Hof Arnhem-Leeuwarden, 17-02-2022, nr. 200.290.895/01
ECLI:NL:GHARL:2022:1271
- Instantie
Hof Arnhem-Leeuwarden
- Datum
17-02-2022
- Zaaknummer
200.290.895/01
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHARL:2022:1271, Uitspraak, Hof Arnhem-Leeuwarden, 17‑02‑2022; (Hoger beroep)
ECLI:NL:GHARL:2021:9986, Uitspraak, Hof Arnhem-Leeuwarden, 21‑10‑2021; (Hoger beroep, Tussenbeschikking)
Uitspraak 17‑02‑2022
Inhoudsindicatie
Het hof stelt een beperkte omgangsregeling vast tussen de oma en haar kleinkind. Het gevoel van veiligheid van het kleinkind staat een ruimere omgang niet toe.
Partij(en)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.290.895/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 173766)
beschikking van 17 februari 2022
inzake
[verzoekster] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de grootmoeder,
advocaat: mr. M.J. Buitenhuis te Leeuwarden,
en
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,
gevestigd te Amsterdam,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de GI.
Als belanghebbenden zijn aangemerkt:
de pleegouders van [de minderjarige],
wonende op een geheim te houden adres,
verder te noemen: de pleegouders.
1. Het verloop van het geding in hoger beroep
1.1
Voor het verloop van het geding tot 21 oktober 2021 verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van die datum.
1.2
Het verdere verloop blijkt uit:
- het verweerschrift van de GI van 11 november 2021;
- een journaalbericht namens de grootmoeder van 14 december 2021 met bijlage(n).
1.3
Het hof acht een nadere mondelinge behandeling niet noodzakelijk en partijen hebben daartoe evenmin de wens uitgesproken. Het hof zal de zaak daarom – zoals aangekondigd in de tussenbeschikking – verder op de stukken afdoen.
2. De motivering van de beslissing
2.1
Het hof blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in de tussenbeschikking van 21 oktober 2021 (hierna: tussenbeschikking), voor zover hierna niet anders wordt overwogen of beslist.
2.2
In die tussenbeschikking heeft het hof overwogen dat sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking van de grootmoeder met [de minderjarige] . Ten gevolge daarvan heeft het hof in de tussenbeschikking de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 2 december 2020, vernietigd en, opnieuw beschikkende, de grootmoeder ontvankelijk verklaard in haar verzoek om een omgangsregeling tussen haar en [de minderjarige] vast te stellen. Het hof heeft iedere verdere beslissing over de omgangsregeling aangehouden wegens gebrek aan actuele informatie over [de minderjarige] . Alvorens verder te beslissen op het verzoek van de grootmoeder heeft het hof de GI in de gelegenheid gesteld om vóór 18 november 2021 een verweerschrift in te dienen bij het hof en heeft het hof bepaald dat de grootmoeder de gelegenheid krijgt binnen vier weken na ontvangst van het verweerschrift haar schriftelijke reactie daarop te geven.
2.3
Zoals het hof reeds heeft overwogen in de tussenbeschikking stelt de rechter ingevolge lid 2 van artikel 1:377a van het Burgerlijk Wetboek (BW) op verzoek van degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt de rechter, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang. De rechter kan het recht op omgang met het kind uitsluitend ontzeggen op de in artikel 1:377a lid 3 BW limitatief opgesomde gronden.
2.4
In het op 17 november 2021 door het hof ontvangen verweerschrift van de GI geeft de GI aan dat de grootmoeder recht heeft op contact met [de minderjarige] , maar dat de door de grootmoeder voorgestelde regeling niet in het belang is van [de minderjarige] . De GI vindt dat de omgangsregeling zoals die door de GI is bepaald en die inhoudt dat de grootmoeder vier keer per jaar onder begeleiding en op een neutrale plek omgang met [de minderjarige] heeft, gehandhaafd moet blijven. De GI legt hieraan (onder meer) ten grondslag dat de grootmoeder onrust brengt naar de bezoeken en dat de grootmoeder vanuit haar eigen emotie handelt in plaats van het belang van [de minderjarige] . Zo laat de grootmoeder zich tijdens de omgangsmomenten negatief uit over de pleegouders en is het voorgekomen dat toen de grootmoeder tijdens een omgangsmoment samen met [de minderjarige] in de toiletruimte was zij [de minderjarige] heeft uitgehoord en aan haar heeft gevraagd of zij de grootmoeder mist en of zij nog van de grootmoeder houdt. Volgens de GI accepteert de grootmoeder niet dat ook de pleegmoeder bij de omgang aanwezig is en begrijpt zij niet dat de pleegmoeder daarbij aanwezig is in het belang van het gevoel van veiligheid van [de minderjarige] . Ook ervaart [de minderjarige] de omgang met de grootmoeder als niet plezierig. Voor en na de omgang met de grootmoeder is [de minderjarige] boos, huilt ze, wil ze niet eten en geeft ze aan dat ze niet naar de omgangsmomenten met de grootmoeder wil.
2.5
De grootmoeder is het niet eens met het standpunt van de GI. Volgens de grootmoeder zijn de verwijten die de GI haar maakt niet juist en geniet [de minderjarige] van de omgangsmomenten met de grootmoeder. In de reactie van de grootmoeder van 14 december 2021 op het verweerschrift van de GI staat onder meer dat de grootmoeder ervaart dat de GI een persoonlijke strijd tegen haar voert en dat zij tijdens de omgangsmomenten – waarbij ook altijd een medewerker van [naam1] aanwezig is – druk voelt van de jeugdbeschermer en de pleegmoeder en/of -vader. Om de familieband met [de minderjarige] te onderhouden wenst de grootmoeder dat de omgangsmomenten vaker en langer plaatsvinden dan de GI voorstaat en zonder de aanwezigheid van de jeugdzorgwerker of (één van) de pleegouders.
2.6
Het hof stelt vast dat zowel de grootmoeder als de GI het wenselijk vinden dat er omgang plaatsvindt tussen de grootmoeder en de 6-jarige [de minderjarige] , zodat het geschil zich beperkt tot de omvang van de omgang. Het hof overweegt als volgt.
2.7
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting concludeert het hof dat een omgangsfrequentie van vier keer per jaar met de grootmoeder het meest tegemoet komt aan de belangen van [de minderjarige] . Het hof heeft geen aanleiding om te twijfelen aan hetgeen de GI stelt over de weerstand van [de minderjarige] en de verandering van het humeur en het gedrag van [de minderjarige] rondom de omgangsmomenten met de grootmoeder. [de minderjarige] is nog heel jong en stabiliteit in haar opvoeding is aangewezen in het belang van haar ontwikkeling. Ook heeft zij in principe nog een omgangsregeling met haar ouders. Alles overziend kan een hogere frequentie van de omgangsregeling naar het oordeel van het hof op dit moment dan ook niet aan de orde zijn. Omdat het humeur en het gedrag van [de minderjarige] zowel voor als na de omgang met de grootmoeder door de omgangsmomenten negatief beïnvloed lijken te worden, is het in haar belang dat de GI in de gaten houdt wat zij aankan en dat de GI de plek, de wijze (wel/geen begeleiding en door wie), het moment en de duur van de omgang die [de minderjarige] heeft met de grootmoeder, bepaalt. Het gevoel van veiligheid bij de 6-jarige [de minderjarige] (dat door de aanwezigheid van één van de pleegouders wordt vergroot) weegt voor het hof zwaarder dan het gevoel van de grootmoeder dat zij onder druk staat als de pleegvader of -moeder bij de omgang aanwezig is. Het hof benadrukt in dit verband nog dat het de verantwoordelijkheid is van de volwassenen die bij de omgang aanwezig zijn om er voor te zorgen dat zij zich zodanig gedragen dat de omgang voor [de minderjarige] plezierig verloopt.
2.8
Het vorenstaande maakt dat het hof van oordeel is dat omgang van de grootmoeder met [de minderjarige] met een frequentie van vier keer per jaar, waarbij de GI de invulling van de omgangsmomenten bepaalt, op dit moment het meest in het belang is van [de minderjarige] . Het hof zal dit dan ook als omgangsregeling vaststellen zoals hierna onder de beslissing volgt.
Dit neemt niet weg dat wijziging van de omgang van de grootmoeder met [de minderjarige] in de toekomst mogelijk is. Het belang van [de minderjarige] dient hierbij altijd de eerste overweging te zijn.
3. De beslissing
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
stelt als omgangsregeling vast dat de grootmoeder en [de minderjarige] elkaar vier keer per jaar ontmoeten, waarbij de locatie, wijze, moment en duur door de GI worden bepaald;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.A.F. Veenstra, A.P. de Jong-de Goede en E.F. Groot, bijgestaan door mr. T. van der Veen-Hamstra als griffier, en is op
17 februari 2022 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Uitspraak 21‑10‑2021
Inhoudsindicatie
Het hof wil informatie van de gecertificeerde instelling voordat het beslist op het verzoek van de oma om een omgangsregeling met haar kleinkind vast te stellen. De GI heeft verstek laten gaan als procespartij.
Partij(en)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.290.895/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 173766)
beschikking van 21 oktober 2021
inzake
[verzoekster] ,
wonende te [woonplaats1] ,
verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de grootmoeder,
advocaat: mr. M.J. Buitenhuis te Leeuwarden,
en
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,
gevestigd te Amsterdam,
verweerder in hoger beroep,
verder te noemen: de GI.
Als belanghebbenden zijn aangemerkt:
de pleegouders van [de minderjarige],
wonende op een geheim te houden adres,
verder te noemen: de pleegouders.
1. 1. Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 2 december 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
2. Het geding in hoger beroep
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 26 februari 2021;
- een brief van de raad van de kinderbescherming van 8 maart 2021;
- een journaalbericht namens de grootmoeder van 19 maart 2021 met bijlage(n).
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 30 september 2021 plaatsgevonden.
De grootmoeder is verschenen, bijgestaan door haar advocaat.
3. De feiten
3.1
De grootmoeder is de moeder van de vader van [de minderjarige] , geboren [in] 2015.
3.2
[de minderjarige] is op 15 april 2016 voorlopig onder toezicht gesteld van de GI en met een (spoed)machtiging uit huis geplaatst. Vervolgens zijn de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing op verzoek van de GI steeds verlengd.
Het ouderlijk gezag van de ouders is bij beschikking van de rechtbank van 17 juli 2019 beëindigd en daarbij is de GI tot voogd benoemd. Sinds 15 april 2016 verblijft [de minderjarige] bij de pleegouders.
3.3
In haar inleidende verzoek heeft de grootmoeder de rechtbank verzocht een omgangsregeling tussen haar en [de minderjarige] vast te stellen, inhoudende:
Primair: eens per maand gedurende twee uren (eventueel door middel van videobellen en/of
kaarten sturen zolang er beperkende maatregelen gelden als gevolg van de uitbraak van
het coronavirus);
Subsidiair: eens per zes weken gedurende twee uren (eventueel door middel van videobellen
en/of kaarten sturen zolang er beperkende maatregelen gelden als gevolg van de
uitbraak van het coronavirus);
Meer subsidiair: vier keer per jaar gedurende twee uren (eventueel door middel van
videobellen en/of kaarten sturen zolang er beperkende maatregelen gelden als gevolg
van de uitbraak van het coronavirus);
Meer meer subsidiair: een omgangsregeling vast te stellen zoals de rechtbank in
goede justitie juist acht.
4. De omvang van het geschil
4.1
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, de grootmoeder niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling.
4.2
De grootmoeder is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Deze grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen.
De grootmoeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende, (zo begrijpt het hof) de grootmoeder in haar inleidende verzoek(en) ontvankelijk te verklaren en deze toe te wijzen, althans een zodanige beslissing te nemen als het hof juist acht.
5. De motivering van de beslissing
De ontvankelijkheid van de grootmoeder in haar verzoek
5.1
Het hof stelt voorop dat de grootouders van een kind in hun verzoek kunnen worden ontvangen indien zij voldoende concrete omstandigheden stellen voor het bestaan van gezinsleven (family life) als bedoeld in artikel 8 lid 1 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Biologische verwantschap is één van de feiten en omstandigheden op grond waarvan een nauwe persoonlijke betrekking kan worden aangenomen. Dat de grootmoeder de grootouder is van [de minderjarige] , is derhalve van belang. Er dienen echter nog wel bijkomende omstandigheden te worden gesteld waaruit volgt dat er tussen haar en [de minderjarige] een nauwe persoonlijke betrekking bestaat of een band die kan worden aangemerkt als ''family life'' in de zin van artikel 8 lid 1 EVRM, zodanig dat voor een oordeel van het hof over de gerechtvaardigdheid van een omgangsregeling plaats is.
5.2
Het hof is van oordeel dat de grootmoeder voldoende heeft onderbouwd dat er naast de biologische verwantschap bijkomende omstandigheden zijn die maken dat er sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking van de grootmoeder met [de minderjarige] . Hetgeen de grootmoeder hiertoe heeft aangevoerd is door de GI ook niet betwist. De grootmoeder is bij de bevalling van [de minderjarige] aanwezig geweest en heeft haar navelstreng doorgeknipt. In de periode daarna had de grootmoeder regelmatig omgang met [de minderjarige] . In ieder geval paste de grootmoeder elke woensdagavond op [de minderjarige] . [de minderjarige] ging op enig moment – toen de ouders begeleiding van [naam1] hadden – in het weekend naar de grootmoeder. Na de uithuisplaatsing van [de minderjarige] is door de GI een omgangs-/contactregeling tussen de grootmoeder en [de minderjarige] bepaald die inhield dat de grootmoeder en [de minderjarige] één keer in de zes weken omgang met elkaar mochten hebben. In oktober 2018 zijn de omgangsmomenten tussen de grootmoeder en [de minderjarige] door de GI beperkt tot vier keer per jaar. Volgens de grootmoeder heeft zij, door toedoen van de GI, de afgelopen twee jaren slechts twee keer per jaar omgang met [de minderjarige] gehad. Dat het contact tussen de grootmoeder en [de minderjarige] na de uithuisplaatsing van [de minderjarige] is verminderd, maakt naar het oordeel van het hof niet dat de nauwe persoonlijke betrekking nu is verbroken.
Het hof zal de grootmoeder daarom ontvankelijk verklaren in haar verzoek.
Het recht op omgang met [de minderjarige]
5.3
Een kind heeft recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Dit recht wordt, wat betreft de niet met het gezag belaste ouder en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, gewaarborgd door artikel 8 EVRM en artikel 1:377a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en, wat het kind aangaat, niet alleen door die laatstgenoemde bepaling, maar ook door artikel 9 lid 3 IVRK en artikel 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU. Ingevolge lid 2 van artikel 1:377a BW stelt de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen of van degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang. De rechter kan het recht op omgang met het kind uitsluitend ontzeggen op de in artikel 1:377a lid 3 BW limitatief opgesomde gronden.
5.4
Het ontbreekt het hof aan actuele informatie over [de minderjarige] . Zowel in de procedure bij de rechtbank als bij het hof heeft de GI geen verweerschrift ingediend. De GI is niet ter zitting bij het hof verschenen en heeft geen verweer gevoerd tegen het verzoek van de grootmoeder in hoger beroep. Het hof acht zich op grond van de stukken en de mondelinge behandeling onvoldoende voorgelicht om een verantwoorde beslissing waarbij tevens recht wordt gedaan aan het belang van [de minderjarige] , te kunnen geven. Het hof acht nadere informatie over [de minderjarige] vanuit de GI noodzakelijk om een beslissing te kunnen geven over het verzochte recht op omgang.
Het hof zal de GI daarom in de gelegenheid stellen vóór 18 november 2021 een verweerschrift in te dienen bij het hof. Na ontvangst van het verweerschrift zal het hof de grootmoeder in de gelegenheid stellen om daarop binnen vier weken schriftelijk te reageren. Het hof zal daarna in beginsel de zaak verder op de stukken afdoen, tenzij het hof, al dan niet op gemotiveerd verzoek van de GI of van de grootmoeder, anders beslist.
In afwachting van het verweerschrift en de eventuele reactie van de grootmoeder daarop, zal het hof iedere verdere beslissing aanhouden.
6. De beslissing
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 2 december 2020, en opnieuw beschikkende:
verklaart de grootmoeder ontvankelijk in haar verzoek;
alvorens verder te beslissen:
stelt de GI in de gelegenheid vóór 18 november 2021 een verweerschrift in te dienen bij het hof;
bepaalt dat de grootmoeder de gelegenheid krijgt binnen vier weken na ontvangst van het verweerschrift haar schriftelijke reactie daarop te geven;
bepaalt dat de zaak daarna in beginsel op de stukken zal worden afgedaan, tenzij het hof na gemotiveerd verzoek van (één van) partijen alsnog een zitting gelast, dan wel het hof daartoe ambtshalve aanleiding ziet;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.A.F. Veenstra, A.P. de Jong-de Goede en E.F. Groot, bijgestaan door mr. T. van der Veen-Hamstra als griffier, en is op 21 oktober 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.