het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
- ‘1)
Is de bepaling in artikel 1, lid 5, en artikel 2, punt 18, van [de verordening] dat een driepartijenbetaalkaartschema dat samen met een cobrandingpartner of via een agent op kaarten gebaseerde betaalinstrumenten uitgeeft als een vierpartijenbetaalkaartschema wordt beschouwd, alleen van toepassing voor zover de cobrandingpartner of de agent optreedt als de ‘uitgever’ in de zin van artikel 2, punt 2, en overweging 29 van de verordening (namelijk ingeval die partner of agent een contractuele relatie onderhoudt met de betaler, op grond waarvan hij zich ertoe verbindt aan de betaler een betaalinstrument te verschaffen om de op kaarten gebaseerde betalingstransacties van de betaler te initiëren en te verwerken?
- 2)
Indien het antwoord op de eerste vraag ontkennend luidt, zijn artikel 1, lid 5, en artikel 2, punt 18, van de verordening ongeldig voor zover zij bepalen dat dergelijke regelingen als vierpartijenbetaalkaartschema's worden beschouwd, op grond van:
- a)
schending van de motiveringsplicht overeenkomstig artikel 296 VWEU;
- b)
een kennelijke beoordelingsfout, en/of
- c)
schending van het evenredigheidsbeginsel?’
24.
In de procedure bij het Hof hebben Amex, MasterCard, de regering van het Verenigd Koninkrijk, de Portugese regering, de Commissie, de Raad van de Europese Unie en het Europees Parlement schriftelijke opmerkingen ingediend. Ter terechtzitting van 27 april 2017 hebben Amex, MasterCard, de regering van het Verenigd Koninkrijk, de Commissie, de Raad en het Europees Parlement pleidooi gehouden.
III. Beoordeling
25.
De Commissie, het Europees Parlement en de Raad betogen dat de prejudiciële vragen niet-ontvankelijk zijn. Ik bespreek hun bezwaren alvorens eventueel in te gaan op de grond van de zaak. Indien een inhoudelijke beoordeling direct of indirect dient plaats te vinden, moet eerst worden toegelicht welke rechtsbetrekkingen in het kader van op kaarten gebaseerde betalingstransacties bestaan, zodat gemakkelijker inzicht ontstaat in die rechtsbetrekkingen.
A. Ontvankelijkheid van de prejudiciële vragen
26.
De drie instellingen, die alle drie betogen dat het verzoek om een prejudiciële beslissing niet-ontvankelijk is, onderbouwen dit op de volgende manier: a) tussen partijen bestaat geen reëel geschil, aangezien het verzoek tot rechterlijke toetsing (‘judicial review’) van ‘het voornemen en/of de verplichting’ van de regering van het Verenigd Koninkrijk om een verordening toe te passen in feite een middel vormt om de door het VWEU geboden beroepsmogelijkheid te omzeilen; b) het vraagstuk is van hypothetische aard, en c) de verwijzende rechter vermeldt de feitelijk en juridisch relevante informatie niet en geeft evenmin aan waarom hij twijfelt aan de geldigheid van artikel 1, lid 5, en artikel 2, punt 18, van de verordening.
27.
Het gaat inderdaad om een ongebruikelijk verzoek om een prejudiciële beslissing waarbij sprake is van een aantal gebreken die, gelet op de rechtspraak van het Hof en artikel 94 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, tot niet-ontvankelijkverklaring kunnen leiden.
28.
In de eerste plaats geeft de verwijzende rechter geen omschrijving van het feitencomplex. Er wordt uitsluitend aangegeven dat het verzoek van Amex ziet op de verplichting en/of het voornemen van verwerende partij (ministerie van Financiën van het Verenigd Koninkrijk) om bepaalde aspecten van artikel 1, lid 5, en artikel 2, punt 18, van de verordening in het Verenigd Koninkrijk uit te voeren. Niet vermeld is hoe de Britse autoriteiten die bepalingen zullen toepassen, noch of deze reeds zijn toegepast.
29.
In de tweede plaats wordt in de verwijzingsbeslissing vastgesteld dat Amex, de verzoekende partij, en het ministerie van Financiën van het Verenigd Koninkrijk, de verwerende partij, het eens zijn over de oplossing van het geschil. In werkelijkheid verzet verweerder zich niet tegen het door verzoekster ingediende verzoek, maar steunt hij verzoekster waar het gaat om de prejudiciële verwijzing.
30.
In de derde plaats vermeldt de verwijzende rechter alleen de argumenten van partijen, motiveert hij niet waarom een verzoek om een prejudiciële beslissing is ingediend, en zet hij evenmin uiteen waarom zijn vragen noodzakelijk zijn voor de afdoening van het (vermeende) geschil. In werkelijkheid heeft hij aan het Hof een door partijen opgesteld stuk doen toekomen dat aan de verwijzingsbeslissing is gehecht.8.
31.
Het Hof zou een dergelijk verzoek om een prejudiciële beslissing niet in behandeling mogen nemen.
32.
Er is evenwel sprake van een bijzondere omstandigheid die de handelwijze van de verwijzende rechter mogelijkerwijs verklaart. De vragen zijn gerezen in het kader van een verzoek tot rechterlijke toetsing (‘judicial review’) van het voornemen en/of de verplichting van het Verenigd Koninkrijk om een regeling van secundair Unierecht toe te passen. Het betreft een in het recht van het Verenigd Koninkrijk bestaande specifieke procedure waarbij particulieren blijkens de praktijk kunnen verzoeken om interpretatie of ongeldigverklaring van voorschriften die jegens hen (nog) niet zijn toegepast.
33.
Ik ben van mening dat het Hof bij het in behandeling nemen van in het kader van dergelijke procedures door Britse rechters ingediende verzoeken om een prejudiciële beslissing redelijk ruimhartig is geweest als het gaat om de beoordeling van de geldigheid van Unieregelingen.9. Als gevolg hiervan hebben procederende particulieren in het Verenigd Koninkrijk (anders dan particulieren in andere lidstaten) mijns inziens de mogelijkheid om de geldigheid van Unierechtelijke handelingen van algemene strekking ter discussie te stellen, zelfs nog voordat deze handelingen rechtsgevolgen teweeg kunnen brengen in het nationale recht.10. Op dit punt zal ik later terugkomen.
34.
Niettemin zijn er verschillende redenen om de zaak ontvankelijk te verklaren. Ten eerste rust er volgens het Hof op prejudiciële vragen een vermoeden van relevantie, gelet op de discretionaire bevoegdheid van de nationale rechter ten aanzien van de vraag of de prejudiciële verwijzing noodzakelijk is. Dit vermoeden kan echter worden weerlegd.11.
35.
Verder moet erop worden gewezen dat het Hof reeds heeft geantwoord op van Britse rechters afkomstige prejudiciële vragen die zijn voorgelegd in tot ‘judicial review’ strekkende procedures.12. Weliswaar gaat het hierbij in de meeste gevallen om de uitlegging van richtlijnen, maar volgens mij zijn er geen onoverkomelijke moeilijkheden om eenzelfde aanpak te hanteren voor de uitlegging en de geldigheid van een verordening.13.
36.
Een verordening is rechtstreeks toepasselijk (artikel 288, tweede alinea, VWEU), hetgeen impliceert dat de verordening niet hoeft te worden uitgewerkt middels de vaststelling van wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen door de lidstaten, tenzij dit is bepaald in de verordening.14. In veel gevallen dient de bestuurlijke handhaving van verordeningen echter te gebeuren door de nationale autoriteiten en ontstaat bij die handhaving twijfel bij de nationale rechter over de manier waarop sommige bepalingen moeten worden uitgelegd, dan wel over de geldigheid daarvan.15.
37.
Dit is het geval in de onderhavige zaak, aangezien er ten minste twee manieren zijn om artikel 1, lid 5, en artikel 2, punt 18, van de verordening uit te leggen en toe te passen op driepartijenbetaalkaartschema's, en redenen kunnen worden genoemd waarom de geldigheid van die artikelen ter discussie staat.
38.
De rechtspraak van het Hof stelt overigens niet als voorwaarde voor de ontvankelijkheid van verzoeken om een prejudiciële beslissing dat in het nationale recht daadwerkelijk maatregelen ter uitvoering van een Uniehandeling zijn getroffen. Het is voldoende dat de rechter zich buigt over een reëel geschil waarbij de uitlegging of de geldigheid van die handeling incidenteel ter sprake komt.
39.
Ten derde heeft de verwijzende rechter verzoekster in de oorspronkelijke procedure ontvankelijk geacht, hetgeen impliceert dat voor de verwijzende rechter de procedure is doorlopen volgens de naar het recht van het Verenigd Koninkrijk toepasselijke regels.16. De mogelijkheid tot het beoordelen van de uitlegging en de geldigheid van de twee genoemde artikelen, hierbij anticiperend op de bestuurlijke handhaving van die artikelen, lijkt voor de verwijzende rechter niet te leiden tot het ontstaan van problemen van procedurele aard.
40.
Ten slotte is de aanpak van de nationale rechter bij het opstellen van de verwijzingsbeslissing duidelijk voor verbetering vatbaar, aangezien hij slechts verwijst naar de door partijen gegeven uiteenzetting van de feitelijke en juridische achtergrond van de zaak en die achtergrond niet zelf schetst.17. Op basis van de verwijzingsbeslissing als geheel is het echter wel mogelijk om een goed beeld te krijgen van de feiten en juridische aspecten18. en hebben de belanghebbenden (Commissie, Raad, Europees Parlement, de regering van het Verenigd Koninkrijk, de Portugese regering, Amex en MasterCard) opmerkingen kunnen maken overeenkomstig artikel 23 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie.
41.
Ondanks het gewicht van die argumenten meen ik dat twee tegenargumenten de balans doen doorslaan naar de niet-ontvankelijkheid van deze zaak.
42.
Procedures als de onderhavige maken het voor in het Verenigd Koninkrijk procederende partijen mogelijk om de beperkingen te ‘omzeilen’ die met betrekking tot de procesbevoegdheid gelden bij beroepen tot nietigverklaring van rechtshandelingen van de Unie die een algemene strekking hebben. Door gebruik te maken van de prejudiciële procedure op de manier waarop het hier is gebeurd, wordt een niet te versmaden procedureel voordeel verkregen doordat de rechtmatigheid van dergelijke handelingen kan worden aangevochten voordat sprake is van de bestuurlijke handhaving daarvan en voordat de bijbehorende gevolgen voor de rechtspositie van de adressaat intreden.19.
43.
Het in behandeling nemen van dit soort verzoeken om een prejudiciële beslissing kan bij het gebruik van de prejudiciële procedure leiden tot discriminatie jegens particulieren in andere lidstaten, die pas als zij door een op het Unierecht gebaseerd besluit worden geraakt de gang naar de rechter kunnen maken en eventueel kunnen vorderen dat het specifieke besluit en de Unierechtelijke regeling waarop dit is gebaseerd, nietig worden verklaard.
44.
In de logica van het Unierechtelijke systeem van beroepsmogelijkheden kunnen alleen verzoekers die algemene procesbevoegdheid hebben of particulieren die rechtstreeks en individueel worden geraakt door een bepaalde handeling, om nietigverklaring verzoeken. Van laatstgenoemde groep wordt verlangd dat het (rechtstreekse) beroep tot nietigverklaring tijdig wordt ingesteld bij het Gerecht, maar voor deze groep personen geldt tevens dat zij — voorafgaand aan of naast dat beroep — de nationale rechter niet kunnen verzoeken om een prejudiciële geldigheidsvraag te stellen.20.
45.
Dit laatste aspect van het systeem van beroepsmogelijkheden tegen handelingen van de Unie dreigt volgens mij in het gedrang te komen als prejudiciële verwijzingen als de onderhavige verwijzing gebruikelijk worden. Voorstellen dat dit verzoek om een prejudiciële beslissing niet-ontvankelijk wordt verklaard, is niet gelijk te stellen, ook niet indirect, aan kritiek op de procedure tot ‘judicial review’, waarvan de flexibiliteit mijns inziens zeker is toe te juichen. De autonomie die lidstaten hebben over hun procesrecht, maakt dat zij naar eigen inzicht een systeem van beroepsmogelijkheden in het leven kunnen roepen. Bij het indienen van verzoeken om een prejudiciële beslissing moet uiteraard wel rekening worden gehouden met artikel 267 VWEU en de rechtspraak van het Hof over onder welke voorwaarden de geldigheid van Uniehandelingen kan worden aangevochten, zowel rechtstreeks als via een prejudiciële procedure.
46.
Verder is het, zoals ik reeds heb aangegeven, zo dat er in dit geval voor de nationale rechter geen echte strijd is gevoerd tussen Amex en de Britse overheid. Beide partijen delen dezelfde zienswijze en wenden zich niet tot de rechter om een werkelijk geschil te doen beslechten omdat zij van mening verschillen over de oplossing voor dat geschil, maar uitsluitend om te verkrijgen dat hij de vragen die zij eigenhandig hebben opgesteld, voorlegt aan het Hof.
47.
Kenmerkend (en wezenlijk) voor geschillen is dat standpunten niet overeenkomen, maar verschillen. In het onderhavige geval is echter veeleer sprake van een door partijen gezamenlijk opgezette procedurele constructie die uitsluitend tot doel heeft dat het Hof uitspraak doet, en bestaat geen reëel geschil tussen verzoekster en verweerder. Het Hof wordt in feite gevraagd een advies uit te brengen om bepaalde twijfels over de uitlegging en de geldigheid van de verordening weg te nemen.
48.
Ik ben dan ook geneigd om het Hof in overweging te geven het verzoek om een prejudiciële beslissing niet-ontvankelijk te verklaren. Voor het geval het Hof anders oordeelt, zal ik de prejudiciële vragen hierna inhoudelijk bespreken.
B. Algemene overwegingen over betaalkaartschema's
49.
Bij op kaarten gebaseerde betalingstransacties zijn in de regel betrokken: a) de kaarthouder; b) de financiële instelling, doorgaans een bank, die de kaart uitgeeft en ter beschikking stelt van haar klanten (hierna: ‘uitgevende bank’)21.; c) de handelaar die de goederen verkoopt of de diensten verleent waarvoor elektronisch wordt betaald; d) de financiële instelling die de handelaar de diensten biedt waardoor elektronisch kan worden betaald, welke instelling doorgaans ook een bank is en in het jargon van dergelijke transacties de ‘accepterende bank’ wordt genoemd, en e) een betaalkaartschema, zoals Visa, MasterCard, American Express of Diners Club. Ook lokale centrales die de op kaarten gebaseerde betalingstransacties verwerken, kunnen betrokken zijn.
50.
Bij elektronisch betalen wordt een complex kluwen van rechtsbetrekkingen tussen de betrokkenen tot stand gebracht.22. In de eerste plaats is er de overeenkomst tot uitgifte van de betaalkaart, die wordt gesloten tussen de kaarthouder en de uitgevende bank en in de regel bepaalt dat de kaarthouder een vergoeding betaalt aan de uitgevende bank. De uitgevende bank gaat akkoord met de betaalopdracht van de consument en bevestigt daarmee dat de consument voldoende saldo op zijn rekening heeft staan (debetkaart) of dat het te betalen bedrag binnen de beschikbare kredietlimiet valt (creditkaart).
51.
In de tweede plaats is er de overeenkomst die wordt gesloten tussen de handelaar en de accepterende bank en op grond waarvan de accepterende bank aan de handelaar de diensten verleent waardoor betaalkaarten als betaalmiddel kunnen worden geaccepteerd. In ruil voor de door de bank verstrekte voorzieningen (in de vorm van een terminal of een online betalingssysteem op de website van een winkel) waarmee de betaalopdracht van de consument kan worden ontvangen en de bedragen van de door de winkel aangegeven kooptransacties kunnen worden betaald, vindt bij de handelaar een inhouding op de uiteindelijke verkoopprijs van diens goederen of diensten plaats (waarin de afwikkelingsvergoeding wordt meegenomen). Voorts verzamelt de accepterende bank de transactiegegevens, zendt zij deze gegevens door aan de verwerkingsentiteiten en maakt zij het geld over aan de winkel nadat de afwikkelingsvergoeding en de handelarenvergoeding zijn ingehouden.
52.
De betaalkaartschema's voeren de clearing en afwikkeling van betaalopdrachten uit en ontvangen hiervoor commissie van de (uitgevende en accepterende) banken die licentiehouders zijn van de aan die schema's toebehorende merken.
53.
Ten slotte impliceert het optreden van de entiteiten die de betalingstransacties verwerken, dat een merklicentieovereenkomst tot stand komt tussen de verwerkingsentiteiten en de betaalkaartschema's. Er is sprake van collectieve participatie van financiële instellingen in die verwerkingsentiteiten, en afwikkelingsvergoedingen worden doorgaans collectief vastgesteld.
54.
betaalkaartschema's hanteren twee, op basis van het aantal partijen te onderscheiden bedrijfsmodellen: vierpartijen- of open schema's en driepartijen- of gesloten schema's.
55.
Op de markt worden schema's met vier partijen (Visa en MasterCard) het meest gebruikt. Hierbij worden de betalingstransacties van de rekening van een betaler (consument) naar de rekening van een begunstigde (handelaar) verricht door tussenkomst van het betaalkaartschema. Betrokken zijn de bank die de betaalkaart van de consument heeft uitgegeven, en de accepterende bank, die de technische voorzieningen heeft verstrekt, zodat de handelaar de betaling kan ontvangen.23.
56.
Het vierpartijenschema heet zo omdat er bij dit schema vier partijen betrokken zijn (de kaarthouder en diens uitgevende bank, alsmede de ontvanger van de betaling en diens accepterende bank) naast de exploitant van het betaalsysteem. Het is een open systeem want behalve de exploitant van het betaalkaartschema zijn er ook twee financiële instellingen waartussen interactie plaatsvindt.
57.
Bij dit systeem ontvangt de bank die de kaart heeft uitgegeven, commissie van de accepterende bank (het betreft de zogeheten afwikkelingsvergoeding) ter compensatie van de kosten die deze bank niet in rekening kan brengen via de aan de kaarthouder gevraagde vergoedingen (zoals de kosten in verband met de uitgifte van de kaart en de jaarlijkse bijdrage).
58.
De afwikkelingsvergoeding wordt door de accepterende bank aan de handelaar doorberekend in de uit de verleende financiële diensten voortvloeiende kosten, welke kosten de handelarenvergoeding vormen. De afwikkelingsvergoeding fungeert als een minimumdrempel en is een belangrijke component van de financiële kosten die de accepterende bank in rekening brengt aan de handelaar, die deze vergoeding doorgaans weer doorberekent in de door de consument te betalen prijs.
59.
Het andere betaalkaartschema is het driepartijen- of gesloten systeem, zoals American Express of Diners Club, waarbij de consument (kaarthouder) en de handelaar een directe relatie hebben met het schema dat de kaart uitgeeft. Om die reden wordt dit schema als een driepartijenschema aangemerkt, aangezien geen sprake is van betrokkenheid van een andere financiële instelling: het gaat om een gesloten systeem.
60.
Bij een transactie waarbij gebruik wordt gemaakt van het schema met drie partijen, is slechts één financiële dienstverlener betrokken, die zowel uitgever als accepteerder is. Doordat er geen bank is die de kaart uitgeeft en geen bank is die de betaling accepteert, is er ook geen afwikkelingsvergoeding. In het driepartijenschema bestaat de vrijheid om de vergoeding of commissie die van de handelaar wordt verlangd voor de verleende financiële diensten, op individuele basis vast te stellen.
61.
In de Europese Unie is de omzet van driepartijenschema's heel beperkt in vergelijking met vierpartijenschema's en zijn deze schema's gericht op specifieke groepen consumenten. Doordat systemen met drie partijen geen dominante positie innemen op de betaalkaartenmarkt, zijn handelaren daadwerkelijk vrij om al dan niet dergelijke systemen te gebruiken.
62.
Er zijn echter oneigenlijke driepartijenschema's die niet functioneren zoals hiervoor is weergegeven. Dit is het geval wanneer merklicentieovereenkomsten worden gesloten met andere financiële instellingen met als doel dat die financiële instellingen de betaalkaarten van het schema uitgeven. In dat geval is de overeengekomen commissie gelijk te stellen met de afwikkelingsvergoeding.
63.
Verder zijn er nog de zogeheten driepartijenschema's met uitbreidingen, waarbij het schema uitbreidt doordat wordt samengewerkt met derden en kaarten worden uitgegeven ‘samen met een cobrandingpartner’ (‘uitbreiding via cobranding’)24. of ‘via een agent’ (‘uitbreiding via een agent’). In beide gevallen zou bij de bedragen die worden uitgewisseld tussen het driepartijenschema en het andere merk of de agent, sprake kunnen zijn van een commissie die gelijk is te stellen aan de afwikkelingsvergoeding van het vierpartijenschema. De verwijzende rechter vraagt het Hof in dit verband om opheldering.
64.
De afwikkelingsvergoeding had tot gevolg dat op kaarten gebaseerde betalingsdiensten voor de consument duurder werden, en bovendien verschilde de hoogte van die vergoeding sterk van lidstaat tot lidstaat.25. Om die redenen heeft de Unie eerst getracht de hoogte van de vergoeding te beperken door de mededingingsregels toe te passen, en vervolgens de bestaande wetgevingen geharmoniseerd door een gemeenschappelijke regeling betreffende betalingstransacties uit te werken.
65.
De Commissie heeft de mededingingsregels toegepast op de MAV van Visa26. en de MAV van MasterCard27.. Deze vergoeding was een kostenpost die alle accepterende banken in een vierpartijenschema gemeen hadden en waarvan de hoogte gold als een ‘minimumprijs’ wanneer die banken met hun eigen klanten (de handelaren) tot overeenstemming kwamen over de prijs voor de aan hen verleende diensten.
66.
De Commissie wees erop dat de afspraken met betrekking tot de in vierpartijenschema's gehanteerde MAV in strijd waren met het Unierecht, met name omdat de banken gezamenlijk aan de handelaren een minimumprijs oplegden, hetgeen het Hof naderhand heeft bevestigd.28.
67.
Op die manier verkreeg de Commissie toezeggingen dat de MAV's van Visa en MasterCard aanzienlijk zouden dalen, namelijk tot 0,3 % bij transacties met creditkaarten en 0,2 % bij transacties met debetkaarten.
68.
Toch is dit niet voldoende gebleken om de hoogte van de afwikkelingsvergoeding onder controle te houden.29. Door de onderlinge wedijver tussen betaalkaartschema's, die financiële instellingen die betalingsdiensten aanbieden trachten te overtuigen om betaalkaarten van hun schema uit te geven, doet zich de paradoxale situatie voor dat de hoogte van die vergoeding niet daalt, maar stijgt, terwijl concurrentie in een markteconomie normaal gezien prijsverlagend werkt.30. Deze omstandigheid heeft ertoe geleid dat de verordening is vastgesteld en dat thans sprake is van wettelijk toezicht op de maximale hoogte van de afwikkelingsvergoeding, alsook van andere maatregelen ter regulering van de betrekkingen tussen de verschillende partijen die betrokken zijn bij op kaarten gebaseerde betalingstransacties. De verordening heeft tot doel dat de afwikkelingsvergoeding de ontwikkeling van een geïntegreerde markt voor betalingsdiensten in de Unie niet belemmert.
C. Eerste vraag: toepassing van de verordening op driepartijensystemen met uitbreidingen
69.
Ik heb reeds aangegeven dat noch de verwijzende rechter noch partijen enige twijfel hebben ten aanzien van de omstandigheid dat een driepartijenschema dat aan andere betalingsdienstaanbieders een licentie voor de uitgifte van kaarten van dat schema of de acceptatie van op kaarten van het schema gebaseerde betalingstransacties, of voor beide, verleent, volgens artikel 1, lid 5, en artikel 2, punt 18, van de verordening is aan te merken als een vierpartijenschema.31.
70.
De twijfel van de verwijzende rechter en de standpunten van partijen zien op de andere twee gevallen in artikel 1, punt 5, en artikel 2, punt 18, van de verordening, namelijk als een driepartijenschema ‘samen met een cobrandingpartner of via een agent op kaarten gebaseerde betaalinstrumenten’ uitgeeft. Het Hof dient te bepalen of het driepartijenschema dat wordt uitgebreid, in die twee gevallen als een vierpartijenschema moet worden aangemerkt dan wel of dit slechts het geval is als de cobrandingpartner of de agent de betaalkaart uitgeeft en/of de betalingstransactie accepteert.
71.
De bewoordingen van artikel 1, lid 5, en artikel 2, punt 18, van de verordening zijn niet geheel duidelijk, en de onduidelijkheid kan niet reeds uit de formulering van die bepalingen worden weggenomen.
72.
Amex en de Britse regering zijn voorstander van een enge opvatting van die bepalingen. Volgens hen moeten driepartijenschema's slechts als een vierpartijenschema worden aangemerkt als de cobrandingpartner of de agent wiens medewerking impliceert dat het driepartijenschema wordt uitgebreid, betaalinstrumenten uitgeeft of betalingstransacties accepteert. MasterCard, de Portugese regering en de Commissie hanteren echter een ruime opvatting van de genoemde artikelen, waarbij bij uitbreiding van een driepartijenschema via cobranding of een agent steeds sprake is van een vierpartijenschema.
73.
De keuze voor de ene of de andere opvatting van die bepalingen heeft belangrijke implicaties. Wordt de enge opvatting gehanteerd, dan gelden verschillende in verordening 2015/751 neergelegde beperkingen volgens artikel 1, leden 3 en 4, van die verordening niet voor deze driepartijenschema's (die worden uitgebreid via cobranding of een agent). Met name zijn kosten die worden overeengekomen in het kader van dergelijke schema's dan geen afwikkelingsvergoeding, zodat de reeds vermelde maxima (0,2 % bij debetkaarten en 0,3 % bij creditkaarten) niet gelden. Dit is tevens het geval voor het verbod tot het omzeilen van die maxima door het vaststellen van vergoedingen waarvan het effect gelijkwaardig is aan de afwikkelingsvergoeding. Verder is dan evenmin sprake van de verplichte scheiding tussen het betaalkaartschema en de verwerkingsentiteiten (artikel 7 van de verordening).
74.
Ik geef alvast aan dat ik een ruime opvatting van artikel 1, lid 5, en artikel 2, punt 18, van de verordening zal verdedigen. Hierbij zal ik, zoals gebruikelijk is, een letterlijke, systematische en teleologische uitlegging hanteren om de strekking van die artikelen te achterhalen.
1. Letterlijke uitlegging
75.
Artikel 1, lid 5, en artikel 2, punt 18, van de verordening zijn nagenoeg identiek geformuleerd. Uit deze bepalingen volgt dat driepartijenschema's in drie gevallen gelijk worden gesteld aan een vierpartijenschema, namelijk als sprake is van:
- —
een driepartijenschema dat aan een andere betalingsdienstaanbieder een licentie verleent voor de uitgifte van kaarten van dat schema of voor de acceptatie van op die kaarten gebaseerde betalingstransacties (oneigenlijk driepartijenschema)32.;
- —
een driepartijenschema dat samen met een cobrandingpartner op kaarten gebaseerde betaalinstrumenten uitgeeft (via cobranding uitgebreid driepartijenschema)33., en
- —
een driepartijenschema dat via een agent betaalinstrumenten uitgeeft (via een agent uitgebreid driepartijenschema).
76.
Op de markt worden de laatste twee categorieën het vaakst gebruikt. De cobrandingpartner en de agent zijn geen en fungeren evenmin als financiële instellingen. Hieruit volgt dat zij geen kaarten uitgeven of betalingstransacties accepteren, maar het driepartijenschema slechts toegang verschaffen tot hun klantenbestand.
77.
In de aan de orde zijnde bepalingen wordt nergens gezegd dat derden die een cobrandingovereenkomst of agentschapsovereenkomst sluiten met een driepartijenschema, op kaarten gebaseerde betaalinstrumenten moeten uitgeven en/of op kaarten gebaseerde betalingstransacties moeten accepteren. Dit is juist het geval bij het oneigenlijke driepartijenschema. Als de cobrandingovereenkomst of agentschapsovereenkomst behelst dat de medewerkende derde uitgever34. of accepteerder35. is, is geen sprake meer van een uitbreidingsovereenkomst, maar van een licentieovereenkomst.
78.
De Portugese regering wijst er terecht op dat een andere uitlegging zinloos zou zijn, aangezien het eerste in artikel 1, lid 5, en artikel 2, punt 18, van de verordening genoemde geval dan mede de laatste twee gevallen zou omvatten.
79.
Worden die twee bepalingen letterlijk uitgelegd, dan moeten via cobranding of een agent uitgebreide driepartijenschema's dus gelijk worden gesteld aan een vierpartijenschema, ongeacht of de partner of agent al dan niet een betalingsdienstaanbieder36. is en of hij al dan niet betaalkaarten uitgeeft en/of betalingstransacties accepteert.
80.
De Britse regering en Amex zijn het oneens met deze uitlegging. Volgens hen gaat het in artikel 1, lid 5, en artikel 2, punt 18, van de verordening om een driepartijenschema dat ‘samen met een cobrandingpartner […] uitgeeft’ of dat ‘via een agent […] uitgeeft’. Zij menen dat uit de woorden ‘samen met’ en ‘via’ blijkt dat de cobrandingpartner of de agent betrokken dient te zijn bij de uitgifte van de betaalkaart, en onderbouwen dit met een beroep op de samenhang tussen die artikelen en andere bepalingen van de verordening.
81.
Zoals gezegd ben ik het niet eens met deze mening, die in werkelijkheid niet is gebaseerd op een terminologische analyse als zodanig, maar op een systematische aanpak. Die systematische aanpak zal ik hierna bespreken.
2. Systematische en teleologische uitlegging
82.
De Britse regering en Amex hanteren namelijk een systematische uitlegging en maken hierbij gebruik van de begrippen uitgever en uitgifte van betaalkaarten in artikel 2, punt 2, en overweging 2937. van de verordening. Uit deze begrippen leiden zij af dat als de cobrandingpartner of agent geen betaalkaarten ter beschikking stelt van de betaler, niet machtigt tot transacties met terminals of soortgelijke instrumenten en betaling aan de accepteerder niet garandeert voor verrichte transacties, geen sprake kan zijn van een partij met wie (of via wie) een driepartijenschema op kaarten gebaseerde betaalinstrumenten uitgeeft.
83.
In lijn daarmee betogen Amex en de Britse regering dat een cobrandingpartner of agent die zich slechts bezighoudt met de verdeling van betaalkaarten of technische diensten, zoals het louter verwerken en bewaren van gegevens, geen uitgever is, zodat de overeenkomst tot uitbreiding van het driepartijenschema niet onder artikel 1, lid 5, en artikel 2, punt 18, van de verordening valt en het driepartijenschema dan ook niet gelijk kan worden gesteld aan een vierpartijenschema.
84.
Deze benadering vindt volgens de Britse regering en Amex steun in overweging 28 van de verordening38., waaruit blijkt dat driepartijenschema's slechts gelijk worden gesteld aan vierpartijenschema's indien het driepartijenschema van een tweede betalingsdienstaanbieder als uitgever of accepteerder gebruikmaakt. Gesteld wordt dat het ontbreken van een verwijzing naar overeenkomsten die worden gesloten met cobrandingpartners of agenten die geen betaalkaarten uitgeven of betalingstransacties accepteren, erop wijst dat er bij dergelijke overeenkomsten geen impliciete, met de afwikkelingsvergoeding gelijk te stellen kosten zijn. Er is dan ook geen aanleiding om een driepartijenschema in dat geval als een vierpartijenschema aan te merken.
85.
Amex voegt hieraan toe dat haar opvatting van artikel 1, lid 5, van de verordening in overeenstemming is met de logica die ten grondslag ligt aan die bepaling, omdat in de drie daarin genoemde gevallen het driepartijenschema wordt gecombineerd met een extra betalingsdienstaanbieder, die vergoedingen ontvangt en wiens betrokkenheid tot gevolg heeft dat deze gevallen op dezelfde manier moeten worden behandeld als vierpartijenschema's.
86.
Ik ben evenwel van mening dat deze opvatting van de begrippen uitgifte (van betaalkaarten), cobranding en agent leidt tot een uitkomst die niet in samenhang is met de context, opzet en doelen van de verordening. In tegenstelling tot andere begrippen die wel worden gedefinieerd, worden de genoemde begrippen niet gedefinieerd in die bepaling. Volgens vaste rechtspraak van het Hof dienen deze begrippen in de gehele Unie autonoom en uniform te worden uitgelegd, aangezien voor de betekenis en reikwijdte ervan niet uitdrukkelijk naar het recht van de lidstaten wordt verwezen.39.
87.
Zoals ik heb opgemerkt, wordt in artikel 1, lid 5, en artikel 2, punt 18, van de verordening geen onderscheid gemaakt tussen uitbreiding (via cobranding of een agent) waarbij de partner of agent een betalingsdienstaanbieder is die betaalkaarten uitgeeft en/of op kaarten gebaseerde betalingstransacties accepteert, en uitbreiding waarbij die partner of agent slechts andere activiteiten verricht. De Commissie wijst er terecht op dat dit onderscheid voortvloeit uit de door Amex gehanteerde interpretatie, maar als in de regeling geen onderscheid wordt gemaakt, is het niet aan degene die deze regeling interpreteert, om er een te maken.
88.
Tegen het maken van onderscheid pleit dat het in artikel 2, punt 32, van de verordening vermelde begrip cobranding het genoemde onderscheid niet maakt.40. In die bepaling staat echter te lezen dat cobranding het incorporeren van een betaalmerk (bijvoorbeeld Amex) en ten minste ‘één niet-betaalmerk’ behelst, welk niet-betaalmerk dus toebehoort aan een onderneming die geen financiële diensten verleent.41.
89.
Bovendien is het onderscheid dat in dit verband wordt gemaakt op basis van de vraag of de cobrandingpartner of agent fungeert als financiële instelling, gebaseerd op artikel 1, lid 5, en artikel 2, punt 18, van de verordening in samenhang bezien met overweging 29 van die verordening. Ook dit betoog overtuigt mij niet.
90.
Blijkens de bewoordingen van deze artikelen hebben zij betrekking op een driepartijenschema dat ‘samen met een cobrandingpartner of via een agent op kaarten gebaseerde betaalinstrumenten uitgeeft’. Het driepartijenschema geeft dus de betaalinstrumenten uit. Uit die bepalingen blijkt nergens dat de cobrandingpartner of de agent betaalkaarten moet uitgeven en/of met die kaarten verrichte betalingstransacties moet accepteren.
91.
Zoals de verwijzingsrechter in de punten 29 tot en met 31 van zijn verwijzingsbeslissing aangeeft, zijn de meest gebruikelijke via cobranding of een agent uitgebreide driepartijenschema's die waarbij de uitbreidingsovereenkomst wordt gesloten met ondernemingen die geen financiële diensten aanbieden.42. Bij dergelijke uitbreidingen gaat het om gezamenlijke marketing waarbij beide partijen hun klantenbestand delen en aanzetten tot consumptie van de door hen aangeboden goederen en diensten. Voor driepartijenbetaalkaartschema's zijn deze uitbreidingen een belangrijke manier om nieuwe klanten te vinden omdat bij deze schema's, anders dan bij vierpartijenbetaalkaartschema's, geen andere financiële instellingen betrokken zijn.
92.
Bij een systematische uitlegging dient, zoals de Commissie aangeeft, verder rekening te worden gehouden met de in artikel 2, punten 10 en 11, van de verordening gedefinieerde begrippen afwikkelingsvergoeding en nettocompensatie en de in overweging 3143. van die verordening bedoelde impliciete afwikkelingsvergoedingen, alsmede met het verbod tot het omzeilen van de vastgestelde drempelwaarden (artikel 5).
93.
De systematische uitlegging van die bepalingen noopt tot een ruime opvatting van het begrip afwikkelingsvergoeding. Anders kunnen de voorschriften voor het beperken van de hoogte van die vergoeding gemakkelijk worden omzeild door driepartijenschema's, die daarvoor gebruik kunnen maken van indirecte vergoedingen. Die omzeiling is aan de orde in artikel 5 van de verordening, waarin een ruime invulling aan het begrip afwikkelingsvergoeding wordt gegeven: de afwikkelingsvergoeding omvat elke overeengekomen vergoeding, met inbegrip van de nettocompensatie, waarvan het oogmerk of het effect gelijkwaardig is en die met betrekking tot betalingstransacties of daaraan gerelateerde activiteiten wordt ontvangen van de accepteerder of een andere intermediair.
94.
De afwikkelingsvergoeding omvat dus het nettototaalbedrag aan betalingen, kortingen of stimulansen die de cobrandingpartner of de agent ontvangt van het schema (nettocompensatie). Dit begrip ziet derhalve op alle kosten en vergoedingen die direct of indirect zijn betaald. In overweging 31 van de verordening worden zowel vergoedingen die een direct karakter hebben (d.w.z. op basis van het volume of de specifieke transactie) als vergoedingen die een indirect karakter hebben (onder meer verkoopstimulansen, bonussen, kortingen voor bepaalde transactievolumes) genoemd. Er wordt met name verwezen naar de voordelen die uitgevers van kaarten halen uit speciale programma's die gezamenlijk worden uitgevoerd door de desbetreffende ondernemingen en betaalkaartschema's.
95.
De mogelijke vergoedingen die een driepartijenschema direct of indirect betaalt aan de cobrandingpartners of agenten met wie een uitbreidingsovereenkomst wordt gesloten, hebben mijns inziens een oogmerk en/of effect dat gelijkwaardig is aan de afwikkelingsvergoeding bij vierpartijenschema's.44.
96.
In het licht van de opzet en het doel van de verordening is het zo dat als een medewerkende derde (zoals een cobrandingpartner of agent) van het driepartijenschema een vergoeding ontvangt, het bedrag daarvan wordt meegenomen in de prijs van de dienst en door de consument wordt betaald. Er is duidelijk sprake van indirecte vergoedingen die weliswaar worden betaald in ruil voor toegang tot het klantenbestand van de medewerkende ondernemingen, maar uiteraard kosten zijn waarvan het effect gelijkwaardig is aan de afwikkelingsvergoeding bij vierpartijenschema's of oneigenlijke driepartijenschema's.
97.
Bovendien is bij via een cobrandingpartner of agent uitgebreide driepartijenschema's geen sprake van de redenen waarom de maxima voor de afwikkelingsvergoeding niet gelden voor echte driepartijenschema's.
98.
Bij het zonder tussenkomst van intermediairs handelen jegens consumenten van betaalkaartdiensten (zoals wel het geval is bij echte driepartijenschema's) bestaat het risico dat hoge vergoedingen worden vastgesteld en dat de cobrandingpartner of agent deze doorberekent aan de consument, waardoor de prijs van betaalkaartdiensten stijgt. Bij vierpartijenschema's waarbij sprake is van medewerking van andere financiële instellingen, is dit risico ook aanwezig.
99.
De redenering die schuilgaat achter het beperken van dergelijke impliciete afwikkelingsvergoedingen, is volgens mij in beide gevallen dezelfde. Artikel 1, lid 5, en artikel 2, punt 18, van de verordening moeten dan ook aldus worden uitgelegd dat een via cobranding of een agent uitgebreid driepartijenschema gelijk is te stellen aan een vierpartijenschema.
100.
Deze conclusie blijft dezelfde indien rekening wordt gehouden met de noodzaak te zorgen voor een gelijk speelveld voor de verschillende betaalkaartschema's, hetgeen ook een waardevol aspect is van de systematische en teleologische uitlegging van de verordening.
101.
Gelden de maxima slechts voor de afwikkelingsvergoeding van vierpartijenschema's en zijn via cobranding of een agent uitgebreide driepartijenschema's volledig vrij om vergoedingen toe te kennen, dan hebben die driepartijenschema's een voordeel, aangezien zij in dat geval derden voor zich kunnen winnen om onder gunstiger voorwaarden hun kaarten te verspreiden.
102.
Als de voor vierpartijenschema's geldende maxima niet worden gehanteerd voor driepartijenschema's met uitbreidingen, worden dergelijke driepartijenschema's ten onrechte bevoordeeld omdat zij dan meer mogelijkheden hebben bij het betalen van vergoedingen aan ondernemingen waarmee zij samenwerken om hun betaalkaarten op de markt te brengen.45. In dit scenario zou een bank, om een hogere vergoeding te ontvangen, zelfs kunnen fungeren als agent voor een driepartijenschema zonder betrokken te zijn bij de uitgifte van betaalkaarten of de acceptie van betalingstransacties.46.
103.
Dat driepartijenschema's minder vaak worden gebruikt, rechtvaardigt dat zij een gunstige behandeling krijgen wanneer zij geen gebruik maken van intermediairs. Het is juist ter bevordering van de concurrentie in de betaalkaartensector dat deze schema's krachtens de verordening een gunstige behandeling genieten en met handelaren over vergoedingen kunnen onderhandelen zonder gehouden te zijn aan de beperkingen die gelden voor vierpartijensystemen. Voor dit concurrentievoordeel bestaat echter geen rechtvaardiging als het gaat om oneigenlijke driepartijenschema's en driepartijenschema's waarbij een cobrandingpartner of agent betrokken is47., aangezien er dan een intermediair is die een vergoeding moet krijgen van het schema en de beperkingen aan de afwikkelingsvergoeding of daarmee gelijk te stellen kosten dan dienen te gelden. De kenmerken van een driepartijenschema en een vierpartijenschema zijn dan wat dat betreft vergelijkbaar48., zodat het geen zin heeft om het ene schema te bevoordelen ten koste van het andere.
104.
Artikel 1, lid 5, en artikel 2, punt 18, van verordening 2015/751 moeten dan ook aldus worden uitgelegd dat een driepartijenschema dat samen met een cobrandingpartner of via een agent op kaarten gebaseerde betaalinstrumenten uitgeeft, als een vierpartijenschema is aan te merken, ongeacht of de partner of de agent al dan niet betrokken is bij de uitgifte van de kaarten en/of de acceptatie van betalingstransacties.
D. Tweede vraag: geldigheid van artikel 1, lid 5, en artikel 2, punt 18, van de verordening
105.
De door mij verdedigde gelijkstelling leidt mij tot de tweede vraag van de verwijzende rechter, welke vraag juist was gesteld voor het geval sprake is van gelijkstelling. De door de verwijzende rechter vermelde argumenten met betrekking tot de geldigheid van artikel 1, lid 5, en artikel 2, punt 18, van de verordening betreffen de motiveringsplicht van artikel 296 VWEU, het evenredigheidsbeginsel en een vermeende kennelijke beoordelingsfout van de Uniewetgever.
106.
Ik wijs er alvast op dat naar mijn mening geen van die ongeldigheidsgronden zich voordoet. Bij de beoordeling van die gronden zal ik trachten overmatige herhaling van reeds gemaakte overwegingen te voorkomen.
1. Ontoereikende motivering
107.
De verwijzende rechter vraagt zich, onder verwijzing naar het desbetreffende betoog van Amex, af of artikel 1, lid 5, en artikel 2, punt 18, van de verordening zijn onderbouwd. Aangevoerd wordt dat noch in de bepalingen van die verordening noch in haar overwegingen is aangegeven waarom een via cobranding of een agent uitgebreid driepartijenschema gelijk is te stellen aan een vierpartijenschema.
108.
Specifiek wordt gesteld dat in bepaalde overwegingen wordt toegelicht waarom voor de afwikkelingsvergoeding maxima zijn vastgesteld, maar niet waarom die maxima moeten worden gehanteerd voor door driepartijenschema's gebruikte cobrandingovereenkomsten en agentschapsovereenkomsten. In overweging 28 wordt aangegeven waarom de werkingssfeer van de op vierpartijenschema's betrekking hebbende bepalingen van de verordening in bepaalde gevallen moet worden uitgebreid tot driepartijenschema's, maar is nergens (ook niet impliciet) sprake van cobrandingovereenkomsten of agentschapsovereenkomsten.
109.
Volgens de verwijzingsbeslissing wordt in het voorstel voor een verordening en de effectbeoordeling waarvan dat voorstel vergezeld gaat49. evenmin een onderbouwing gegeven voor die uitbreiding. Uit de voorbereidende stukken kan zelfs worden afgeleid dat de in de verordening neergelegde beperkingen voor vierpartijenschema's niet zouden gaan gelden voor driepartijenschema's met uitbreidingen, gelet op factoren zoals het geringe marktaandeel van die schema's, het feit dat zij beperkte groeivooruitzichten hebben en het feit dat zij gericht zijn op specifieke klanten.50.
110.
De in artikel 296, tweede alinea, VWEU neergelegde verplichting om rechtshandelingen van de Unie met redenen te omkleden is door het Hof uitvoerig uitgelegd. Volgens vaste rechtspraak moet de motivering van een handeling weliswaar duidelijk en ondubbelzinnig zijn, maar is niet noodzakelijk dat alle relevante gegevens, feitelijk of rechtens, worden gespecificeerd. Bij de vraag of de motiveringsplicht is nagekomen, moet bovendien niet alleen acht worden geslagen op de bewoordingen van de handeling, doch ook op de context ervan en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen.51.
111.
Is het een handeling die algemene toepassing moet vinden, dan kan in de motivering worden volstaan met de vermelding van de omstandigheden die tot de vaststelling van de handeling hebben geleid, en van haar algemene doelstellingen. Verder heeft het Hof herhaaldelijk geoordeeld dat indien uit een handeling van algemene strekking het wezenlijke van het door de instelling nagestreefde doel blijkt, het te ver zou gaan om voor elke technische keuze een specifieke motivering te verlangen.52.
112.
Gelet op die rechtspraak is volgens mij geen sprake van een motiveringsgebrek in de verordening dat de geldigheid van die verordening kan aantasten voor zover het de behandeling van driepartijenschema's met uitbreidingen betreft. De door mij bij de beoordeling van de eerste prejudiciële vraag vermelde overwegingen (met name overweging 28) geven inzicht in de logica achter de gelijkstelling van driepartijenschema's met uitbreidingen en vierpartijenschema's. De Portugese regering, de Commissie, de Raad en het Parlement geven dit ook aan in hun opmerkingen.
113.
De reden waarom in de voorbereidende stukken (effectbeoordeling en voorstel van de Commissie) van de verordening niet wordt verwezen naar die gelijkstelling, is omdat deze pas later, op initiatief van het Europees Parlement, tijdens de vaststellingsprocedure van de verordening werd toegevoegd, hetgeen volstrekt legitiem is.
114.
In die overwegingen wordt onderbouwd toegelicht waarom de bij op kaarten gebaseerde transacties gehanteerde afwikkelingsvergoeding moet worden geharmoniseerd en beperkt vanwege de in de lidstaten bestaande verschillen en de omstandigheid dat het onmogelijk is om de hoogte van die vergoeding onder controle te houden door de mededingingsregels toe te passen.
115.
In het bijzonder is in overweging 28, die door het Europees Parlement werd toegevoegd tijdens de vaststellingsprocedure van de verordening, gelezen in samenhang met artikel 1, lid 5, en artikel 2, punt 18, van de verordening, afdoende aangegeven wat het verschil is tussen vierpartijenschema's en driepartijenschema's. In deze overweging wordt het bestaan van impliciete afwikkelingsvergoedingen erkend en vervolgens erop gewezen dat, om gelijke concurrentievoorwaarden te verwezenlijken, driepartijenschema's die van andere dienstaanbieders gebruikmaken, gelijk te stellen zijn aan vierpartijenschema's.
116.
De onderbouwing wordt afgesloten met overweging 31, waarin erop wordt gewezen dat het van belang is te voorkomen dat de aan de afwikkelingsvergoeding gestelde beperkingen worden omzeild. Volgens deze overweging ontstaat een risico op omzeiling als alle mogelijke directe en indirecte betalingen die door een betaalkaartschema worden gedaan aan entiteiten die met het schema samenwerken bij het verrichten van op kaarten gebaseerde betalingstransacties, niet worden aangemerkt als afwikkelingsvergoeding.
117.
Ik meen dat deze in de verordening opgenomen onderbouwing geschikt is en probleemloos voldoet aan de door het Hof omschreven verplichting om handelingen van algemene strekking te motiveren. Er wordt namelijk toelichting gegeven bij de omstandigheden die tot de vaststelling van de verordening hebben geleid, en bij de doelstellingen van de verordening. Bovendien bevat de onderbouwing verwijzingen naar het merendeel van de in de verordening vervatte technische keuzes en hoeft niet per se elke keuze te worden besproken.
118.
De keuze om vierpartijenschema's en via cobranding of een agent uitgebreide driepartijenschema's gelijk te stellen komt met name duidelijk naar voren in de overwegingen 28 en 31. Ten aanzien van de verordening is dus geen sprake van een motiveringsgebrek dat die verordening ongeldig maakt.
2. Kennelijke beoordelingsfout
119.
De verwijzende rechter heeft, wederom onder verwijzing naar de argumenten van Amex, vraagtekens bij de geldigheid van de verordening en stelt dat de instellingen van de Unie, door de aan de orde zijnde schema's gelijk te stellen, bij de vaststelling van die verordening mogelijkerwijs een kennelijke beoordelingsfout hebben gemaakt.
120.
Volgens vaste rechtspraak van het Hof moet aan de Uniewetgever een ruime beoordelingsvrijheid worden toegekend op gebieden waarin van hem politieke, economische en sociale keuzes worden verlangd, en waarin hij ingewikkelde beoordelingen moet maken. Een op deze gebieden vastgestelde maatregel is dan ook slechts onrechtmatig wanneer hij kennelijk ongeschikt is ter bereiking van het door de bevoegde instelling nagestreefde doel.53.
121.
Ik ben van mening dat de instellingen van de Unie geen blijk hebben gegeven van een beoordelingsfout (laat staan een kennelijke beoordelingsfout) door in de verordening artikel 1, lid 5, en artikel 2, punt 18, op te nemen. Uit de argumenten die Amex aanvoert54. tegen de keuze van de Uniewetgever om een via cobranding of een agent uitgebreid driepartijenschema gelijk te stellen aan een vierpartijenschema komt naar voren dat Amex er belang bij heeft dat geen gelijkstelling plaatsvindt, aangezien deze onderneming bij gelijkstelling wordt beperkt in haar mogelijkheden om te concurreren met Visa en MasterCard.
122.
De instellingen van de Unie hebben tijdens de vaststellingsprocedure van de verordening echter voldoende rekening gehouden met alle argumenten en uiteindelijk gekozen voor de aanpak die pleit voor gelijkstelling. Het gaat om een beleidskeuze die op een complex economisch vraagstuk ziet (afwikkelingsvergoeding bij op kaarten gebaseerde betalingstransacties) en zonder meer als een legitieme beleidskeuze kan worden aangemerkt indien de bevoegde autoriteiten van de Unie deze keuze voordeliger achten dan het alternatief.
123.
Zoals de Raad en het Europees Parlement aangeven, hebben de instellingen zich immers op het standpunt gesteld dat als de in de verordening opgenomen maxima niet gelden voor via cobranding of een agent uitgebreide driepartijenschema's, deze driepartijenschema's een ongeoorloofd concurrentievoordeel verkrijgen op vierpartijenschema's in situaties waarin het onderscheid tussen driepartijenschema's en vierpartijenschema's vervaagt. Bovendien zouden de aan de afwikkelingsvergoeding gestelde beperkingen dan vaker worden omzeild.
124.
De gemaakte beleidskeuze kan uiteraard worden bekritiseerd door degenen voor wie zij gevolgen heeft. Gaat het, zoals in casu, echter om een binnen de ruime beoordelingsmarge van de Uniewetgever, na een grondige belangenafweging gemaakte beleidskeuze, dan zijn de door Amex aangevoerde argumenten niet voldoende om te kunnen spreken van een onaanvaardbare beleidskeuze en volgt uit die argumenten geenszins dat bij het maken van de beleidskeuze een kennelijke beoordelingsfout is gemaakt.
3. Schending van het evenredigheidsbeginsel
125.
De verwijzende rechter uit, nogmaals met een beroep op de argumenten van Amex, twijfel over de gelijkstelling van via cobranding of een agent uitgebreide driepartijenschema's en vierpartijenschema's, ditmaal onder verwijzing naar het evenredigheidsbeginsel.
126.
Volgens Amex zijn uitbreidingsovereenkomsten, waarover is onderhandeld tussen het driepartijenschema en de cobrandingpartner of agent, een redelijk middel om de doelstellingen van de verordening te verwezenlijken. Vindt gelijkstelling met een vierpartijenschema plaats, dan wordt zonder goede reden een drastische prijsbeperking opgelegd aan driepartijenschema's. Betoogd wordt dat dit kennelijk onevenredig is en niet geschikt of noodzakelijk is ter verwezenlijking van de door de verordening nagestreefde doelen, zodat sprake is van schending van het evenredigheidsbeginsel (artikel 5 VEU en artikel 5 van Protocol nr. 2). Het betreft dus een onrechtmatige beperking.
127.
Volgens vaste rechtspraak van het Hof vereist het evenredigheidsbeginsel dat de handelingen van de instellingen van de Unie geschikt zijn om de legitieme doelen die met de betrokken regeling worden nagestreefd te bereiken en niet verder gaan dan noodzakelijk is om deze doelen te bereiken, met dien verstande dat, wanneer een keuze tussen meerdere passende maatregelen mogelijk is, gebruik moet worden gemaakt van de maatregel die het minst belastend is en de veroorzaakte nadelen niet onevenredig mogen zijn ten opzichte van de nagestreefde doelen.55.
128.
Het toezicht van het Hof op de naleving van de uit het evenredigheidsbeginsel voortvloeiende eisen is beperkt. Volgens vaste rechtspraak van het Hof beschikt de Uniewetgever over een ruime discretionaire bevoegdheid op gebieden waarin van hem politieke, economische en sociale keuzes worden verlangd en waarin hij ingewikkelde beoordelingen moet maken. Het gaat er dus niet om of een door de wetgever op een dergelijk gebied vastgestelde maatregel de enige of de best mogelijke maatregel was, aangezien enkel de kennelijke ongeschiktheid daarvan ter bereiking van het door de bevoegde instelling nagestreefde doel de rechtmatigheid van die maatregel kan aantasten.56.
129.
Ik meen dat de instellingen van de Unie, door via cobranding of een agent uitgebreide driepartijenschema's gelijk te stellen aan een vierpartijenschema, evenmin zijn voorbijgegaan aan de uit het evenredigheidsbeginsel voortvloeiende eisen, zoals uitgelegd door het Hof.
130.
Met het gevaar in herhaling te vallen, met de verordening werd beoogd om voor de consument de gevolgen te verlichten van de kosten die gemoeid zijn met op betaalkaarten gebaseerde betalingstransacties, waarbij de afwikkelingsvergoeding de grootste kostenpost is. Gelet op de onmogelijkheid om die kosten te verminderen door de mededingingsregels toe te passen en het feit dat de hoogte van die vergoeding van lidstaat tot lidstaat verschilde, heeft de Uniewetgever bij verordening maxima vastgesteld voor de afwikkelingsvergoeding. De afwikkelingsvergoeding is gemakkelijk te herkennen bij op kaarten gebaseerde betalingstransacties die worden verricht middels vierpartijenschema's, waarop de verordening in haar geheel van toepassing is, en bestaat niet bij driepartijenschema's, om welke reden de maxima niet gelden voor die schema's. Driepartijenschema's dienen wel andere in de verordening genoemde voorwaarden na te leven.
131.
De gemaakte uitzondering voor driepartijenschema's gold echter alleen voor echte driepartijenschema's, waarbij dus geen sprake is van medewerkende derden en afwikkelingsvergoedingen of daarmee gelijk te stellen kosten. De Uniewetgever ging ervan uit dat in geval van medewerking van een derde deze derde van het driepartijenschema een vergoeding diende te ontvangen, en dat deze vergoeding een gelijkwaardig effect kon hebben aan de afwikkelingsvergoeding. Deze situatie doet zich voor in de drie in artikel 1, lid 5, en artikel 2, punt 18, van de verordening genoemde gevallen, namelijk wanneer het driepartijenschema een licentieovereenkomst voor de uitgifte van betaalkaarten of de acceptatie van betalingstransacties, een cobrandingovereenkomst of een agentschapsovereenkomst aangaat met derden.
132.
Zoals de Raad, de Commissie en het Parlement in hun schriftelijke opmerkingen hebben opgemerkt, heeft de Uniewetgever in dit verband geen maatregel vastgesteld die kennelijk ongeschikt is ter bereiking van het nagestreefde doel. De gelijkstelling, op de hiervoor beschreven wijze, voldoet aan het evenredigheidsbeginsel omdat het gaat om een adequate maatregel om gelijke concurrentievoorwaarden tot stand te brengen tussen betaalkaartschema's die gebruikmaken van derden om hun activiteiten uit te breiden en in ruil hiervoor afwikkelingsvergoedingen of daarmee gelijk te stellen vergoedingen betalen57. aan die derden. Ik ben tevens van mening dat kan worden gesproken van een evenredige maatregel die geschikt en noodzakelijk is om te voorkomen dat de voor de afwikkelingsvergoeding geldende maxima worden omzeild.
133.
Amex stelt ten slotte dat de gelijkstelling een onevenredige maatregel is omdat de in artikel 16 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: ‘Handvest’) neergelegde vrijheid van ondernemerschap wordt geschonden. Dit betoog kan mijns inziens niet slagen.
134.
De regeling is niet in strijd met de vrijheid van ondernemerschap, gelezen tegen de achtergrond van artikel 52, lid 1, van het Handvest. Er kunnen beperkingen op de uitoefening van die vrijheid worden gesteld, mits dit bij wet geschiedt, de wezenlijke inhoud van de vrijheid wordt geëerbiedigd, de beperkingen noodzakelijk zijn en daadwerkelijk beantwoorden aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.58.
135.
Met de in de verordening gestelde maxima aan de hoogte van de afwikkelingsvergoeding wordt beoogd de consument te beschermen, namelijk te voorkomen dat bij op kaarten gebaseerde betalingstransacties sprake is van onredelijke prijsverhogingen, zoals ik reeds heb aangegeven.
136.
De gestelde beperkingen doen, net als andere in de verordening opgenomen beperkingen, niet af aan de wezenlijke inhoud van de vrijheid van ondernemerschap, alleen omdat zij voor een bepaalde categorie driepartijenschema's op dezelfde manier gelden als het geval is voor vierpartijenschema's. Het is onduidelijk waarom de vrijheid van ondernemerschap wel zou worden geëerbiedigd in het geval van het vierpartijenschema, maar niet in het geval van het driepartijenschema.
137.
Het gaat slechts om een regelgevende maatregel in een sector die zich kenmerkt door overheidsingrijpen om het functioneren van de markt te verbeteren en gebruikers van betaalkaarten te beschermen. Voorts moet rekening worden gehouden met het feit dat de voor de afwikkelingsvergoeding geldende maxima door de Uniewetgever zijn berekend aan de hand van de ‘Merchant Indifference Test’59., juist om de economische levensvatbaarheid van betaalkaartschema's niet in gevaar te brengen.
138.
In elk geval moet nog worden opgemerkt dat in artikel 1, lid 5, en artikel 2, punt 18, van de verordening sprake is van een overgangsperiode voor de aanpassing van driepartijenschema's, welke periode afloopt op 9 december 2018.
139.
Uit de voorgaande beoordeling blijkt dus niet dat sprake is van feiten of omstandigheden die de geldigheid van artikel 1, lid 5, en artikel 2, punt 18, van verordening 2015/751 kunnen aantasten.
IV. Conclusie
140.
Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vragen van de High Court of Justice of England and Wales, Queen's Bench Division (Administrative Court) niet in behandeling te nemen en, subsidiair, te beantwoorden als volgt:
- ‘1)
Artikel 1, lid 5, en artikel 2, punt 18, van verordening (EU) 2015/751 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2015 betreffende afwikkelingsvergoedingen voor op kaarten gebaseerde betalingstransacties moeten aldus worden uitgelegd dat een driepartijenbetaalkaartschema dat samen met een cobrandingpartner of via een agent op kaarten gebaseerde betaalinstrumenten uitgeeft, als een vierpartijenbetaalkaartschema is aan te merken, ongeacht of de partner of de agent al dan niet betrokken is bij de uitgifte van de kaarten en/of de acceptatie van betalingstransacties.
- 2)
Er is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van artikel 1, lid 5, en artikel 2, punt 18, van verordening 2015/751 kunnen aantasten.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 06‑07‑2017
Oorspronkelijke taal: Spaans.
Het begrip ‘kosten’ wordt hier in ruime zin gebruikt en heeft geen gevolgen voor de latere beoordeling van de kenmerken en subcategorieën van dit begrip. De gebruikelijke term om een van die subcategorieën (die relevant is voor het hoofdgeding) aan te duiden, is met name de zogeheten afwikkelingsvergoeding.
Hierna: ‘MAV’.
Arrest van 11 september 2014, MasterdCard/Commissie (C-382/12 P, EU:C:2014:2201).
Naast betaalkaartschema's worden ook termen als betaalkaartnetwerken en betaalkaartsystemen gebruikt.
Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2015 betreffende afwikkelingsvergoedingen voor op kaarten gebaseerde betalingstransacties (PB 2015, L 123, blz. 1; hierna: ‘verordening’).
Het ministerie van Financiën is verantwoordelijk voor de uitvoering van de verordening in het Verenigd Koninkrijk.
In dit door partijen overeengekomen document wordt wel aangegeven waarom een verzoek om een prejudiciële beslissing moet worden ingediend, en worden de voor te leggen vragen geformuleerd.
Arresten van 10 december 2002, British American Tobacco (Investments) en Imperial Tobacco (C-491/01, EU:C:2002:741, punten 32–41); 3 juni 2008, Intertanko e.a. (C-308/06, EU:C:2008:312, punten 30–35); 8 juli 2010, Afton Chemical (C-343/09, EU:C:2010:419, punten 13–26); 4 mei 2016, Pillbox 38 (C-477/14, EU:C:2016:324, punten 14–31), en 4 mei 2016, Philip Morris Brand e.a. (C-547/14, EU:C:2016:325, punten 30–36).
Dit is bijvoorbeeld het geval in de zaken waarin de geldigheid of uitlegging van bepaalde richtlijnen aan de orde was en de omzettingstermijn nog niet was verstreken.
Volgens vaste rechtspraak is het uitsluitend een zaak van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid voor de te geven rechterlijke beslissing draagt, om, gelet op de bijzonderheden van het geval, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis te beoordelen als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt. Wanneer de vragen betrekking hebben op de uitlegging of de geldigheid van een Unierechtelijke regel, is het Hof derhalve in beginsel verplicht daarop te antwoorden. Bijgevolg worden vragen die het Unierecht betreffen, vermoed relevant te zijn. Het Hof kan slechts weigeren op een prejudiciële vraag van een nationale rechter te antwoorden wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging of toetsing van de geldigheid van een regel van het Unierecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is, of wanneer het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven op de gestelde vragen (arresten van 16 juni 2015, Gauweiler e.a., C-62/14, EU:C:2015:400, punten 24 en 25; 4 mei 2016, Pillbox 38, C-477/14, EU:C:2016:324, punten 15 en 16; 5 juli 2016, Ognyanov, C-614/14, EU:C:2016:514, punt 19; 15 november 2016, Ullens de Schooten, C-268/15, EU:C:2016:874, punt 54, en 28 maart 2017, Rosneft, C-72/15, EU:C:2017:236, punten 50 en 155).
Zie voetnoot 9.
In het arrest van 8 juni 2010, Vodafone e.a. (C-58/08, EU:C:2010:321), is sprake van een ontvankelijk verzoek om een prejudiciële beslissing dat betrekking heeft op een verordening en is voorgelegd in het kader van de Britse procedure strekkende tot het uitvoeren van ‘judicial review’. In dat geval wendden aanbieders van mobiele telefoondiensten zich tot de High Court of Justice of England and Wales, Queen's Bench Division (Administrative Court) om op te komen tegen de Mobile Roaming Regulations 2007, op grond waarvan sommige bepalingen van verordening (EG) nr. 717/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2007 betreffende roaming op openbare mobiele telefoonnetwerken binnen de Gemeenschap en tot wijziging van richtlijn 2002/21/EG (PB 2007, L 171, blz. 32) effect konden sorteren in het Verenigd Koninkrijk. Opgemerkt moet wel worden dat in die zaak, anders dan in de onderhavige zaak, werd opgekomen tegen nationale maatregelen ter uitvoering van de verordening en sprake was van werkelijke onenigheid tussen de aanbieders van mobiele telefoondiensten en de Britse overheid. Volgens de Britse overheid was het toen aan de orde zijnde verzoek ongegrond en was het niet nodig om een verzoek om een prejudiciële beslissing in te dienen.
Krachtens artikel 13 van de aan de orde zijnde verordening wijzen de lidstaten de voor de uitvoering van die verordening bevoegde nationale autoriteiten aan. Hieraan wordt toegevoegd dat de lidstaten van de bevoegde autoriteiten moeten verlangen dat zij toezicht houden op de naleving van de verordening, zodat wordt tegengegaan dat betalingsdienstaanbieders het daarin bepaalde omzeilen. Artikel 14 verplicht de lidstaten voorts tot het vaststellen van voorschriften inzake de sancties voor inbreuken op de verordening.
Voor een voorbeeld zie het arrest van 8 juni 2010, Vodafone e.a. (C-58/08, EU:C:2010:321).
Op blz. 2 van de verwijzingsbeslissing staat te lezen: ‘And upon permission to proceed with the claim for judicial review having been granted by the Order of Mr Justice Blake of 24 September 2015’.
Uit vaste rechtspraak volgt dat, aangezien de procedure bij het Hof is gebaseerd op het verzoek om een prejudiciële beslissing, de nationale rechter in dat verzoek de feitelijke en juridische context van het hoofdgeding expliciet moet aangeven en minstens een beknopte toelichting moet geven bij de keuze van de bepalingen van Unierecht waarvan hij om uitlegging verzoekt, en bij het verband tussen deze bepalingen en de nationale wetgeving die van toepassing is op het bij hem aanhangige geding (zie met name arrest van 10 maart 2016, Safe Interenvíos, C-235/14, EU:C:2016:154, punt 115, en beschikking van 8 september 2016, Google Ireland, C-322/15, EU:C:2016:672, punt 18).
De omstandigheid dat de verwijzende rechter bepaalde zaken niet vooraf heeft aangegeven, heeft niet automatisch tot gevolg dat het verzoek om een prejudiciële beslissing niet-ontvankelijk is, indien het Hof, gelet op de gegevens in het dossier, desondanks van oordeel is dat het de verwijzende rechter een nuttig antwoord kan geven (zie in die zin arrest van 28 januari 2016, CASTA e.a., C-50/14, EU:C:2016:56, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en beschikking van 8 september 2016, Google Ireland, C-322/15, EU:C:2016:672, punt 24).
Het Hof was het in het arrest van 8 juli 2010, Afton Chemical (C-343/09, EU:C:2010:419, punten 13–26), niet eens met dit bezwaar.
Blijkens vaste rechtspraak kan een particulier die onmiskenbaar procesbevoegdheid heeft om een rechtshandeling van de Unie aan te vechten middels een beroep tot nietigverklaring, zich in het kader van een prejudiciële procedure niet beroepen op de ongeldigheid van die rechtshandeling (zie in die zin arresten van 9 maart 1994, TWD Textilwerke Deggendorf, C-188/92, EU:C:1994:90, punten 23–25; 15 februari 2001, Nachi Europe, C-239/99, EU:C:2001:101, punten 36 en 37; 29 juni 2010, E en F, C-550/09, EU:C:2010:382, punt 46, en 28 maart 2017, Rosneft, C-72/15, EU:C:2017:236, punt 128).
Duidelijkheidshalve wijs ik erop dat ik de term ‘uitgevende bank’ zal gebruiken, met dien verstande dat ook andere financiële instellingen kaarten kunnen uitgeven.
Zie Guibert Echenique, S., ‘Consideraciones críticas sobre la legislación de tasas de intercambio en las operaciones de pago con tarjeta de crédito y débito’, Diario La Ley, nr. 8566, 22 juni 2015, blz. 1–3.
Zie de beschrijving van het vierpartijenschema in de arresten van 24 mei 2012, MasterCard e.a./Commissie (T-111/08, EU:T:2012:260, punt 17), en 11 september 2014, MasterdCard/Commissie (C-382/12 P, EU:C:2014:2201, punt 4), alsmede in beschikking C(2007) 6474 definitief van de Commissie van 19 december 2007 inzake een procedure op grond van artikel [81 EG] en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (zaken COMP/34.579 — MasterCard, COMP/36.518 — EuroCommerce, COMP/38.580 — Commercial Cards), overwegingen 234–249.
Bijvoorbeeld de Amex-betaalkaart Amex/Iberia of Amex/British Airways, waarbij cobranding heeft plaatsgevonden.
Zie het document van de Commissie Commission Staff Working Document. Impact Assessment. Accompanying the document Proposal for a directive of the European parliament and of the Council on payment services in the internal market and amending Directives 2002/65/EC, 2013/36/UE and 2009/110/EC and repealing Directive 2007/64/EC and Proposal for a Regulation of the European Parliament and of the Council on interchange fees for card-based payment transactions, SWD(2013) 288 final, blz. 96–108.
Zie beschikking 2002/914/EG van 24 juli 2002 (zaak COMP/29.373 — Visa International — multilaterale afwikkelingsvergoeding) (PB 2002, L 318, blz. 17), waarin de intraregionale afwikkelingsvergoedingen van Visa in de Europese Unie voor een periode van vijf jaar zijn vrijgesteld onder bepaalde voorwaarden, waarvan de belangrijkste is dat deze vergoedingen worden gekoppeld aan de hoogte van bepaalde kosten en maximaal even hoog mogen zijn. Een tweede beschikking betreffende Visa is door de Commissie vastgesteld op 8 december 2010 (zaak COMP/D-1/39.398 — Visa MIF), en hierin zijn de toezeggingen van Visa, waaronder een bovengrens voor de interregionale afwikkelingsvergoedingen, verbindend verklaard.
Beschikking C(2007) 6474 definitief van de Commissie van 19 december 2007 inzake een procedure op grond van artikel [81 EG] en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (zaken COMP/34.579 — MasterCard, COMP/36.518 — EuroCommerce, COMP/38.580 — Commercial Cards).
Arrest van 11 september 2014, MasterCard e.a./Commissie (C-382/12 P, EU:C:2014:2201, punt 112).
Zie Lista, A., EU Competititon Law and Financial Service Sector, Routledge, 2013, blz. 145–188.
Zie de publicatie van de Commissie The Interchange Fees Regulation, Competition Policy Brief 2015-3, juni 2015.
Het betreft oneigenlijke driepartijenschema's omdat er een tweede financiële dienstverlener bij het schema betrokken is en het dus niet langer gaat om een driehoeksverhouding. De kosten die worden betaald tussen bij dergelijke schema's betrokken partijen, kunnen gemakkelijk gelijk worden gesteld aan de afwikkelingsvergoeding.
Niet betwist wordt, zoals ik reeds heb opgemerkt, dat dit oneigenlijke driepartijenschema (waarvan de betaalkaart Banco Santander/Amex als voorbeeld kan worden gegeven en waarbij de genoemde bank de betaalkaart uitgeeft) gelijk is te stellen aan een vierpartijenschema.
Bijvoorbeeld de betaalkaarten Amex/Air France en Amex/Costco.
In artikel 2, punt 2, van de verordening wordt het begrip uitgever gedefinieerd als ‘een betalingsdienstaanbieder die met een betaler een overeenkomst sluit voor het verstrekken van een betaalinstrument voor het initiëren en het verwerken van diens op kaarten gebaseerde betalingstransacties’.
Artikel 2, punt 1, van de verordening definieert het begrip accepteerder als ‘een betalingsdienstaanbieder die met een begunstigde een overeenkomst sluit voor de acceptatie en de verwerking van op kaarten gebaseerde betalingstransacties, waardoor een geldovermaking naar de begunstigde ontstaat’.
Volgens artikel 2, punt 24, van de verordening is een betalingsdienstaanbieder ‘een natuurlijke persoon of rechtspersoon die gemachtigd is tot het aanbieden van de in de lijst in bijlage bij richtlijn 2007/64/EG genoemde betalingsdiensten of erkend is als uitgever van elektronisch geld op grond van artikel 1, lid 1, van richtlijn 2009/110/EG. Een betalingsdienstaanbieder kan een uitgever, een accepteerder of beide zijn’.
Blijkens deze in punt 7 weergegeven overweging ‘[stelt] [d]e uitgever […] betaalkaarten ter beschikking van de betaler, machtigt [hij] tot transacties met terminals of soortgelijke instrumenten en kan [hij] betaling aan de accepteerder garanderen voor transacties die conform de regels van het desbetreffende schema worden verricht’. Volgens de laatste zin van de overweging ‘[…] wordt de loutere verdeling van betaalkaarten of technische diensten, zoals het louter verwerken en bewaren van gegevens, [daarom] niet aangemerkt als uitgifte’.
In deze overweging is aangegeven dat ‘[o]m het bestaan van impliciete afwikkelingsvergoedingen te erkennen en tot de verwezenlijking van gelijke concurrentievoorwaarden bij te dragen, […] driepartijenbetaalkaartschema's die van betalingsdienstaanbieders als uitgevers of accepteerders gebruikmaken, als vierpartijenbetaalkaartschema's [moeten] worden aangemerkt en […] dezelfde voorschriften in acht [horen] te nemen’.
Zie in die zin arresten van 17 juli 2008, Kozłowski (C-66/08, EU:C:2008:437, punt 42); 24 mei 2016, Dworzecki (C-108/16 PPU, EU:C:2016:346, punt 28), en 18 oktober 2016, Nikiforidis (C-135/15, EU:C:2016:774, punt 28).
Onder ‘cobranding’ wordt verstaan ‘het incorporeren van ten minste één betaalmerk en ten minste één niet-betaalmerk op hetzelfde op kaarten gebaseerd betaalinstrument’.
In punt 28 van de verwijzingsbeslissing worden de merken ‘British Airways’, ‘Nectar’ en ‘Costco’ vermeld.
Dit wordt bevestigd in de publicatie van de UK Financial Conduct Authority Credit card market study — Final findings report, juli 2016, blz. 65, waarin het begrip ‘[a]ffinity or co-brand partners’ wordt gedefinieerd als ‘[t]ypically charities, membership groups or commercial businesses not directly involved in issuing credit cards or processing transactions but lend their brands and give access to their customers or members to card issuers in return for a share of revenues or profits’.
‘Er moet op worden toegezien dat de bepalingen betreffende de door betalingsdienstaanbieders te betalen of te ontvangen afwikkelingsvergoedingen niet worden omzeild met alternatieve vergoedingenstromen naar de uitgevers. Om dit te voorkomen dient de ‘nettocompensatie’ van de vergoedingen, met inbegrip van mogelijke vergunningskosten, die de uitgever heeft betaald aan of ontvangen van een betaalkaartschema, een accepteerder of enige andere intermediair, als de afwikkelingsvergoeding te worden aangemerkt. Om na te gaan of er van omzeiling sprake is, dient bij de berekening van de afwikkelingsvergoeding rekening te worden gehouden met het totaalbedrag aan betalingen of stimulansen die een uitgever met betrekking tot de gereglementeerde transacties van een betaalkaartschema heeft ontvangen, verminderd met de vergoedingen die de uitgever aan het betaalkaartschema heeft betaald. De in aanmerking genomen betalingen, stimulansen en vergoedingen kunnen een direct karakter (d.w.z. op basis van het volume of de specifieke transactie) of een indirect karakter (onder meer verkoopstimulansen, bonussen, kortingen voor bepaalde transactievolumes) hebben. Bij het nagaan of de bepalingen van deze verordening worden omzeild, moet met name rekening worden gehouden met de voordelen die uitgevers van kaarten halen uit speciale programma's die gezamenlijk worden uitgevoerd door uitgevers en betaalkaartschema's, en met de inkomsten uit verwerkings-, licentieverlenings- en andere vergoedingen die inkomsten opleveren voor kaartorganisaties. […]’
Het toekennen van punten voor loyaliteitsprogramma's van luchtvaartmaatschappijen door American Express op cobrandingkaarten (Amex/Alitalia, Amex/Iberia, Amex/Air France etc.) is een voorbeeld van een indirecte vergoeding waarvan het effect gelijkwaardig is aan de afwikkelingsvergoeding.
In haar schriftelijke opmerkingen verwijst MasterCard ter illustratie van dit voordeel naar de verschillende behandeling die Alitalia sinds 9 december 2015 hanteert voor cobrandingkaarten MasterCard/Alitalia (0,5 mijl per bestede euro) en cobrandingkaarten Amex/Alitalia (1 mijl per bestede euro). Ook het voorbeeld van de betaalkaart BNL Duo wordt genoemd: met deze kaart kan met MasterCard en met Amex worden betaald door dezelfde pincode te gebruiken, maar BNL discrimineert in haar loyaliteitsprogramma BNL PAYBACK tussen betalingen met MasterCard (1 punt per 2 bestede euro's) en betalingen met Amex (2 punten per 2 bestede euro's).
De Britse regering heeft gewezen op het risico dat vierpartijenschema's worden omgevormd tot driepartijenschema's die worden uitgebreid via een agent (met de financiële instelling als agent), om de in de verordening neergelegde beperkingen aan de afwikkelingsvergoeding te omzeilen.
Het enige voordeel dat oneigenlijke driepartijenschema's ten opzichte van vierpartijenschema's hebben, is het in artikel 1, lid 5, in fine, van de verordening genoemde voordeel dat ‘[w]at de binnenlandse betalingstransacties betreft […] voor een dergelijk driepartijenbetaalkaartschema […] tot 9 december 2018 [kan] worden voorzien in een vrijstelling van de verplichtingen van hoofdstuk II, mits de op kaarten gebaseerde betalingstransacties die uit hoofde van dat driepartijenbetaalkaartschema in een lidstaat worden verricht, op jaarbasis niet meer bedragen dan 3 % van de totale waarde van de in die lidstaat verrichte op kaarten gebaseerde betalingstransacties’.
MasterCard verwijst in haar opmerkingen naar bepaalde cobrandingkaarten die zowel door een driepartijenschema als door een vierpartijenschema worden gebruikt. MasterCard noemt specifiek de Virgin Atlantic White Card en Virgin Atlantic Black Card, welke betaalkaarten door zowel Amex als Visa samen met de luchtvaartmaatschappij Virgin Atlantic zijn uitgegeven, en de betaalkaarten TSB Avios en Premier Avios, die zowel Amex als MasterCard samen met de Britse bank TSB heeft uitgegeven.
Zie voor het voorstel document COM(2013) 550 final van 24 juli 2013, voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende interbancaire vergoedingen voor op kaarten gebaseerde betalingstransacties. Zie voor de effectbeoordeling Commission Staff Working Document, SWD(2013) 288 final van 24 juli 2013, Impact Assessment. Accompanying the document Proposal for a directive of the European parliament and of the Council on payment services in the internal market and amending Directives 2002/65/EC, 2013/36/UE and 2009/110/EC and repealing Directive 2007/64/EC and Proposal for a Regulation of the European Parliament and of the Council on interchange fees for card-based payment transactions.
Zie overweging 22 en artikel 1, lid 3, en artikel 2, punt 15, van het voorstel voor een verordening, alsmede punt 6.2.1.5, blz. 56, van de effectbeoordeling en bijlage 9 bij de effectbeoordeling, punt 2.6, blz. 194.
Zie in die zin arresten van 19 november 2013, Commissie/Raad (C-63/12, EU:C:2013:752, punten 98 en 99), en 16 juni 2015, Gauweiler e.a. (C-62/14, EU:C:2015:400, punt 70).
Zie onder meer arresten van 18 juni 2015, Estland/Parlement en Raad (C-508/13, EU:C:2015:403, punt 60), en 3 maart 2016, Spanje/Commissie (C-26/15 P, EU:C:2016:132, punten 30 en 31).
Arresten van 1 februari 2007, Sison/Raad (C-266/05 P, EU:C:2007:75, punt 33); 16 december 2008, Arcelor Atlantique et Lorraine e.a. (C-127/07, EU:C:2008:728, punt 57); 8 juni 2010, Vodafone e.a. (C-58/08, EU:C:2010:321, punt 52); 17 oktober 2013, Schaible (C-101/12, EU:C:2013:661, punt 47), en 1 maart 2016, National Iranian Oil Company/Raad (C-440/14 P, EU:C:2016:128, punt 77).
Amex ziet geen rationele grondslag om te oordelen dat een driepartijenschema als een vierpartijenschema moet worden behandeld vanwege het enkele feit dat cobrandingovereenkomsten of agentschapsovereenkomsten worden gesloten, en betoogt dat dergelijke overeenkomsten de fundamentele aard van het driepartijenschema niet wijzigen. Er is geen verschil met echte driepartijenschema's. De rollen van uitgever van betaalkaarten en accepteerder van betalingstransacties worden door het schema op dezelfde wijze vervuld, met dezelfde partijen, als het geval zou zijn wanneer van die overeenkomsten geen sprake was. Gelijkstelling is slecht voor de consument en de concurrentie omdat driepartijenschema's hierdoor minder snel cobrandingovereenkomsten of agentschapsovereenkomsten zullen aangaan. Als gevolg daarvan zal de consument minder keus hebben en zullen de voordelen van daadwerkelijke concurrentie tussen betaalkaartschema's verloren gaan.
Zie in die zin arresten van 10 december 2002, British American Tobacco (Investments) en Imperial Tobacco (C-491/01, EU:C:2002:741, punt 122); 16 juni 2015, Gauweiler e.a. (C-62/14, EU:C:2015:400, punten 67 en 91), en 4 mei 2016, Polen/Parlement en Raad (C-358/14, EU:C:2016:323, punten 78 en79).
Zie in die zin arresten van 12 juli 2001, Jippes e.a. (C-189/01, EU:C:2001:420, punten 82 en 83); 10 december 2002, British American Tobacco (Investments) en Imperial Tobacco (C-491/01, EU:C:2002:741, punt 123); 8 juni 2010, Vodafone e.a. (C-58/08, EU:C:2010:321, punt 52), en 4 mei 2016, Pillbox 38 (C-477/14, EU:C:2016:324, punt 49).
Interessant is de door mij gedeelde gedachte die het Europees Parlement in punt 58 van zijn schriftelijke opmerkingen naar voren brengt, namelijk dat als bij via cobranding of een agent uitgebreide driepartijenschema's geen sprake is van aan de cobrandingpartner of de agent betaalde directe of indirecte vergoedingen, de maxima van de verordening niet gelden omdat er geen afwikkelingsvergoedingen of daarmee gelijk te stellen kosten zijn.
Arresten van 6 september 2012, Deutsches Weintor (C-544/10, EU:C:2012:526, punt 54), en 17 december 2015, Neptune Distribution (C-157/14, EU:C:2013:823, punten 66 en 68).
Blijkens overweging 20 van de verordening ‘[zijn] [d]e in deze verordening vastgestelde maxima […] gebaseerd op de in de economische literatuur ontwikkelde ‘Merchant Indifference Test’, waarmee wordt bepaald welke vergoeding een handelaar zou willen betalen als hij de kosten van het gebruik van betaalkaarten door klanten zou vergelijken met de kosten van niet met een kaart gedane (contante) betalingen’. De voor de afwikkelingsvergoeding geldende maxima zijn dus zo berekend dat zij het gebruik van betaalkaarten niet ontmoedigen en aldus voorkomen wordt dat klanten vaker contant of via andere betaalmethoden gaan afrekenen.